Het onderscheid tussen belasting ontduiken en ontwijken voldoet anno 2018 niet meer. Sinds enkele decennia komen belanghebbenden terecht nadrukkelijker op voor hun rechten. Enkele adviseurs lijken daarbij fraus legis als de standaard van fiscale advisering te achten, veelal overgoten met een ‘wetenschappelijk’ sausje. Het gaat mij niets aan hoe een belastingadviseur dit verantwoordt. Maar zou de Belastingdienst in dergelijke gevallen niet het naadje van de kous moeten willen weten?

De afgelopen weken is kritiek over de Belastingdienst uitgestort. Naar mijn smaak deels eenzijdig. Leo Stevens neemt in zijn bespiegelingen over belastingheffing in de toekomst (te lezen via VHMF.nl) de Belastingdienst de maat. Zo stelt hij dat efficiënt en rechtsstatelijk acteren, de reputatie van de Belastingdienst en de vaktrots van de medewerkers moeten herstellen. De bredere analyses van Herreveld (‘Rechtsstatelijkheid’, in: ‘Ode aan Bart’, Liber amicorum Bart van Zadelhoff, Wolters Kluwer 2017), Van Amersfoort (‘De rechtsstatelijkheid van het handelen van de Belastingdienst’, WFR 2017/236), Van Eijsden (‘Grensgangers’, in: ‘Springende punten’, Van Amersfoort-bundel, Kluwer 2017) en Meussen (‘Magistratelijkheid (of rechtsstatelijkheid) van de belastinginspecteur’, FED 2018/76) zijn interessante beschouwingen. De daarin genoemde incidenten kunnen naar mijn mening het ‘wegzetten’ van een organisatie echter niet dragen. Ik wil één aspect aan dit debat toevoegen.

Het onderscheid tussen belasting ontduiken en ontwijken, zoals Stevens in zijn bespiegelingen herhaalt, voldoet anno 2018 niet meer. Sinds enkele decennia komen belanghebbenden terecht nadrukkelijker op voor hun rechten (L.G.M. Stevens, ‘Fiscus ik ben je vriend niet!’, Kluwer 1997). Enkele adviseurs lijken daarbij fraus legis als de standaard van fiscale advisering te achten, veelal, ter voorkoming van een vergrijpboete, overgoten met een ‘wetenschappelijk’ sausje. Het gaat mij niets aan hoe een belastingadviseur dit verantwoordt (vgl. Van Dijck’s ‘Pappie, wat doe jij eigenlijk de hele dag?’ in BNB 1993/111). Maar zou de Belastingdienst in dergelijke gevallen niet het naadje van de kous moeten willen weten? In het arrest betreffende een taxplanningstructuur van een bankenconcern (V-N 2017/22.9) speelde een opmerkelijke vergrijpboete. Na de uitspraak van de rechtbank liet ik mij kritisch uit over het opleggen van deze vergrijpboete. Maar het betrof echter wel een onjuiste aangifte ten bedrage van maar liefst circa p 100 mln. belasting, waarbij de Belastingdienst mijns inziens ten minste kwestieus tekortschietend werd geïnformeerd. Wij moeten niet vergeten dat er belangen spelen.

Het fiscale geschil spitst zich in toenemende mate toe op de vraag of de fiscus überhaupt informatie krijgt. Dit aspect mis ik in genoemde analyses. De geschillen daarover die de rechter halen, worden, op een enkel evident incident na, gewonnen door de fiscus. Mijns inziens is de procedure, waarin (wederom) een bankenconcern, zelfs bij immense belangen, zou worstelen met zijn administratie (Rb. Noord-Holland 26 april 2018, V-N Vandaag 2018/965, ECLI:NL:RBNHO:2018:3408), ook terecht gevoerd door de Belastingdienst.

Ik mis in de analyses en in het debat de herkenning dat een te lage belastingaanslag op basis van het doelbewust achterhouden van informatie niet als ontwijken, maar als fraude kwalificeert. Het is mij te gemakkelijk als in het kader van beboeting algemeen wordt gesteld dat “[v]oor de diverse standpunten zijn namelijk doorgaans goede argumenten aan te voeren” (Van Amersfoort, WFR 2017/236). Hiermee staat in contrast dat belanghebbenden voor de belastingheffing relevante informatie achterhouden en het komt mij juist voor dat de overheid hierop reageert. In reactie op Stevens betekent dit voor mij overigens niet dat adviseurs tegenspelers van inspecteurs zouden zijn. Maar een adviseur die door informatie achter te houden de maatschappij fiscaal pootje licht, is voor mij geen professioneel voorbeeld. Wat vinden de beroepsorganisaties daar eigenlijk van?

Gekunstelde structuren behoren een reactie op te roepen. Dit raakt commerciële belangen en roept helaas maatschappelijke kosten en wetgevende reacties op. Maar het debat over rechtsstatelijkheid vastpinnen op de eenzijdige beeldvorming dat de gemiddelde medewerker van de Belastingdienst niet rechtsstatelijk zou (mogen) zijn, is bezijden de realiteit.

 

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Internationaal belastingrecht

Informatiesoort: Uitvergroot

  1764
Gerelateerde artikelen