A-G Niessen is van mening dat de heffing van 20% revisierente niet van elke redelijke grond is ontbloot.Alleen als het wettelijke forfait gedurende langere tijd en in ruime mate niet meer spoort met de werkelijkheid, pas dan kan een moment aanbreken waarbij moet worden geoordeeld dat de regeling in totaliteit in strijd is met het bepaalde in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

De heer X heeft in 1994 een lijfrente afgesloten ter compensatie van een pensioentekort. In 2014 koopt X deze lijfrente af voor € 29.820. Op de afkoopsom is € 15.507 loonheffing ingehouden. In geschil is of X daarnaast 20% revisierente (€ 5.964) is verschuldigd. Volgens X is de revisierente gelet op het daadwerkelijk behaalde (negatieve) rendement veel te hoog. Voorts komt hij ten onrechte niet in aanmerking voor de tegenbewijsregeling (art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001). Deze is namelijk alleen van toepassing als de aanspraak minder dan tien jaren geleden is bedongen. Volgens Rechtbank Den Haag wordt revisierente in rekening gebracht om een timing-voordeel teniet te doen en staat deze dus geheel los van het daadwerkelijke rendement. Hof Den Haag oordeelt voorts dat de mogelijkheid van tegenbewijs uit doelmatigheid uitsluitend mogelijk is als de aanspraak is bedongen minder dan tien jaren voor het jaar waarin de negatieve persoonlijke verplichtingen worden genoten. In een dergelijke situatie kan het namelijk voorkomen dat de verschuldigde heffingsrente, indien de belasting over de 'ten onrechte' afgetrokken premies zou kunnen worden nagevorderd, minder zou hebben bedragen dan 20% van de waarde van de aanspraak. X gaat in cassatie.

Advocaat-Generaal Niessen is van mening dat de heffing van 20% revisierente niet van elke redelijke grond is ontbloot. De wetgever wil voorkomen dat in strijd met de voorwaarden voor premieaftrek wordt gehandeld, dat het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening wordt behouden en dat een belastingplichtige die een lijfrente afkoopt niet beter af mag zijn dan een belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen spaart en onder het forfaitaire rendement valt. De omstandigheid dat X door verlies van inkomen en ziekte zich gedrongen voelde over te gaan tot de afkoop, rechtvaardigt niet de conclusie dat hij zwaarder is getroffen dan anderen. Vanwege de recent lagere heffingsrente/belastingrente is de tegenbewijsregeling in veel gevallen ook na tien jaar voordeliger dan de heffing van 20% revisierente over de waarde in het economisch verkeer van de gehele aanspraak. Volgens de A-G mag van de wetgever worden verlangd dat de regeling, waaraan een zekere ruwheid vanwege de ‘hard and fast rules' inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vergl. HR 10 juni 2016, nr. 14/05020, V-N 2016/31.12). Uit de parlementaire geschiedenis is op te maken dat bij de invoering van de revisierente vanwege doelmatigheidsredenen is gekozen voor 20% en een tegenbewijsregeling van tien jaar. De wetgever zou moeten nagaan of deze niet nader toegelichte doelmatigheidsredenen nog steeds gelden en of de verlaging van de heffingsrente/belastingrente aanleiding geeft om de periode van de tegenbewijsregeling of de hoogte van het plafond aan te passen. Alleen als het wettelijke forfait gedurende langere tijd en in ruime mate niet meer spoort met de werkelijkheid, pas dan kan een moment aanbreken waarbij moet worden geoordeeld dat de regeling in totaliteit in strijd is met het bepaalde in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. De A-G concludeert daarom tot ongegrondverklaring van het beroep van X.

Lees ook het thema Lijfrenten.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 30i

Wet inkomstenbelasting 2001 3.133

Editie: 6 maart

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Inkomstenbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  24
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen