Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat door de heer X geen feiten zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat belastingplichtigen door de forfaitaire box 3-heffing worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. De vergrijpboete van 72% is passend en geboden.

De heer X heeft in 2008 een rekening bij een bank in Luxemburg. Het saldo daarvan is op 1 januari 2008 € 270.928 en op 31 december 2008 € 230.755. X doet in 2010 IB-aangifte zonder deze rekening in box 3 te vermelden. In geschil is of terecht een 100% vergrijpboete is opgelegd. Rechtbank Den Haag matigt de boete tot 72% (100% minus 10% voor het meewerken in de beroepsfase en matiging met 20% voor de overschrijding van de redelijke termijn). X heeft namelijk na de zitting alsnog openheid van zaken gegeven. In hoger beroep stelt X dat het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet haalbaar is.

Hof Den Haag oordeelt dat door X geen feiten zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat belastingplichtigen door de forfaitaire box 3-heffing worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, V-N 2015/19.13). De rechtbank heeft terecht beslist dat X in zijn aangifte opzettelijk geen melding heeft gemaakt van de buitenlandse bankrekening en dat de boete moet worden gematigd tot 72%. Deze boete is passend en geboden. Het beroep van X is ongegrond.

Lees ook het thema Verzuim- en vergrijpboetes: Een kwestie van verschil.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Editie: 23 november

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  12
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen