A-G HvJ EU Kokott is van mening dat de BPM-heffing door Nederland slechts dan niet terecht is als de ‘gewone verblijfplaats' van mevrouw X in de zin van art. 7 lid 1 Richtlijn 83/182 (vrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap) zich niet in Nederland bevindt en de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden voor vrijstelling zijn vervuld.

Belanghebbende, mevrouw X, heeft de Belgische nationaliteit en exploiteert een orthodontiepraktijk in Nederland. X en haar partner verblijven in Nederland op de vier dagen dat X hier werkt. X beschikt over een huurappartement in België. In Nederland is X eigenaresse van een luxe woonboerderij met gastenverblijf. X rijdt in een personenauto met Belgisch kenteken en heeft er aldaar ‘Belasting op de inverkeerstelling' ad € 4957 voor betaald. Voor de Belgische belastingwetgeving wordt X aangemerkt als inwoner van België. In verband met een BPM-naheffingsaanslag ad € 17.315 en de vergrijpboete is in geschil waar X woont. Rechtbank Leeuwarden vernietigt de boete. Hof Leeuwarden oordeelt dat X in hoofdzaak in Nederland woont. De tijd die X en haar partner samen gewoonlijk in Nederland doorbrengen, is namelijk langer dan de tijd die elders wordt doorgebracht. De Hoge Raad (6 april 2012, nr. 10/02689, V-N 2012/19.27) gaat er van uit dat X zowel in Nederland als in België een verblijfplaats heeft en dat de auto in beide lidstaten duurzaam wordt gebruikt. Er worden vervolgens prejudiciële vragen gesteld over de gevolgen van deze dubbele woonplaats. Hebben Nederland en België beide een ‘onbegrensde' registratiebelasting? Zo nee, heeft het evenredigheidsbeginsel dan een corrigerende werking? Zo ja, brengt dit beginsel dan mee dat één of beide lidstaten zich moeten beperken bij de uitoefening van hun fiscale bevoegdheden, en op welke wijze dient die beperking dan vorm te krijgen? Advocaat-Generaal HvJ EU Kokott is van mening dat de BPM-heffing door Nederland slechts dan niet terecht is als de ‘gewone verblijfplaats' van X in de zin van art. 7 lid 1 Richtlijn 83/182 (vrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap) zich niet in Nederland bevindt en de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden voor vrijstelling zijn vervuld. Het EU-recht kent namelijk niet zoiets als een ‘dubbele woonplaats'. De onderhavige heffing is gekoppeld aan de ingebruikneming op het binnenlandse grondgebied en is dus een verbruiksbelasting in de zin van art. 1 lid 1 Richtlijn 83/182. Het maakt niet uit dat X in België ook reeds een registratiebelasting heeft betaald. Een oplossing voor de dubbele belasting biedt het EU-recht alleen met de Richtlijn 83/182. Voor zover de auto in de lidstaat van de gewone verblijfplaats wordt geregistreerd, zal heffing op grond van de ingebruikneming in een andere lidstaat in de regel namelijk door de vrijstellingen van deze richtlijn zijn uitgesloten. Het evenredigheidsbeginsel heeft dus geen invloed op de heffing. Haar recht van op vrije vestiging wordt er ook niet door beperkt.

Wetsartikelen:

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 49

Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1

Algemene wet inzake rijksbelastingen 4

[Nieuwsbron]

Editie: 13 september

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: VN Vandaag

  16
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen