A-G IJzerman is van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van 2009 met de vrijstelling van 75% nog binnen de ‘wide margin of appreciation' valt, zodat er geen sprake is van schending van het volkenrechtelijke gelijkheidsbeginsel.

Erflater, de heer A, overlijdt in 2009. Belanghebbende, mevrouw X (zijn echtgenote), is één van de erfgenamen. De nalatenschap van A bestaat deels uit ondernemingsvermogen. De verkrijging van X beloopt ruim € 2 miljoen. X zet de onderneming echter niet voort, doch verkoopt die in 2010. Hierdoor heeft zij geen recht op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. X beroept zich echter op het IVBPR en het EVRM, alsmede op het Eerste Protocol bij het EVRM. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt X in het gelijk. De Staatssecretaris van Financiën gaat in (sprong)cassatie. Dit is één van de zes proefprocedures. Voor de andere zaken geldt de aanwijzing van ‘massaal bezwaar' (art. 25a AWR) conform het Besluit van 23 oktober 2012, nr. BLKB2012/1665M.

Advocaat-Generaal IJzerman is van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van 2009 met de vrijstelling van 75% van het ondernemingsvermogen nog binnen de ‘wide margin of appreciation' valt, zodat er geen sprake is van schending van het volkenrechtelijke gelijkheidsbeginsel. De A-G stelt dat de vrijstelling van 75%, die gold in 2007, 2008 en 2009, nog niet ‘manifestly without reasonable foundation' was. De A-G concludeert tot gegrondverklaring van het beroep van de Staatssecretaris.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26

Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14

Successiewet 1956 35c

Editie: 4 oktober

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  17
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen