Rechtbank Gelderland oordeelt dat er sprake is van een onzakelijke lening. L BV heeft namelijk een debiteurenrisico gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard.

G bv houdt sinds 30 juli 2009 alle aandelen in belanghebbende, X bv, en houdt verder 46% van de aandelen in J bv. X bv vormt vanaf 1 oktober 2009 een fe voor de VPB met L bv. Begin 2008 verstrekt L bv, via J bv, een lening van € 1,5 mln aan N bv en A bv, (klein)dochtervennootschappen van J bv. Ter zake van deze lening zijn geen zekerheden gevraagd of gesteld en is geen aflossingsschema opgesteld. Eind 2008 gaan N bv en A bv failliet. In haar VPB-aangiften 2009 en 2010 waardeert X bv af op de leningen. De inspecteur accepteert de afwaarderingen niet.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat er sprake is van een onzakelijke lening. Volgens de rechtbank is de lening namelijk onder zodanige voorwaarden en omstandigheden verstrekt dat daarbij door L BV een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde, die geen belang heeft dat voortvloeit uit een concernverhouding, niet zou hebben aanvaard. De rechtbank acht daarbij van belang dat geen enkele zekerheid voor de terugbetaling van het geleende bedrag is opgenomen, geen aflossing is overeengekomen en dat de lening is achtergesteld bij de kredietovereenkomst tussen de bank en N bv en A bv. Verder wijst de rechtbank er op dat op het moment van verstrekking van de lening het eigen vermogen en de resultaten van N bv en A bv negatief waren. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.25

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8

Editie: 6 augustus

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  6
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen