De Hoge Raad beslist dat de inspecteur de navorderingsaanslag met voldoende voortvarendheid heeft opgelegd. X doet een verzoek tot herziening. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).

De inspecteur heeft aan X navorderingsaanslagen ib/pvv opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2005 met vergrijpboeten van 100%. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd in het kader van het project Bank Zonder Naam. Volgens de inspecteur heeft X een verzwegen buitenlandse bankrekening aangehouden. De navorderingsaanslag over het jaar 2001 is opgelegd met gebruikmaking van de twaalfjaarstermijn. De overige navorderingsaanslagen zijn binnen de reguliere vijfjaarstermijn opgelegd. De rechtbank en het hof zijn van mening dat de navorderingsaanslag over het jaar 2001 niet voortvarend genoeg is opgelegd. Zowel X als de staatssecretaris komen in cassatie.

De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank de boeten van 100% passend en geboden heeft geacht en de boeten heeft verminderd met 15% (ib/pvv 2002) respectievelijk 5% (ib/pvv 2003 tot en met 2005) vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Nu het hof in het dictum van zijn uitspraak de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd, is deze vermindering ten onrechte niet door het hof in het dictum van zijn uitspraak tot uitdrukking gebracht. Het gelijk in deze is aan X. Vervolgens beslist de Hoge Raad dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de navorderingsaanslag over het jaar 2001 niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht. De 'hercheck' die is uitgevoerd met als doel voldoende zekerheid te verkrijgen aangaande de identificatie van een belastingplichtige en die tot een vertraging van enkele maanden leidde, werd gedaan uit een oogpunt van zorgvuldigheid. Deze vertraging is niet als onredelijk aan te merken. Nadat de uitkomsten van de 'hercheck' in de zomer van 2008 bekend waren geworden, heeft de inspecteur in november 2008 aangekondigd de navorderingsaanslag ib/pvv over het jaar 2001 te zullen opleggen, en dit is in december 2008 gebeurd. Dit is voldoende voortvarend, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad doet de zaak zelf af. De navorderingsaanslag ib/pvv over het jaar 2001 wordt gehandhaafd. De boeten worden verminderd. X doet een verzoek tot herziening. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO). (Vergelijk het identieke arrest 14/03410)

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6

Algemene wet inzake rijksbelastingen 16

Editie: 7 november

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: VN Vandaag

  14
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen