De Hoge Raad oordeelt dat het TBS-regime niet van toepassing is, aangezien de heer X of een met hem verbonden persoon geen aanmerkelijk belang heeft in C nv.

De heer X (belanghebbende) is belastingadviseur. Zijn persoonlijke holding is de moedermaatschappij van B Fiscaal bv en vormt samen met haar een fiscale eenheid voor de VPB. X is reeds enkele jaren als adviseur verbonden aan C nv. Deze nv behoort tot een fiscale eenheid voor de VPB met Holding D bv als moeder. In juli 2006 wordt X één van de circa 250 "partners". In dit kader gaan Holding D bv en B Fiscaal bv een aansluitingsovereenkomst aan. B Fiscaal bv krijgt één aandeel verkregen in D Holding bv. X verricht in ruil hiervoor werkzaamheden voor C nv. Voor deze werkzaamheden ontvangt B Fiscaal BV van D Holding bv een vergoeding in de vorm van een winstaandeel. B Fiscaal bv is verplicht een achtergestelde lening aan C nv te verstrekken. X leent dit geld van een bank en verstrekt dit in privé rechtstreeks aan C nv. In geschil is of de achtergestelde lening in box 1 valt (standpunt inspecteur) of in box 3 (standpunt X). Rechtbank Haarlem oordeelt dat X het leerstuk van de wetsontduiking kan worden tegengeworpen. De lening van X aan C nv wordt geacht een lening te zijn van B Fiscaal bv, die de achtergestelde lening op grond van de aansluitingsovereenkomst heeft verstrekt. Buiten het fiscale motief is er namelijk geen zakelijke reden voor. Het door X beoogde fiscale voordeel is dat het positieve verschil tussen de van C nv ontvangen rente en de aan de bank betaalde rente niet in box 1 valt. Volgens Hof Amsterdam is het feitelijke samenwerkingsverband van de circa 250 partners, hun bv's, de Holding D bv en haar (klein)dochters echter een samenwerkingsverband waarop het TBS-regime van toepassing is. X gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat het TBS-regime niet van toepassing is, aangezien X of een met hem verbonden persoon geen aanmerkelijk belang heeft in C nv. Het samenwerkingsverband (D Holding bv) heeft de vorm van een bv, zodat de toepasselijkheid van het TBS-regime wordt geregeerd door de regeling van art. 3.92-1-a Wet IB 2001. Aan de voorwaarden die in deze regeling worden gesteld voor het aannemen van een werkzaamheid bestaande uit het rendabel maken van vermogensbestanddelen wordt niet voldaan. De inspecteur heeft zich in de procedure niet op het standpunt gesteld dat de ondernemingen van het samenwerkingsverband worden gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Er is ook geen sprake van fraus legis op grond waarvan de lening moet worden behandeld als een lening van B Fiscaal bv aan C nv. Het is namelijk niet in strijd met doel en strekking van de wet om belasting die normaal verschuldigd zou zijn te ontwijken. X kan geen wetsontduiking worden tegengeworpen. De wetgever heeft bewust aanvaard dat samenwerkingsverbanden waarin meer dan twintig belastingplichtigen participeren het TBS-regime kunnen ontgaan door het samenwerkingsverband om te zetten in een bv.

Lees ook het thema De terbeschikkingstellingregelingen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.92

Editie: 19 april

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  37
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen