1. Versoepeling urencriterium over 2020 en 2021

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 10.35 uur

Ondernemers hebben recht op verschillende soorten belastingfaciliteiten in de inkomstenbelasting. Een aantal van die faciliteiten geldt alleen als voldaan wordt aan het zogenoemde urencriterium. Dit geldt onder andere voor de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve.

1225 uren per jaar
Een onderdeel van het urencriterium is dat een ondernemer minimaal 1225 uur per jaar aan zijn onderneming(en) moet besteden. Om te voorkomen dat ondernemers het recht op belastingfaciliteiten verliezen heeft het kabinet besloten het urencriterium aan te passen voor de kalenderjaren 2020 en 2021.

2020
De Belastingdienst gaat er van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 van uit dat ondernemers altijd minimaal 24 uren per week aan hun onderneming(en) hebben besteed, ook als ze die uren door de coronacrisis niet daadwerkelijk hebben besteed.

2021
In 2021 geldt deze versoepeling voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021.

Starteraftrek bij arbeidsongeschiktheid
Voor het verlaagde urencriterium van 800 uren per kalenderjaar in de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt een overeenkomstige versoepeling. De desbetreffende ondernemers worden geacht minimaal 16 uren per week aan hun onderneming(en) te hebben besteed.

Met deze versoepeling van het urencriterium zullen ondernemers die normaliter voldoen aan het urencriterium, ook ondanks de coronacrisis aan het urencriterium kunnen voldoen.

Seizoensgebonden ondernemers
Voor seizoengebonden ondernemers is dit niet het geval als de piek van hun werkzaamheden in de genoemde periode valt. Daarom geldt voor deze ondernemers een aanvullende regeling.

2020
Ondernemers worden geacht in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 20020 hetzelfde aantal uren te hebben besteed als zij in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 hebben gedaan.

2021
Ondernemers worden geacht in de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 hetzelfde aantal uren te hebben besteed als zij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019 hebben gedaan.

De ondernemer kan dan aan de hand van zijn administratie van 2019 beoordelen of hij in 2020 en/of 2021 aan het urencriterium voldoet.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856

2. Vrijstelling TOGS, TVL en opslagen

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.45 uur

Formeel behoren tot de winst van een onderneming tegemoetkomingen en subsidies voor vaste lasten die aan ondernemers worden uitgekeerd wegens de coronacrisis. Deze uitkeringen staan bekend als TOGS (op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19) en TVL (op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 en de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19).

Deze tegemoetkomingen en subsidies zijn echter voor bepaalde tijdvakken via een apart wetsartikel in het Belastingplan 2021 vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting (box 1) en vennootschapsbelasting.

Inmiddels is de TVL ook voor andere tijdvakken opengesteld en kent de TVL ook enkele specifieke opslagen. Om de vrijstelling ook dan te laten gelden, moet de wet worden aangepast.

Vooruitlopend daarop heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst in een beleidsbesluit die vrijstelling alvast geregeld. De staatssecretaris maakt wel een voorbehoud: de Europese Commissie moet hiervoor nog toestemming verlenen.

De tegemoetkoming of subsidie kan in de aangifte (inkomsten- of vennootschapsbelasting) worden opgenomen in de rubriek ‘Overige buitengewone baten’ én in de rubriek ‘Overige vrijgestelde winstbestanddelen’. Op die manier wordt geen inkomstenbelasting (box 1) of vennootschapsbelasting geheven over de tegemoetkoming of subsidie.

Bron: Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856

3. Herinvesteringsreserve

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 10.50 uur

De bij een vervreemding van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinst kan onder voorwaarden worden opgenomen in een herinvesteringsreserve. Bij herinvestering wordt de herinvesteringsreserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft voor twee situaties waarin de herinvesteringsreserve speelt een goedkeuring afgeven.

Bijzondere omstandigheid
Een belangrijke voorwaarde van de herinvesteringsreserve is dat een voornemen bestaat om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Wanneer de herinvestering nog niet heeft plaatsgevonden, wordt de herinvesteringsreserve uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen.

Die verplichte vrijval in de winst geldt niet voor zover de aanschaffing of voortbrenging door bijzondere omstandigheden is vertraagd, mits wel met die aanschaffing of voortbrenging is begonnen.

Goedgekeurd is dat ervan mag worden uitgegaan dat de coronacrisis als bijzondere omstandigheid kwalificeert. De eis dat met de aanschaffing of voortbrenging moet zijn begonnen blijft wel gelden, evenals alle overige voorwaarden.

Ruiming pelsdieren en overheidsingrijpen
Voor de herinvesteringsreserve en voor de doorschuiving van te conserveren inkomen bij staking is van belang of sprake is van vervreemding wegens overheidsingrijpen. Als sprake is van overheidsingrijpen gelden ruimere mogelijkheden om een herinvesteringsreserve te vormen en af te boeken.

De ruiming van pelsdieren wegens COVID-19 wordt door de staatssecretaris als overheidsingrijpen beschouwd. Als de pelsdieren niet geruimd zouden worden vanwege COVID-19, dan zouden de pelsdieren uiterlijk 8 januari 2021 vervreemd worden wegens de vervroegde inwerkingtreding van het verbod om pelsdieren te houden op grond van de Wet verbod pelsdierhouderij. Deze laatste vervreemding is al formeel aangewezen als een gevolg van overheidsingrijpen.

Met de goedkeuring om ook ruiming van pelsdieren wegens COVID-19 als overheidsingrijpen te kwalificeren worden de gevolgen voor de herinvesteringsreserve voor beide aanleidingen gelijkgetrokken.

Bron: Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856

4. Versoepeling aflossingseis eigenwoningschuld (betaalpauze)

Bijgewerkt op 30 maart 2021, 09.30 uur

Betaalpauze
Geldverstrekkers zoals banken bieden woningeigenaren de mogelijkheid een betaalpauze van rente en aflossing op hun hypotheek, als zij tijdens de coronacrisis tijdelijk niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Hierbij wordt uitgegaan van een betaalpauze van in eerste instantie maximaal zes maanden, maar langere termijnen zijn ook mogelijk.

Aflossingseis
Voor het behoud van het recht op fiscale aftrek van rente en kosten voor eigenwoningschulden is onder meer de wijze van inhalen van de uitgestelde aflossingen van belang. Voor hypotheken die op of na 1 januari 2013 zijn afgesloten en onder de fiscale aflossingseis vallen, wordt de fiscale aftrek alleen verleend als de hypotheek in maximaal 360 maanden volgens een ten minste annuïtair schema wordt afgelost.

Indien op enig moment een achterstand in de aflossing wordt opgelopen, is in de fiscale wetgeving vastgelegd op welke wijze en binnen welke termijnen die achterstand moet worden ingelopen. Als niet aan die eisen wordt voldaan, loopt de woningeigenaar het risico dat de fiscale aftrek vervalt.

Twee goedkeuringen
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft daarom in een beleidsbesluit goedgekeurd dat ook op een andere dan in de fiscale wetgeving vastgelegde wijze de aflossingsachterstand die door de betaalpauze is ontstaan wordt ingehaald.

Het gaat om twee goedkeuringen waaruit mag worden gekozen. Ze mogen worden toegepast als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De woningeigenaar heeft tussen 12 maart 2020 en 30 juni 2021 bij zijn geldverstrekker gemeld dat hij (dreigende) betalingsproblemen heeft door de coronacrisis.
  • De woningeigenaar en de geldverstrekker zijn daarom een betaalpauze overeengekomen, die uiterlijk op 1 juli 2021 ingaat, en die schriftelijk door de geldverstrekker wordt bevestigd.
  • De betaalpauze heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden.

Als de woningeigenaar niet bij een officiële kredietverlener heeft geleend (maar bijvoorbeeld bij zijn eigen BV of een familiebank), gelden nog twee extra voorwaarden:

  • De woningeigenaar heeft door de coronacrisis een terugval van minimaal 20% in zijn arbeidsinkomen over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden of verwacht deze redelijkerwijs te hebben. Het tijdvak van drie aaneengesloten kalendermaanden moet beginnen tussen 1 maart 2020 en 1 juli 2021. De terugval in arbeidsinkomen wordt bepaald in vergelijking met 25% van het totale arbeidsinkomen over 2019 of het arbeidsinkomen in de maanden 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.
  • De woningeigenaar moet aannemelijk kunnen maken dat hij aan alle voorgaande vier voorwaarden voldoet. De terugval in arbeidsinkomen moet hij aannemelijk kunnen maken op basis van een reële schatting of al beschikbare gegevens.

Goedkeuring 1: nieuw aflossingsschema
Zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze wordt een nieuw annuïtair schema vastgesteld waarmee het inhalen van de aflossingsachterstand wordt uitgesmeerd over de resterende looptijd van de maximale termijn van 360 maanden van de lening.

De huidige wettelijke regeling vereist dat een in 2021 opgelopen achterstand in de aflossing uiterlijk 31 december 2022 moet zijn ingehaald. Als dat niet lukt kan op basis van de wettelijke regeling een nieuw annuïtair schema pas per 1 januari 2023 worden vastgesteld. Als de achterstand in 2020 is opgelopen, is dat dus per 1 januari 2022. Met de goedkeuring kan sneller een nieuw aflossingsschema worden afgesproken voor de resterende looptijd van de lening.

Goedkeuring 2: splitsen lening
De schuld mag worden gesplitst in een oud deel en een nieuw deel:

  • Voor de resterende schuld blijft het bestaande annuïtaire schema van toepassing zonder rekening te houden met de aflossingsachterstand (oude deel).
  • Voor het deel van de aflossingsachterstand dat is ontstaan door de betaalpauze wordt een afzonderlijk aflossingsschema afgesproken, waarbij de looptijd maximaal gelijk is aan de resterende looptijd van de oorspronkelijke schuld (nieuwe deel). Afhankelijk van de draagkracht van de woningeigenaar kan voor dit deel ook een kortere looptijd gelden.

De huidige wettelijke regeling vereist dat voor de totale resterende hoofdsom een nieuw annuïtair schema wordt vastgesteld. Met gebruikmaking van goedkeuring 2 hoeft het deel van de aflossingsachterstand niet per definitie te worden uitgesmeerd over de resterende looptijd, maar kan ook binnen bijvoorbeeld vijf jaar worden afbetaald. Dit biedt meer mogelijkheden tot maatwerk.

Moment van aftrek uitgestelde rente
Naast de gemiste aflossingen zal ook de uitgestelde rente alsnog aan de geldverstrekker moeten worden betaald. Deze uitgestelde rente is, na voldoening, aftrekbaar volgens de reguliere fiscale regels.

Afhankelijk van de bepalingen in de hypotheekovereenkomst op het punt van het inhalen van de uitgestelde rentebetalingen, kan het zijn dat deze rente aftrekbaar is op het moment van rentedragend schuldig worden (2020 of 2021) of op het moment van feitelijke betaling (veelal in 2020, maar mogelijk deels ook in 2021 of latere jaren). Voor leningen bij de eigen BV en dergelijke geldt een extra bewijslast dat de rente ook feitelijk wordt betaald.

Geldigheid beleidsbesluit
Het oorspronkelijke beleidsbesluit is op 8 mei 2020 gepubliceerd in de Staatscourant. Herziene versies zijn op 18 juni 2020, 25 september 2020, 22 december 2020 en 30 maart 2021 in de Staatscourant verschenen, waarin de goedkeuring is verlengd. Voor betaalpauzes die sinds 12 maart 2020 al zijn overeengekomen en mogelijk deels al ten uitvoering zijn gebracht vóór 8 mei 2020, kan ook gebruik worden gemaakt van genoemde goedkeuringen.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); Besluit staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 16-6-2020, nr. 2020-109040, Stcrt. 2020, 33204; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; Besluit staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 22-9-2020, nr. 2020-20122, Stcrt. 2020, 50146; Besluit staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 16-12-2020, nr. 2020-27806, Stcrt. 2020, 66447; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Besluit staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 25-3-2021, nr. 2021-7241, Stcrt. 2021, 16238; Belastingdienst

5. Gebruikelijk loon over 2020 en 2021

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.55 uur

Verlaging gebruikelijk loon bij omzetdaling
De BV en de houder van het aanmerkelijk belang in die BV (ab-houder) mogen in 2020 en 2021 van een lager gebruikelijk loon uitgaan, als de BV geconfronteerd wordt met een omzetdaling en liquiditeitstekort door de coronacrisis.

2020
Ab-houders mogen in 2020 tijdelijk van een lager gebruikelijk loon uitgaan, evenredig aan de omzetdaling van hun bedrijf. Het gebruikelijk loon over 2020 kan worden bepaald met de volgende formule, waarbij de omzet exclusief omzetbelasting (btw) moet worden genomen: 

gebruikelijk loon 2020 = gebruikelijk loon 2019 x (omzet 1e 4 maanden 2020 / omzet 1e 4 maanden 2019)

Pas aan het einde van het jaar moet de BV het gebruikelijk loon over geheel 2020 voor de ab-houder vaststellen en in de aangifte loonheffingen vermelden. Omdat de impact van de coronacrisis op de BV pas aan het einde van 2020 duidelijker is, mag het gebruikelijk loon over geheel 2020 dus achteraf bepaald worden.

2021
Ook voor het jaar 2021 kan van een lager gebruikelijk loon worden uitgegaan, als de BV te maken heeft met een omzetdaling. De regeling voor 2021 is ten opzichte van 2020 op twee punten aangepast, voor het overige gelden dezelfde voorwaarden:

  • De omzet over geheel 2021 moet worden vergeleken met de omzet over geheel 2019.
  • Het omzetverlies in 2021 ten opzichte van 2019 moet minimaal 30% zijn.

Het gebruikelijk loon over 2021 kan worden bepaald met de volgende formule, waarbij de omzet exclusief omzetbelasting (btw) moet worden genomen:

gebruikelijk loon 2021 = gebruikelijk loon 2019 x (omzet geheel 2021 / omzet geheel 2019)

Voorwaarden
Aan deze verlaging met toepassing van de formule zijn voorwaarden verbonden:

  • De rekening-courantschuld of het dividend mag niet toenemen als gevolg van het lagere gebruikelijk loon.
  • Als de ab-houder feitelijk meer loon heeft genoten dan volgt uit de formule, geldt dat hogere loon. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een BV voor de ab-houder gebruik maakt van de NOW. Een eventuele Tozo-uitkering is geen loon en heeft daarom geen gevolgen voor het gebruikelijk loon.
  • Van de verlaging van het gebruikelijk loon via deze formule kan geen gebruik worden gemaakt voor zover de omzet in het jaar 2019, 2020 of 2021 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing en bijzondere resultaten.

Toepassing van de formule kan er toe leiden dat het loon van de ab-houder lager is dan de wettelijke grenzen van € 47.000 (2021, voor 2020 geldt € 46.000), 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meestverdienende werknemer. Toepassing van de formule kan niet leiden tot een hoger gebruikelijk loon. Het blijft daarnaast mogelijk op grond van de bestaande wettelijke mogelijkheden een lager gebruikelijk loon aannemelijk te maken.

Geen terugwerkende kracht
In een kalenderjaar al uitbetaald loon aan de ab-houder kan niet met terugwerkende kracht worden verlaagd. De BV mag het loon van de ab-houder alleen voor de toekomstige maanden in een kalenderjaar verlagen.

Aangifte loonheffingen
Bij verlaging van het maandloon vermeldt de BV in de aangiften loonheffingen het loon dat de ab-houder heeft genoten, inclusief het eventuele loon in natura (bijvoorbeeld privégebruik van een auto of fiets). Uiterlijk aan het einde van het kalenderjaar (of als dat eerder is het einde van de dienstbetrekking), bepaalt de BV wat het gebruikelijk loon voor dat jaar is. Heeft de ab-houder te weinig loon van de BV genoten, dan moet het verschil nog als loon worden aangeven.

Overleg Belastingdienst
De BV en de ab-houder mogen het lagere gebruikelijk loon met toepassing van de formule zonder toestemming vooraf van de Belastingdienst afspreken.

Maar men kan ook altijd overleggen met de Belastingdienst over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld als toepassing van de formule geen of onvoldoende oplossing biedt. Zo kan in geval van bijkomende omstandigheden een (nog) lager gebruikelijk loon worden vastgesteld.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

6. Geen fiscale gevolgen herintreden gepensioneerde (zorg)medewerkers

Bijgewerkt op 26 november 2020, 17.40 uur

Formeel kan een werknemer eerder dan vijf jaar voor zijn AOW-leeftijd pensioen opnemen. Maar dan moet de werknemer bij de aanvraag van het pensioen verklaren voor het deel dat hij pensioen opneemt niet meer te gaan werken. Deze verklaring kan in de weg staan als deze werknemer gehoor wil geven aan een oproep om bij te springen tijdens de coronacrisis.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft aangegeven dat gepensioneerde zorgmedewerkers, die hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd hebben laten ingaan, nu zonder fiscale gevolgen voor hun pensioen weer aan het werk kunnen gaan. Door de uitbraak van het coronavirus wordt op zorgmedewerkers een beroep gedaan opnieuw in de zorgsector aan het werk te gaan. Het is aannemelijk dat deze gepensioneerde zorgmedewerkers op moment van vervroegde pensionering niet de intentie hadden om later weer aan het werk te gaan. De uitbraak van het coronavirus COVID-19 is een nieuw ontstane situatie en vormt de aanleiding voor het hervatten van de werkzaamheden.

De Belastingdienst heeft een en ander ook afgestemd met het Pensioenfonds Zorg & Welzijn.

Op 26 november 2020 maakte de Belastingdienst bekend dat niet alleen vervroegd gepensioneerde zorgmedewerkers weer aan het werk kunnen gaan. Ook medewerkers uit andere sectoren die hun pensioen vervroegd hebben laten ingaan, kunnen onder voorwaarden weer aan het werk gaan zonder dat dit fiscale gevolgen heeft voor hun pensioen.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-005

7. Pensioenopbouw tijdens tijdelijke arbeidsduurverkorting

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft aangegeven welke mogelijkheden er zijn om de pensioenopbouw van werknemers voort te zetten gedurende een tijdelijke arbeidsduurverkorting die wordt veroorzaakt door de coronacrisis. Het CAP verwijst daarbij naar het begrip pensioengevende diensttijd van de loonbelastingwetgeving.

Gedurende de periode van tijdelijke arbeidsduurverkorting wegens de coronacrisis kunnen zich met name de volgende situaties voordoen:

  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking geheel in stand blijft. In dat geval blijft er gewoon sprake van pensioengevende diensttijd. Dat hierbij sprake kan zijn van een lager pensioengevend loon hoeft geen probleem te zijn, mits sprake is van een gebruikelijke loonsverlaging. Bij een gebruikelijke loonsverlaging kan de pensioenopbouw worden voortgezet over het loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking (gedeeltelijk) tijdelijk wordt beëindigd. Als de werknemer een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt (bijvoorbeeld een WW-uitkering), is sprake van pensioengevende diensttijd. De pensioenopbouw mag worden voortgezet op basis van het pensioengevend loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij geen sprake is van onvrijwillig ontslag of geen inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering wordt ontvangen. In dat geval kan onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de al bestaande mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-004; art. 18g Wet LB 1964; art. 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965; onderdeel 2.3 Verzamelbesluit pensioenen 11-12-2018, nr. 2018-28514

8. Administratieve verplichtingen loonheffingen

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.05 uur

Werkgevers en werknemers hebben rondom de loonheffingen bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen. Door de coronacrisis kan het voorkomen dat zij deze verplichtingen in redelijkheid niet, niet tijdig of niet geheel kunnen nakomen. Formeel betekent dit dat de werkgever c.q. de Belastingdienst dan een wettelijke sanctie moet toepassen, zoals het anoniementarief.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dit ongewenst en heeft daarom het volgende goedgekeurd. De goedkeuring geldt vanaf 12 maart 2020 en vervalt op 1 juli 2021.

Versoepeling
De Belastingdienst mag een soepel standpunt innemen als een werkgever of werknemer door de coronacrisis een wettelijke administratieve verplichting in redelijkheid niet, niet tijdig of niet volledig nakomt en dit voor zover mogelijk herstelt zodra dat kan.

Voorbeeld identificatieplicht nieuwe werknemer
Een werkgever moet voor de eerste werkdag van een werknemer of – als de werknemer op de eerste werkdag wordt aangenomen – op de eerste werkdag voor aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de werknemer vaststellen aan de hand van het origineel van een toegelaten identiteitsbewijs en een kopie van het identiteitsbewijs in de loonadministratie opnemen. Het is door de coronacrisis niet altijd in redelijkheid mogelijk om de identiteit van de werknemer tijdig volgens de wettelijke regeling vast te stellen aan de hand van een origineel identiteitsbewijs. In een dergelijk geval kan de toepassing van het anoniementarief achterwege blijven als de werkgever de identiteit van de werknemer volgens de wettelijke regeling vaststelt zodra hij daar in redelijkheid toe in staat is.

Voorbeeld schriftelijk BSN aanvragen
Het anoniementarief hoeft niet te worden toegepast als een buitenlandse werknemer door de coronacrisis in redelijkheid niet persoonlijk zijn burgerservicenummer (BSN) kan afhalen bij een gemeentelijk loket. Wel moet de werknemer dan schriftelijk een BSN aanvragen bij de Belastingdienst. In de brief moet de werknemer de volgende gegevens vermelden:

  • De reden waarom de werknemer het BSN nodig heeft (bijvoorbeeld “voldoen aan de verplichte opgave bij indiensttreden bij een werkgever”).
  • Zijn adresgegevens in het buitenland.
  • Het telefoonnummer of e-mailadres waarop hij bij vagen kan worden bereikt.
  • Een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
  • Een woonplaatsverklaring van zijn woonland (via de gemeente waar hij woont) in het Nederlands, Duits of Engels. Als het krijgen van een woonplaatsverklaring een probleem is, wordt ook geaccepteerd een kopie van een recente afrekening gas, water en licht of een ander brondocument waaruit de woonplaats blijkt.

De brief moet gestuurd worden naar:

Belastingdienst
Postbus 2892
6401 DJ Heerlen
The Netherlands

Tijdens de coronacrisis mag ook gebruik worden gemaakt van het formulier “Verzoek burgerservicenummer voor toeslagpartner (buitenland)” dat op de website van de Belastingdienst staat.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

9. Ongewijzigd doorlopen vaste (reiskosten)vergoeding/reisaftrek

Bijgewerkt op 31 maart 2021, 09.50 uur

Vaste reiskostenvergoeding
Voor reiskosten met een vast en gelijkmatig karakter bestaat de mogelijkheid een vaste onbelaste vergoeding met de werknemer af te spreken, bijvoorbeeld voor het woon-werktraject. Voor veel werknemers leiden de maatregelen rondom de coronacrisis tot een verandering van hun reispatroon. Daardoor moet een werkgever een afgesproken reiskostenvergoeding formeel aanpassen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dit ondoelmatig en ongewenst en heeft daarom het volgende in een beleidsbesluit en een brief goedgekeurd. De goedkeuring geldt vanaf 12 maart 2020 en vervalt op 1 juli 2021.

Doorlopen vaste reiskostenvergoeding
Een werkgever hoeft gedurende het jaar 2020 en het eerste halfjaar van 2021 voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen te verbinden aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer. Wel geldt als voorwaarde dat het een vaste vergoeding betreft die al voor 13 maart 2020 door de werkgever werd toegekend.

Als een werkgever een vaste reiskostenvergoeding met ingang van 1 januari, 1 februari of 1 april 2021 heeft gewijzigd kan hij deze wijziging desgewenst uitstellen tot 1 juli 2021. In dat geval kan hij deze goedkeuring ook voor de eerste zes maanden van het jaar 2021 toepassen alsof hij de vaste reiskostenvergoeding ongewijzigd heeft voortgezet.

De werkgever kan deze goedkeuring ook toepassen voor een vaste reiskostenvergoeding met nacalculatie. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is.

Reisaftrek 2020
In de inkomstenbelasting bestaat de mogelijkheid van reisaftrek voor woon-werkverkeer dat met het openbaar vervoer wordt afgelegd en waarvoor geen vergoeding van de werkgever wordt ontvangen. Sommige werknemers reizen veel minder naar hun werk, omdat ze thuis werken. Daardoor hebben ze minder recht op de forfaitair bepaalde reisaftrek, terwijl de kosten van een OV-abonnement mogelijk gewoon doorlopen. Ook voor deze ongewenste situatie heeft de staatssecretaris een goedkeuring afgegeven.

Voor het belastingjaar 2020 mag een werknemer de reisaftrek in de inkomstenbelasting toepassen alsof hij zijn reispatroon van vóór de coronacrisis heeft voortgezet.

De goedkeuring geldt uitsluitend voor de periode waarin en voor zover de reiskosten van de werknemer zijn doorgelopen, terwijl hij een gewijzigd reispatroon had waardoor er geen of minder woon-werkverkeer was. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de goedkeuring niet geldt vanaf het moment dat de werknemer geen reiskosten meer heeft. De reisaftrek wordt in dat geval naar evenredigheid berekend.

Andere vaste vergoedingen 2020
Een werkgever mag gedurende het jaar 2020 ook andere vaste vergoedingen ongewijzigd voortzetten en daarvoor blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is. Voorwaarde is wel dat de werknemer uiterlijk op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht kreeg op de vaste vergoeding. Als een recht op een vaste onkostenvergoeding afhankelijk was van een keuze van de werknemer (bijvoorbeeld bij een cafetariasysteem), dan moet de werknemer zijn keuze uiterlijk op 12 maart 2020 hebben gemaakt.

De goedkeuring geldt niet voor een vergoeding voor extraterritoriale kosten (30%-regeling).

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; brief kabinet specifieke aanpassingen in economisch steun- en herstelpakket 18-12-2020, nr. CE-AEP/20321866; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; wijziging Besluit noodmaatregelen coronacrisis 26-3-2021, Stcrt. 2021, 16688; Belastingdienst

10. Vrije ruimte werkkostenregeling 2020 en 2021 vergroot

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.10 uur

Vrije ruimte
Via de vrije ruimte van de werkkostenregeling (wkr) kunnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers geven zonder dat deze belast worden. Deze vrije ruimte die werkgevers hebben om onbelaste vergoedingen en verstrekkingen te geven is zowel voor 2020 als voor 2021 verhoogd naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever. Over het bedrag van de loonsom boven € 400.000 blijft de vrije ruimte in 2020 1,2% en in 2021 1,18%.

Werkgevers die daar financiële ruimte voor hebben kunnen hun werknemers in deze moeilijke tijd extra tegemoet te komen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bloemetje of een cadeaubon. Dit kan ook een boost geven aan sectoren die sterk getroffen zijn door de crisis.

De werkgever zou bijvoorbeeld ook de extra energiekosten die de werknemer maakt door het thuiswerken vanuit de vrije ruimte onbelast aan hem kunnen vergoeden.

Formeel is deze verruiming van de vrije ruimte voor het kalenderjaar 2020 geregeld in een apart artikel in het Belastingplan 2021. De voor 2021 geldende verhoging is vooralsnog geregeld in een beleidsbesluit, in afwachting van een formele wetswijziging.

Onbelast vergoeden/verstrekken mondkapjes
De werkgever mag de kosten van mondkapjes onbelast vergoeden of verstrekken aan zijn werknemers. Deze kosten horen tot de werkelijke kosten van het openbaar vervoer, omdat werknemers vanaf 1 juni 2020 niet zonder mondkapje met het openbaar vervoer mogen reizen. Omdat de werkelijke kosten van openbaar vervoer gericht zijn vrijgesteld, vallen de mondkapjes daar ook onder.

De vergoeding of verstrekking van mondkapjes gaat dus niet ten koste van de vrije ruimte.

Onbelast vergoeden/verstrekken arbovoorzieningen
De Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever erop toe te zien dat de werknemer thuis goed en veilig kan werken. De werkkostenregeling kent een gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen, die niet ten koste gaat van de vrije ruimte.

Via deze vrijstelling kan de werkgever voorzieningen die samenhangen met zijn arboverplichtingen onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen aan de werknemer. Bij verplicht thuiswerken kan een werkgever bijvoorbeeld een beeldscherm, een toetsenbord en een werkstoel aan de werknemer vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen, mits die voldoen aan de eisen die de Arbeidsomstandighedenwet stelt aan beeldschermarbeid.

Onderzoek naar thuiswerkkosten
Het kabinet verwacht dat thuiswerken in de toekomst veel meer dan voorheen gemeengoed zal worden. Daarom onderzoekt het kabinet in samenspraak met maatschappelijke organisaties en sociale partners de mogelijkheden van een aanvullende regeling waarbinnen het voor de werkgever mogelijk wordt om onbelast ook andere thuiswerkkosten dan arbovoorzieningen te vergoeden.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; artikel XXII Belastingplan 2021; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

11. Premiedifferentie WW/Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

Bijgewerkt op 29 oktober 2020, 18.00 uur

Geen 30%-toets
Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers, als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten.

In die regeling is ook opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling kan tot onbedoelde effecten leiden in sectoren waar door het coronavirus veel extra overwerk nodig is (bijvoorbeeld de zorg).

2020
Het kabinet heeft besloten dat alle werkgevers de 30%-toets in 2020 niet hoeven toe te passen. Geen enkele werkgever hoeft dus over het jaar 2020 de WW-premie op grond van die situatie te herzien.

2021
Ook in 2021 zal in bepaalde sectoren nog veel overwerk nodig zijn als gevolg van corona. De 30% herzieningssituatie zal daarom tevens in 2021 worden opgeschort. De formele uitwerking moet nog worden gepubliceerd in het Staatsblad.

Bron: Stb. 2020, 333; brief kabinet de economische impact van het coronavirus en contactbeperkende maatregelen 27-10-2020, nr. CE-AEP/20270015

12. Fiscale behandeling zorgbonus

Bijgewerkt op 29 december 2020, 14.00 uur

De zorgbonus is bedoeld voor de zorgprofessional waarvan de zorgaanbieder van oordeel is dat deze gedurende de COVID-19 uitbraak in de periode 1 maart 2020 tot 1 september 2020 een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd. Het kabinet heeft een subsidieregeling vastgesteld die de uitbetaling en fiscale behandeling van de zorgbonus regelt.

Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19
Via de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 kunnen zorgaanbieders subsidie aanvragen voor het uitkeren van een bonus van € 1000. De zorgaanbieder kan subsidie aanvragen voor zowel eigen werknemers, als derden die werkzaamheden hebben verricht (bijvoorbeeld zzp’ers en uitzendkrachten).

Per uitgekeerde bonus wordt ook subsidie verstrekt aan de zorgaanbieder om de over de bonus verschuldigde belasting te kunnen voldoen.

De bonus mag niet worden toegekend aan zorgprofessionals die meer dan tweemaal modaal verdienen (€ 73.000).

Netto € 1000
De zorgprofessionals ontvangen een netto bonus van € 1000. De bonus heeft geen invloed op inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen. Om te zorgen dat zorgaanbieders de bonus netto kunnen uitkeren aan de zorgprofessionals bestaat het aan te vragen subsidiebedrag uit twee onderdelen:

  • Het bonusbedrag.
  • Een bedrag om de verschuldigde belasting over de bonus af te kunnen dragen.

Voor het netto uitkeren van de bonus moet onderscheid gemaakt worden tussen de over de bonus verschuldigde belasting voor werknemers en de over de bonus verschuldigde belasting voor derden.

Werknemers
De zorgaanbieder kan als werkgever van de werknemers een bonus netto uitkeren door gebruik te maken van de werkkostenregeling (wkr) van de Wet op de loonbelasting 1964. Via de wkr kan de werkgever de bonus netto uitkeren en de eventueel verschuldigde belasting daarover voor zijn rekening te nemen.

Door de bonus – voorafgaande aan de uitkering daarvan – aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel komt de bonus ten laste van de vrije ruimte van de wkr. Voor de werkgever heeft het aanwijzen van de bonus als eindheffingsbestanddeel gevolgen zodra de vrije ruimte wordt overschreden. Op dat moment moet de werkgever een eindheffing van 80% afdragen over de overschrijding van de vrije ruimte.

Het kabinet wil niet dat de door de werkgever uit te keren zorgbonus invloed heeft op de overige vergoedingen en verstrekkingen die de zorgaanbieder via de wkr aan de eigen werknemers wil verstrekken (bijvoorbeeld een kerstpakket). Daarom wordt ook het bedrag aan daadwerkelijk verschuldigde eindheffing veroorzaakt door de uit te keren bonussen gesubsidieerd. Dat betekent dat de zorgaanbieder maximaal € 1800 per zorgprofessional als subsidie ontvangt.

Zzp, uitzendkracht, pgb-zorgverlener
De zorgaanbieder kan ook aan derden, zoals zzp’ers, uitzendkrachten uitzendkrachten en zorgprofessionals werkzaam als zorgverlener op grond van een persoonsgebonden budget (pgb), de zorgbonus uitkeren. Ook dan moet de zorgaanbieder de bonus als eindheffingsbestanddeel in aanmerking nemen.

Voor een zorgbonus verstrekt aan derden geldt een vast eindheffingstarief van 75%. Deze verschuldigde eindheffing wordt eveneens via de subsidieregeling aan de zorgaanbieder vergoed. In dit geval bedraagt de subsidie dan € 1750 per zorgprofessional.

Zorgaanbieders dienen voor derden een afzonderlijke administratie bij te houden waaruit blijkt aan wie de bonus is uitgekeerd. Daarnaast moeten de zorgaanbieders schriftelijk aan de ontvangers van de bonus meedelen dat over de bonus eindheffing is betaald. Deze schriftelijke mededeling is vormvrij.

Gevolgen voor inkomstenbelasting en toeslagen
Door de zorgbonus verplicht als eindheffingsbestanddeel aan te merken, heeft deze voor de zorgprofessionals geen gevolgen voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in box 1.

Ook het inkomen dat relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen verandert niet. Zorgprofessionals lopen daardoor niet het risico dat zij hun toeslagen kwijtraken als gevolg van een stijging van het inkomen door het ontvangen van de bonus.

De ontvangst van de bonus kan wel tot gevolg hebben dat het vermogen van de zorgprofessional stijgt. De bonus is immers na uitkering – voor zover niet besteed – onderdeel van het vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting. Een verhoging van het vermogen kan er toe leiden dat de vermogensgrens (verder) wordt overschreden, waardoor (meer) inkomstenbelasting verschuldigd is. Daarnaast kan een overschrijding van de vermogensgrens invloed hebben op de toeslagen. De subsidieregeling voorziet niet in een reparatie van deze gevolgen.

Bron: Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, Stcrt. 2020, 48058; artikel XXIII Belastingplan 2021; brief minister van VWS stand van zakenbrief COVID-19 27-10-2020, nr. 1768828-213020-PDC19; wijziging Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, Stcrt. 2020, 62407; Belastingdienst; Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I)

13. Toepassing belastingverdrag met Duitsland en België

Bijgewerkt op 30 maart 2021, 09.35 uur

Nederland heeft zowel met Duitsland als met België een belastingverdrag afgesloten. Wegens de coronacrisis heeft Nederland met Duitsland en België overlegd over de interpretatie en toepassing van beide belastingverdragen. 

Thuiswerken
Als grensarbeiders in loondienst door de coronamaatregelen thuis moeten werken, zal de belastingplicht niet verschuiven van de werkstaat naar de woonstaat, mits de grensarbeider zijn salaris krijgt doorbetaald. Grensarbeiders moeten een administratie bijhouden van hun thuiswerkdagen en bijvoorbeeld met een schriftelijke bevestiging van hun werkgever kunnen onderbouwen dat de thuiswerkdagen uitsluitend het gevolg waren van de coronamaatregelen.

Deze afspraken gelden vanaf 11 maart 2020. Zowel met Duitsland als met België is de overeengekomen einddatum 30 juni 2021.

Grensarbeiders mogen ook kiezen deze toepassing van het verdrag niet toe te passen, waardoor het heffingsrecht naar de woonstaat verschuift.

Voor grensarbeiders die altijd al een of enkele dagen thuis werken geldt de goedkeuring niet.

Thuiszitten
De verhouding “dagen gewerkt in de werkstaat/totaal aantal dagen gewerkt” wijzigt niet als de grensarbeider in loondienst zonder te werken thuis zit door de coronamaatregelen. Ook nu geldt dat de grensarbeider zijn salaris doorbetaald moet krijgen.

Deze afspraak over de dagenverhouding bij thuiszitters kent geen vervaldatum, want is een interpretatie van de toepassing van het belastingverdrag. Dit is zo met Duitsland en België afgesproken.

Duitse uitkering
Nederland heeft besloten bepaalde Duitse inkomensondersteuningen rond de coronacrisis vrij te stellen. Ook inwoners van Nederland die normaal in Duitsland werken ontvangen deze Duitse socialezekerheidsuitkeringen. Deze uitkeringen zijn op het nettoloon afgestemd en zijn derhalve in Duitsland vrijgesteld van belasting. Als deze uitkeringen (tezamen met bepaalde andere) Duitse (socialezekerheids)uitkeringen in een kalenderjaar € 15.000 of minder bedragen, wijst het belastingverdrag met Duitsland het heffingsrecht over deze Duitse netto-uitkeringen toe aan Nederland. Met als ongewenst gevolg dat Nederland dan zou heffen over een door Duitsland betaalde netto-uitkering van een grensarbeider die normaal in Duitsland had gewerkt en daar zou zijn belast voor zijn salaris.

Daarom is zogenoemd ‘Kurzarbeitergeld’, ‘Insolvenzgeld’ of ‘Arbeitslosengeld’, voor zover dat op of na 11 maart 2020 voor het eerst wordt ontvangen door corona(maatregelen) vrijgesteld van belasting (met progressievoorbehoud).

De vrijstelling geldt voor de periode van 11 maart 2020 tot 1 juli 2021.

Belgische werkloosheidsuitkering
Als men in Nederland woont en uit België wegens de coronacrisis een tijdelijke werkloosheidsuitkering ontvangt met behoud van de dienstbetrekking, dan is deze uitkering belast in het land waar het salaris voorheen ook belast was. 

Ook dit is een interpretatie van de verdragstoepassing en kent dus geen vervaldatum.

Bron: mededeling staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 10-4-2020, Stcrt. 2020, 21381 (V-N 2020/18.10); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); mededeling staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 8-5-2020, Stcrt. 2020, 25956; Overeenkomst tussen Nederland en België 30-4-2020, Stcrt. 2020, 28917; Overeenkomst tussen Nederland en België 19-6-2020, Stcrt. 2020, 34541; Overeenkomst tussen Nederland en België 24-8-2020, Stcrt. 2020, 45202; mededeling staatssecretaris van Financiën 27-10-2020, Stcrt. 2020, 56447; brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; overeenkomst tussen Nederland en België 7-12-2020, Stcrt. 2020, 66221; mededeling staatssecretaris van Financiën 31-12-2020, Stcrt. 2020, 66222; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; overeenkomst tussen Nederland en België 5-3-2021, Stcrt. 2021, 12553; mededeling staatssecretaris van Financiën 30-3-2021, Stcrt. 2021, 16360; Belastingdienst

14. Zorgvrijstelling zorglichamen en sociale werkbedrijven

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.15 uur

Zorglichamen en sociale werkbedrijven zijn onder voorwaarden subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting (vpb). Dit wordt de zorgvrijstelling genoemd. Omtrent de toepassing van de zorgvrijstelling heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst in een beleidsbesluit twee goedkeuringen afgegeven.

Continuïteitsbijdrage zorglichamen
Zorglichamen ontvangen continuïteitsbijdragen ter compensatie van omzetdaling en extra gemaakte kosten door de coronacrisis. Met deze continuïteitsbijdragen wordt beoogd de financiële continuïteit van de zorgaanbieders te garanderen en ervoor te zorgen dat de zorginfrastructuur ook na de coronacrisis beschikbaar blijft.

In de praktijk is de vraag opgekomen of de continuïteitsbijdragen die zorglichamen ontvangen van invloed zijn op de toepassing van de zorgvrijstelling over het boekjaar 2020.

De staatssecretaris keurt goed dat de continuïteitsbijdrage geen gevolgen heeft voor de zorgvrijstelling in boekjaar 2020, mits de zorgvrijstelling in het boekjaar 2019 ook gold. Als voorwaarde geldt hierbij dat er zich buiten de ontvangst van de continuïteitsbijdrage in het boekjaar 2020 geen wijziging in de feiten en omstandigheden heeft voorgedaan respectievelijk voordoet, die tot gevolg heeft dat de zorgvrijstelling niet meer van toepassing is.

Verlenging overgangsregelingen zorglichamen en sociale werkbedrijven
Zorglichamen en sociale werkbedrijven moeten om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen voldoen aan een werkzaamheden- en winstbestemmingseis. In een specifiek geval gelden overgangsregelingen voor bepaalde groepen zorglichamen en sociale werkbedrijven. De termijn van deze overgangsregelingen eindigt op 31 december 2020.

De coronacrisis kan meebrengen dat zorglichamen en/of sociale werkbedrijven niet op tijd aan de voorwaarden van de overgangsregelingen kunnen voldoen. Daarom keurt de staatssecretaris goed dat de termijn van de overgangsregelingen wordt verlengd tot en met 31 december 2021.

Bron: Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856

15. Fiscale coronareserve in de vennootschapsbelasting

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 12.00 uur

Om bedrijven sneller een liquiditeitsvoordeel te verlenen, kan een ondernemer die belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (vpb) gebruik maken van een zogenoemde fiscale coronareserve.

Coronagerelateerd verlies
De Vpb-belastingplichtige mag het verwachte coronagerelateerde verlies dat zich in het boekjaar 2020 voordoet van de winst in het boekjaar 2019 aftrekken. Fiscaal-technisch gaat dit door ten laste van de winst over 2019 een fiscale coronareserve te vormen.

Voorwaarden
Aan het gebruik van de fiscale coronareserve zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • In het boekjaar 2020 is sprake van een verwacht coronagerelateerd verlies. Coronagerelateerd verlies is verlies dat verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.
  • Het verwachte coronagerelateerde verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht over het boekjaar 2020. Vorming van een coronareserve is dus niet mogelijk als de inschatting is dat over het boekjaar 2020 een positieve belastbare winst wordt genoten.
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve in het boekjaar 2019 bedraagt maximaal de winst over het boekjaar 2019 die zou gelden zonder de vorming van deze reserve.
  • De fiscale coronareserve wordt uiterlijk in het boekjaar 2020 volledig in de winst opgenomen.
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve wordt in de vpb-aangifte 2019 opgenomen in de rubriek overige fiscale reserves. De vrijval in het boekjaar 2020 wordt als onttrekking in deze rubriek opgenomen in de vpb-aangifte 2020.

Samenloop met andere vpb-bepalingen
Het kabinet wijst er nadrukkelijk op dat het vormen van een fiscale coronareserve gevolgen kan hebben voor de toepassing van andere regelingen in de vpb. Voor de eventuele samenloop met die andere regelingen worden geen flankerende maatregelen getroffen. Het is dus aan de ondernemer om bij het vormen van de fiscale coronareserve rekening te houden met deze mogelijke gevolgen.

Herziening (voorlopige) aanslag 2019
Via een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag vpb 2019 of het indienen van de vpb-aangifte 2019 kan (een deel van) de eerder verschuldigde vpb over het boekjaar 2019 worden verminderd. Is de vpb-aangifte 2019 al ingediend dan moet een aanvulling op die aangifte worden ingediend. Dat kan door opnieuw aangifte te doen.

Gebroken boekjaar
Belastingplichtigen die een gebroken boekjaar hanteren, kunnen in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 een fiscale coronareserve vormen. De reserve wordt in dat geval uiterlijk in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen.

Brochure met vragen en antwoorden
De Belastingdienst heeft een brochure gepubliceerd met vragen en antwoorden (V&A) over de toepassing van de fiscale coronareserve. De brochure heeft de status van algemene voorlichting. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend. De lijst met vragen is niet limitatief en wordt op gezette tijden aangepast. De brochure staat op de website van de Belastingdienst.

Verliesverrekening (carry back)
Volgens de bestaande wetgeving mogen bedrijven die vpb-belastingplichtig zijn een verlies verrekenen met de winst van het voorafgaande jaar (carry back). Met de carry back kan een verlies over het jaar 2020 verrekend worden met winst die in het jaar 2019 behaald is. Daardoor kunnen bedrijven een deel van de vpb die zij over het jaar 2019 al betaald hebben of nog moeten betalen, op een later moment terugkrijgen.

Verliesverrekening kan dus zorgen voor een verbetering van de liquiditeitspositie van bedrijven. Echter, een dergelijke verrekening kan pas plaatsvinden bij het doen van de aangifte vpb 2020. Dat kan niet eerder dan begin 2021. Bovendien is vereist dat een definitieve aanslag vpb is opgelegd over 2019, die meestal nog niet zal zijn opgelegd.

Omdat verliesverrekening op korte termijn geen verlichting biedt, is de fiscale coronareserve in het leven geroepen.

Belastingplan 2021
De fiscale coronareserve is aanvankelijk opgenomen in een beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst. Maar formeel moest de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden aangepast, hetgeen via het Belastingplan 2021 is gebeurd.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 21-12-2020, nr. 2020-247116, Stcrt. 2020, 68989 (ingetrokken); Belastingplan 2021; Belastingdienst

16. Btw-vrijstelling op ter beschikking stellen zorgpersoneel

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.15 uur

Door de coronacrisis is in de zorgsector een situatie ontstaan waarbij meer dan normaal sprake is van in- en uitlenen van zorgpersoneel. Personeel wordt ingezet waar dat noodzakelijk is om de verzorging en verpleging van zieken te waarborgen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst wil voorkomen dat deze extra inzet voor de zorgsector door de heffing van omzetbelasting (btw) voor extra administratieve of financiële lasten leidt. Daarom geldt de volgende goedkeuring die met terugwerkende kracht kan worden toegepast vanaf 16 maart 2020 tot 1 juli 2021. 

Vrijstelling
Buiten de heffing van btw blijft het ter beschikking stellen van zorgpersoneel dat wordt ingezet voor het verzorgen of verplegen van personen in de hierna genoemde inrichtingen en instellingen.

De maatregel geldt zowel voor de terbeschikkingstelling door de hierna bedoelde inrichtingen en instellingen onderling als voor de terbeschikkingstelling door btw-ondernemers.

Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:

  • De goedkeuring geldt voor het ter beschikking stellen van zorgpersoneel aan btw-vrijgestelde ziekenhuizen, verpleeghuizen en dergelijke inrichtingen of aan btw-vrijgestelde instellingen voor wijkverpleging, kraam- en gezinsverzorging, dagverblijven voor gehandicapten en dergelijke instellingen.
  • De ondernemer moet op de factuur vermelden dat gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring en de gegevens die betrekking hebben op de toepassing van de goedkeuring in de administratie vastleggen.
  • Als voor de terbeschikkingstelling een vergoeding in rekening wordt gebracht moet de vergoeding voor de terbeschikkingstelling beperkt blijven tot de brutoloonkosten van het betrokken personeelslid, eventueel vermeerderd met een administratieve kostenvergoeding van maximaal 5%. In geen geval mag er winst worden beoogd of gemaakt met de terbeschikkingstelling van het zorgpersoneel.

Vooraftrek
De terbeschikkingstelling van zorgpersoneel die op basis van deze goedkeuring buiten de btw-heffing blijft, blijft buiten beschouwing voor het vaststellen van het recht op aftrek van btw van de uitlener.

Bij toepassing van de goedkeuring door btw-ondernemers, blijft de eventuele aftrek van btw voor deze ondernemers in stand. Van btw vrijgestelde ondernemers krijgen hierdoor geen (aanvullend) recht op aftrek van btw. Ook vermindert toepassing van de goedkeuring hun eventuele recht op aftrek van btw niet.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

17. Geen btw op gratis verstrekken medische hulpgoederen en -apparatuur

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.15 uur

Door de coronacrisis moeten in de zorgsector specifieke medische hulpgoederen landelijk en regionaal voldoende aanwezig zijn en worden deze gratis ter beschikking gesteld aan de zorgsector.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst wil voorkomen dat deze gratis terbeschikkingstelling voor de zorgsector door de heffing van omzetbelasting (btw) voor extra administratieve of financiële lasten leidt. Daarom geldt de volgende goedkeuring die met terugwerkende kracht kan worden toegepast vanaf 16 maart 2020 tot 1 januari 2021.

Vrijstelling
De gratis (om niet) verstrekking van medische hulpgoederen en medische apparatuur voor de gezondheidskundige verzorging van de mens, heeft geen gevolgen heeft voor de heffing of de aftrek van btw bij de ondernemer die deze goederen verstrekt. Het moet gaan om de verstrekking aan btw-vrijgestelde ziekenhuizen, verpleeghuizen en dergelijke inrichtingen, aan btw-vrijgestelde instellingen voor wijkverpleging, kraam- en gezinsverzorging, dagverblijven voor gehandicapten en dergelijke instellingen of aan huisartsen.

Ook specifieke bepalingen van het Besluit uitsluiting van aftrek omzetbelasting 1968 en de btw-heffing bij privégebruik van ondernemingsgoederen blijven achterwege.

Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vier voorwaarden:

  • De goedkeuring betreft alleen goederen die worden genoemd in de ‘Bijlage Gepubliceerde lijst van de Wereld Douaneorganisatie; indelingen van medische voorzieningen in verband met uitbraak Covid-19’. De lijst staat op de website van de Rijksoverheid.
  • Voor de aftrek van btw maken de kosten van de goederen onderdeel uit van de algemene kosten van de ondernemer.
  • Het recht op aftrek van btw voor deze algemene kosten wordt bepaald op basis van de totale omzet van de ondernemer, waarbij de gratis verstrekking van de goederen buiten beschouwing blijft.
  • De ondernemer moet op de factuur vermelden dat gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring en de gegevens die betrekking hebben op de toepassing van de goedkeuring in de administratie vastleggen.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst 

18. Verlaagd btw-tarief bij online sportlessen

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.20 uur

Door de coronacrisis zijn sportscholen tijdens de eerste en tweede lockdown tijdelijk verplicht gesloten. Sportscholen werken vaak met abonnementen, waarbij hun afnemers voor langere tijd of meerdere keren de gelegenheid wordt geboden tot sportbeoefening.

Om hun afnemers toch nog van dienst te kunnen zijn, bieden sportscholen hun diensten in aangepaste vorm online aan. De toepassing van het verlaagde btw-tarief van 9% is echter gekoppeld aan het ter beschikking stellen van sportaccommodaties. Hiervan is in dit geval geen sprake.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst keurt gelet op de bijzondere situatie en het tijdelijke karakter van de sluiting het volgende goed. De goedkeuring kan met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 16 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 (de eerste lockdown) en geldt opnieuw (voor de tweede lockdown) vanaf 15 december 2020 totdat de verplichte sluiting weer wordt opgeheven.

Verlaagd tarief
Het verlaagde btw-tarief van 9% mag worden toegepast op de sportlessen die sportscholen en dergelijke ondernemers gedurende de verplichte sluiting online aan hun afnemers aanbieden. Ook andere aanbieders van online sporten kunnen tijdelijk het verlaagde btw-tarief toepassen. Het beschikken over een sportaccommodatie is dus geen voorwaarde.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211 (ingetrokken); brief kabinet specifieke aanpassingen in economisch steun- en herstelpakket 18-12-2020, nr. CE-AEP/20321866; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

19. Btw-nultarief op mondkapjes

Bijgewerkt op 8 maart 2021, 11.20 uur

Vanaf 1 juni 2020 is het dragen van (niet-medische) mondkapjes in het openbaar vervoer (OV) verplicht. Die verplichting is met ingang van 1 december 2020 uitgebreid voor onder meer publieke binnenruimten en het onderwijs.

Nul-tarief
Gelet daarop heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst goedgekeurd dat in de periode vanaf 25 mei 2020 tot 1 juli 2021 op de binnenlandse verkoop van mondkapjes het nultarief in de omzetbelasting (btw) mag worden toegepast. Het nultarief geldt zowel voor mondkapjes die consumenten mogen gebruiken als voor medische mondkapjes en geldt ongeacht aan wie deze worden verkocht.

De verkoop van mondkapjes tegen betaling is normaliter belast tegen 21% btw. De bedoeling van de kabinetsmaatregel is om voor consumenten mondkapjes goedkoper te maken.

Door het nultarief toe te passen in plaats van een btw-vrijstelling, behoudt de verkoper het recht op aftrek van voorbelasting. Dit betekent dat de verkoper de btw die hij bij aanschaf van de mondkapjes betaalt, kan verrekenen in zijn btw-aangifte.

Onbelast vergoeden/verstrekken
De werkgever mag de kosten van mondkapjes onbelast vergoeden of verstrekken aan zijn werknemers. Deze kosten horen tot de werkelijke kosten van het openbaar vervoer, omdat werknemers vanaf 1 juni 2020 niet zonder mondkapje met het openbaar vervoer mogen reizen. Omdat de werkelijke kosten van openbaar vervoer gericht zijn vrijgesteld, vallen de mondkapjes daar ook onder.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst btw nultarief op mondkapjes gelet op het OV 13-5-2020, nr. 2020-0000088920; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; Belastingdienst

20. Btw-nultarief op Covid-19-vaccins en -testkits

Bijgewerkt op 16 april 2021, 14.05 uur

De levering van vaccins is normaliter belast tegen het verlaagde btw-tarief van 9%. Voor de levering van testkits geldt het algemene btw-tarief van 21%. Het algemene btw-tarief geldt ook voor het tegen vergoeding vaccineren of testen, tenzij deze dienst onderdeel is van een vrijgestelde medische dienstverlening.

Nul-tarief
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft echter goedgekeurd dat vanaf 21 december 2020 tot 1 juli 2021 het nultarief in de omzetbelasting (btw) mag worden toegepast op de volgende leveringen en diensten:

  • Levering van Coivid-19-vaccins en de dienst bestaande uit het vaccineren met deze vaccins. Hieronder vallen alleen de vaccins die door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) zijn goedgekeurd als Covid-19-vaccins.
  • Levering van Covid-19-in-vitrodiagnostiek en de dienst bestaande uit het afnemen en/of uitvoeren van de test met deze testkits. Het begrip Covid-19-in-vitrodiagnostiek moet worden uitgelegd als testkits die geschikt zijn voor en gebruikt worden bij de detectie van het SARS-CoV-2-virus. Daarbij moet het gaan om testkits die op het moment van levering voldoen aan de richtlijnen van het RIVM. De staatssecretaris heeft deze goedkeuring per 17 april 2021 uitgebreid voor testkits die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd en voorzien zijn van een CE-markering en voor antigeen-zelftestkits die in Nederland verkocht mogen worden.

Het nultarief geldt niet als een vrijstelling van toepassing is. Als de ondernemer het nultarief toepast, heeft hij recht op aftrek van de hieraan toerekenbare voorbelasting.

Bron: brief kabinet aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus 9-12-2020, nr. CE-AEP/20307631; brief kabinet uitbreiding economisch steun- en herstelpakket 21-1-2021, nr. CE-AEP/21019675; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 3-3-2021, nr. 2021-38397, Stcrt. 2021, 11856; wijziging Besluit noodmaatregelen coronacrisis 13-4-2021, Stcrt. 2021, 19870; Belastingdienst

21. Tijdelijke maatregelen BPM/MRB

Bijgewerkt op 30 december 2020, 11.05 uur

De coronacrisis heeft enkele ongewenste gevolgen voor de toepassing van enkele bepalingen uit de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en de motorrijtuigenbelasting (MRB). De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt ongewenst en heeft daarom enkele tijdelijke maatregelen getroffen.

De maatregelen gelden vanaf 12 maart 2020 tot 1 oktober 2020.

Vrijstelling kortstondig gebruik
De BPM kent een vrijstelling kortstondig gebruik van een motorrijtuig met een buitenlands kenteken door een Nederlands ingezetene.

Bij keuring
De vrijstelling kortstondig gebruik wordt onder andere gebruikt om met een in het buitenland aangeschaft motorrijtuig naar de RDW te rijden voor de keuring en inschrijving in het Nederlands kentekenregister. Maar door de coronacrisis heeft de RDW begin maart 2020 ingeplande keuringsafspraken moeten annuleren. Inmiddels is de volledige dienstverlening van de RDW hervat.

De vrijstelling wordt via een elektronische melding maximaal één keer per twaalf maanden verleend en is persoons- en motorrijtuiggebonden.

Goedgekeurd is dat dezelfde persoon de vrijstelling een tweede keer mag aanvragen voor hetzelfde motorrijtuig, als de keuring voor het motorrijtuig eerder door de coronamaatregelen van de RDW niet kon plaatsvinden.

Bij (vakantie)woning in buitenland
Nederlands ingezetenen met een (vakantie)woning in het buitenland beschikken vaak over een auto die enkel lokaal wordt gebruikt. Een dergelijke auto is doorgaans dan ook geregistreerd in het buitenland. Een Nederlands ingezetene mag niet met deze auto in Nederland rijden zonder belastingen te betalen als de vrijstelling kortstondig gebruik niet is aangevraagd.

Nederlanders die zich tijdens de uitbraak van de coronacrisis in het buitenland bevonden, zagen zich door de beperking van het vliegverkeer in voorkomend geval genoodzaakt met de in het buitenland geregistreerde auto terug te rijden naar Nederland. Om belastingheffing te voorkomen zal in de regel de vrijstelling kortstondig gebruik zijn aangevraagd.

Zoals vermeld kan deze vrijstelling maximaal één keer per twaalf maanden worden verleend. Betrokkenen kunnen daarom niet – na de versoepeling van de coronamaatregelen – met deze auto terugrijden zonder belasting te betalen.

Daarom is goedgekeurd dat de vrijstelling een tweede keer kan worden aangevraagd door dezelfde persoon voor hetzelfde motorrijtuig. Voorwaarde is dat sprake is van een (vakantie)woning in het buitenland en de tweede aanvraag bedoeld is om terug te keren naar het land waar de (vakantie)woning is gelegen.

Motorrijtuigenbelasting
Als de vrijstelling is aangevraagd voor de BPM geldt dit ook als een beroep op de vrijstelling van MRB. Ook deze vrijstelling kan een tweede keer worden afgegeven.

Overgangsregeling ombouw taxi’s
De huidige einddatum van de overgangsregeling voor taxi's die worden omgebouwd voor bijvoorbeeld rolstoelvervoer wordt verplaatst van 1 april 2020 naar 1 oktober 2020. Door verlenging van overgangsregeling kunnen de geplande – maar door de coronamaatregelen vervallen – keuringsafspraken verplaatst worden. Voorwaarde voor de verlengde overgangsregeling is dat de taxi vóór 1 januari 2020 is aangeschaft.

Geldigheidsduur taxatierapport
Het taxatierapport dat doorgaans wordt opgemaakt vóór de keuring bij de RDW en vóór het doen van aangifte BPM mag niet ouder zijn dan één maand. Door de beperking in de dienstverlening van de RDW zijn keuringsafspraken komen te vervallen en wordt de termijn van één maand niet in alle gevallen gehaald.

Goedgekeurd is dat de maximale geldigheidstermijn van het taxatierapport is verlengd naar maximaal vier maanden.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 29-9-2020, nr. 2020-19833, Stcrt. 2020, 50987 (ingetrokken); Belastingdienst

22. Uitstel wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Bijgewerkt op 17 juni 2020, 17.00 uur

De door het kabinet gewenste inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel “Wet excessief lenen de bij eigen vennootschap” dat als doel heeft om fiscaal gedreven belastinguitstel door directeur-grootaandeelhouders (dga’s ) te ontmoedigen, is met een jaar uitgesteld tot 1 januari 2023.

Dga’s hebben zo meer tijd – tot 31 december 2023 (de eerste peildatum) – om zich voor te bereiden en schulden aan de eigen vennootschap die hoger zijn dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden) af te lossen.

Het wetsvoorstel is op 17 juni 2020 bij de Tweede Kamer ingediend.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (TK 35496)