1. Versoepeling urencriterium over 2020

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 11.55 uur

Ondernemers hebben recht op verschillende soorten belastingfaciliteiten in de inkomstenbelasting. Een aantal van die faciliteiten geldt alleen als voldaan wordt aan het zogenoemde urencriterium. Dit geldt onder andere voor de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve.

1225 uren per jaar
Een onderdeel van het urencriterium is dat een ondernemer minimaal 1225 uur per jaar aan zijn onderneming(en) moet besteden. Het kabinet heeft besloten dit aan te passen voor het kalenderjaar 2020.

Om te voorkomen dat ondernemers het recht op belastingfaciliteiten verliezen zal de Belastingdienst er van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 van uitgaan dat ondernemers altijd minimaal 24 uren per week aan hun onderneming(en) hebben besteed, ook als ze die uren door de coronacrisis niet daadwerkelijk hebben besteed.

Starteraftrek bij arbeidsongeschiktheid
Voor het verlaagde urencriterium van 800 uren per kalenderjaar in de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt een overeenkomstige versoepeling. De desbetreffende ondernemers worden geacht minimaal 16 uren per week aan hun onderneming(en) te hebben besteed.

Met deze versoepeling van het urencriterium zullen ondernemers die normaliter voldoen aan het urencriterium, ook ondanks de coronacrisis aan het urencriterium kunnen voldoen.

Seizoensgebonden ondernemers
Voor seizoengebonden ondernemers is dit niet het geval als de piek van hun werkzaamheden in de genoemde periode valt. Daarom geldt voor deze ondernemers een aanvullende regeling. Zij worden geacht in deze periode hetzelfde aantal uren te hebben besteed als zij in de periode van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 hebben gedaan. De ondernemer kan dan aan de hand van zijn administratie van vorig jaar beoordelen of hij in 2020 aan het urencriterium voldoet.  

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211

2. Versoepeling aflossingseis eigenwoningschuld

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 13.10 uur

Betaalpauze
Geldverstrekkers zoals banken bieden woningeigenaren de mogelijkheid een betaalpauze van rente en aflossing op hun hypotheek, als zij tijdens de coronacrisis tijdelijk niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen (zie het deel Financiële maatregelen voor particulieren in dit Dossier Corona). Hierbij wordt uitgegaan van een pauze van maximaal zes maanden.

Aflossingseis
Voor het behoud van het recht op fiscale aftrek van rente en kosten voor eigenwoningschulden is onder meer de wijze van inhalen van de uitgestelde aflossingen van belang. Voor hypotheken die op of na 1 januari 2013 zijn afgesloten en onder de fiscale aflossingseis vallen, wordt de fiscale aftrek alleen verleend als de hypotheek in maximaal 360 maanden volgens een ten minste annuïtair schema wordt afgelost.

Indien op enig moment een achterstand in de aflossing wordt opgelopen, is in de fiscale wetgeving vastgelegd op welke wijze en binnen welke termijnen die achterstand moet worden ingelopen. Als niet aan die eisen wordt voldaan, loopt de woningeigenaar het risico dat de fiscale aftrek vervalt.

Twee goedkeuringen
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft daarom in een beleidsbesluit goedgekeurd dat ook op een andere dan in de fiscale wetgeving vastgelegde wijze de aflossingsachterstand die door de betaalpauze is ontstaan wordt ingehaald.

Het gaat om twee goedkeuringen waaruit mag worden gekozen. Ze mogen worden toegepast als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De woningeigenaar heeft tussen 12 maart en 30 september 2020 bij zijn geldverstrekker gemeld dat hij (dreigende) betalingsproblemen heeft door de coronacrisis.
  • De woningeigenaar en de geldverstrekker zijn daarom een betaalpauze overeengekomen, die uiterlijk op 1 oktober 2020 ingaat, en die schriftelijk door de geldverstrekker wordt bevestigd.
  • De betaalpauze heeft een looptijd van maximaal zes maanden.

Als de woningeigenaar niet bij een officiële kredietverlener heeft geleend (maar bijvoorbeeld bij zijn eigen BV of een familiebank), gelden nog twee extra voorwaarden:

  • De woningeigenaar heeft door de coronacrisis een terugval van minimaal 20% in zijn arbeidsinkomen over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden of verwacht deze redelijkerwijs te hebben. Het tijdvak van drie aaneengesloten kalendermaanden moet beginnen tussen 1 maart 2020 en 1 oktober 2020. De terugval in arbeidsinkomen wordt bepaald in vergelijking met 25% van het totale arbeidsinkomen over 2019 of het arbeidsinkomen in de maanden 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.
  • De woningeigenaar moet aannemelijk kunnen maken dat hij aan alle voorgaande vier voorwaarden voldoet. De terugval in arbeidsinkomen moet hij aannemelijk kunnen maken op basis van een reële schatting of al beschikbare gegevens.

Goedkeuring 1: nieuw aflossingsschema
Zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze wordt een nieuw annuïtair schema vastgesteld waarmee het inhalen van de aflossingsachterstand wordt uitgesmeerd over de resterende looptijd van de maximale termijn van 360 maanden van de lening.

De huidige wettelijke regeling vereist dat een in 2020 opgelopen achterstand in de aflossing uiterlijk 31 december 2021 moet zijn ingehaald. Als dat niet lukt kan op basis van de wettelijke regeling een nieuw annuïtair schema pas per 1 januari 2022 worden vastgesteld. Met de goedkeuring kan sneller een nieuw aflossingsschema worden afgesproken voor de resterende looptijd van de lening.

Goedkeuring 2: splitsen lening
De schuld mag worden gesplitst in een oud deel en een nieuw deel:

  • Voor de resterende schuld blijft het bestaande annuïtaire schema van toepassing zonder rekening te houden met de aflossingsachterstand (oude deel).
  • Voor het deel van de aflossingsachterstand dat is ontstaan door de betaalpauze wordt een afzonderlijk aflossingsschema afgesproken, waarbij de looptijd maximaal gelijk is aan de resterende looptijd van de oorspronkelijke schuld (nieuwe deel). Afhankelijk van de draagkracht van de woningeigenaar kan voor dit deel ook een kortere looptijd gelden.

De huidige wettelijke regeling vereist dat voor de totale resterende hoofdsom een nieuw annuïtair schema wordt vastgesteld. Met gebruikmaking van goedkeuring 2 hoeft het deel van de aflossingsachterstand niet per definitie te worden uitgesmeerd over de resterende looptijd, maar kan ook binnen bijvoorbeeld vijf jaar worden afbetaald. Dit biedt meer mogelijkheden tot maatwerk.

Moment van aftrek uitgestelde rente
Naast de gemiste aflossingen zal ook de uitgestelde rente alsnog aan de geldverstrekker moeten worden betaald. Deze uitgestelde rente is, na voldoening, aftrekbaar volgens de reguliere fiscale regels.

Afhankelijk van de bepalingen in de hypotheekovereenkomst op het punt van het inhalen van de uitgestelde rentebetalingen, kan het zijn dat deze rente aftrekbaar is op het moment van rentedragend schuldig worden (2020) of op het moment van feitelijke betaling (veelal in 2021, maar mogelijk deels ook in 2020 of latere jaren). Voor leningen bij de eigen BV en dergelijke geldt een extra bewijslast dat de rente ook feitelijk wordt betaald.

Geldigheid beleidsbesluit
Het oorspronkelijke beleidsbesluit is op 8 mei 2020 gepubliceerd in de Staatscourant. Een herziene versie is op 18 juni 2020 in de Staatscourant verschenen, waarin de goedkeuring is verlengd. Voor betaalpauzes die sinds 12 maart 2020 al zijn overeengekomen en mogelijk deels al ten uitvoering zijn gebracht vóór 8 mei 2020, kan ook gebruik worden gemaakt van genoemde goedkeuringen.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Besluit staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 16-6-2020, nr. 2020-109040, Stcrt. 2020, 33204; Belastingdienst

3. Gebruikelijk loon over 2020

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 11.00 uur

Verlaging maandloon voor restant 2020
De BV en de houder van het aanmerkelijk belang in die BV (ab-houder) mogen gedurende 2020 tijdelijk een lager maandloon afspreken, als de coronacrisis grote gevolgen heeft voor de omzet en liquiditeit van de BV. Pas aan het einde van het jaar moet de BV het gebruikelijk loon over geheel 2020 voor de ab-houder vaststellen en in de aangifte loonheffingen vermelden. Omdat de impact van de coronacrisis op de BV pas aan het einde van 2020 duidelijker is, mag het gebruikelijk loon over geheel 2020 dus achteraf bepaald worden.

Verlaging gebruikelijk loon bij omzetdaling
Ab-houders mogen in 2020 tijdelijk van een lager gebruikelijk loon uitgaan, evenredig aan de omzetdaling van hun bedrijf. Het gebruikelijk loon over 2020 kan worden bepaald met de volgende formule, waarbij de omzet exclusief omzetbelasting (btw) moet worden genomen:

gebruikelijk loon 2020 = gebruikelijk loon 2019 x (omzet 1e 4 maanden 2020 / omzet 1e 4 maanden 2019)

Aan deze verlaging met toepassing van de formule zijn voorwaarden verbonden:

  • De rekening-courantschuld of het dividend mag niet toenemen als gevolg van het lagere gebruikelijk loon.
  • Als de ab-houder feitelijk meer loon heeft genoten dan volgt uit de formule, geldt dat hogere loon. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een BV voor de ab-houder gebruik maakt van de NOW. Een eventuele Tozo-uitkering is geen loon en heeft daarom geen gevolgen voor het gebruikelijk loon. Zie voor de NOW en de Tozo het deel Sociale Zekerheid in dit Dossier Corona.
  • Van de verlaging van het gebruikelijk loon via deze formule kan geen gebruik worden gemaakt voor zover de omzet in het jaar 2019 of 2020 beïnvloed is door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing en bijzondere resultaten.

Toepassing van de formule kan er toe leiden dat het loon van de ab-houder lager is dan de wettelijke grenzen van € 46.000, 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meestverdienende werknemer. Toepassing van de formule kan niet leiden tot een hoger gebruikelijk loon. Het blijft daarnaast mogelijk op grond van de bestaande wettelijke mogelijkheden een lager gebruikelijk loon aannemelijk te maken.

Geen terugwerkende kracht
In 2020 al uitbetaald loon aan de ab-houder kan niet met terugwerkende kracht worden verlaagd. De BV mag het loon van de ab-houder alleen voor de toekomstige maanden in 2020 verlagen.

Aangifte loonheffingen
Bij verlaging van het maandloon vermeldt de BV in de aangiften loonheffingen het loon dat de ab-houder heeft genoten, inclusief het eventuele loon in natura (bijvoorbeeld privégebruik van een auto of fiets). Uiterlijk aan het einde van 2020 (of als dat eerder is het einde van de dienstbetrekking), bepaalt de BV wat het gebruikelijk loon voor het jaar 2020 is. Heeft de ab-houder te weinig loon van de BV genoten, dan moet het verschil nog als loon worden aangeven.

Overleg Belastingdienst
De BV en de ab-houder mogen het lagere gebruikelijk loon met toepassing van de formule zonder toestemming vooraf van de Belastingdienst afspreken.

Maar men kan ook altijd overleggen met de Belastingdienst over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld als toepassing van de formule geen of onvoldoende oplossing biedt. Zo kan in geval van bijkomende omstandigheden een (nog) lager gebruikelijk loon worden vastgesteld.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

4. Geen fiscale gevolgen herintreden gepensioneerde zorgmedewerkers

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Formeel kan een werknemer eerder dan vijf jaar voor zijn AOW-leeftijd pensioen opnemen. Maar dan moet de werknemer bij de aanvraag van het pensioen verklaren voor het deel dat hij pensioen opneemt niet meer te gaan werken. Deze verklaring kan in de weg staan als deze werknemer gehoor wil geven aan een oproep om bij te springen tijdens de coronacrisis.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft aangegeven dat gepensioneerde zorgmedewerkers, die hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd hebben laten ingaan, nu zonder fiscale gevolgen voor hun pensioen weer aan het werk kunnen gaan. Door de uitbraak van het coronavirus wordt op zorgmedewerkers een beroep gedaan opnieuw in de zorgsector aan het werk te gaan. Het is aannemelijk dat deze gepensioneerde zorgmedewerkers op moment van vervroegde pensionering niet de intentie hadden om later weer aan het werk te gaan. De uitbraak van het coronavirus COVID-19 is een nieuw ontstane situatie en vormt de aanleiding voor het hervatten van de werkzaamheden.

De Belastingdienst heeft een en ander ook afgestemd met het Pensioenfonds Zorg & Welzijn.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-005

5. Pensioenopbouw tijdens tijdelijke arbeidsduurverkorting

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft aangegeven welke mogelijkheden er zijn om de pensioenopbouw van werknemers voort te zetten gedurende een tijdelijke arbeidsduurverkorting die wordt veroorzaakt door de coronacrisis. Het CAP verwijst daarbij naar het begrip pensioengevende diensttijd van de loonbelastingwetgeving.

Gedurende de periode van tijdelijke arbeidsduurverkorting wegens de coronacrisis kunnen zich met name de volgende situaties voordoen:

  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking geheel in stand blijft. In dat geval blijft er gewoon sprake van pensioengevende diensttijd. Dat hierbij sprake kan zijn van een lager pensioengevend loon hoeft geen probleem te zijn, mits sprake is van een gebruikelijke loonsverlaging. Bij een gebruikelijke loonsverlaging kan de pensioenopbouw worden voortgezet over het loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking (gedeeltelijk) tijdelijk wordt beëindigd. Als de werknemer een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt (bijvoorbeeld een WW-uitkering), is sprake van pensioengevende diensttijd. De pensioenopbouw mag worden voortgezet op basis van het pensioengevend loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij geen sprake is van onvrijwillig ontslag of geen inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering wordt ontvangen. In dat geval kan onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de al bestaande mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-004; art. 18g Wet LB 1964; art. 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965; onderdeel 2.3 Verzamelbesluit pensioenen 11-12-2018, nr. 2018-28514

6. Administratieve verplichtingen loonheffingen

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 10.35 uur

Werkgevers hebben rondom de loonheffingen bepaalde wettelijke administratieve verplichtingen. Door de coronacrisis kan het voorkomen dat een werkgever deze verplichtingen in redelijkheid niet, niet tijdig of niet geheel kan nakomen. Formeel betekent dit dat de Belastingdienst dan een wettelijke sanctie moet toepassen, zoals het anoniementarief.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dit ongewenst en heeft daarom het volgende goedgekeurd. De goedkeuring geldt vanaf 12 maart 2020.

Versoepeling
De Belastingdienst mag een soepel standpunt innemen als een werkgever of werknemer gedurende de coronacrisis een wettelijke administratieve verplichting in redelijkheid niet, niet tijdig of niet volledig nakomt en dit voor zover mogelijk herstelt zodra dat kan.

Voorbeeld identificatieplicht nieuwe werknemer
Een werkgever moet voor de eerste werkdag van een werknemer of – als de werknemer op de eerste werkdag wordt aangenomen – op de eerste werkdag voor aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de werknemer vaststellen aan de hand van het origineel van een toegelaten identiteitsbewijs en een kopie van het identiteitsbewijs in de loonadministratie opnemen. Het is door de coronacrisis niet altijd in redelijkheid mogelijk om de identiteit van de werknemer tijdig volgens de wettelijke regeling vast te stellen aan de hand van een origineel identiteitsbewijs. In een dergelijk geval kan de toepassing van het anoniementarief achterwege blijven als de werkgever de identiteit van de werknemer volgens de wettelijke regeling vaststelt zodra hij daar in redelijkheid toe in staat is.

Voorbeeld schriftelijk BSN aanvragen
Het anoniementarief hoeft niet te worden toegepast als een buitenlandse werknemer door de coronacrisis in redelijkheid niet persoonlijk zijn burgerservicenummer (BSN) kan afhalen bij een gemeentelijk loket. Wel moet de werknemer dan schriftelijk een BSN aanvragen bij de Belastingdienst. In de brief moet de werknemer de volgende gegevens vermelden:

  • De reden waarom de werknemer het BSN nodig heeft (bijvoorbeeld “voldoen aan de verplichte opgave bij indiensttreden bij een werkgever”).
  • Zijn adresgegevens in het buitenland.
  • Het telefoonnummer of e-mailadres waarop hij bij vagen kan worden bereikt.
  • Een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
  • Een woonplaatsverklaring van zijn woonland (via de gemeente waar hij woont) in het Nederlands, Duits of Engels. Als het krijgen van een woonplaatsverklaring een probleem is, wordt ook geaccepteerd een kopie van een recente afrekening gas, water en licht of een ander brondocument waaruit de woonplaats blijkt.

De brief moet gestuurd worden naar:

Belastingdienst
Postbus 2892
6401 DJ Heerlen
The Netherlands

Tijdens de coronacrisis mag ook gebruik worden gemaakt van het formulier “Verzoek burgerservicenummer voor toeslagpartner (buitenland)” dat op de website van de Belastingdienst staat.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

7. Ongewijzigd doorlopen vaste (reiskosten)vergoeding

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 18.15 uur

Vaste reiskostenvergoeding
Voor reiskosten met een vast en gelijkmatig karakter bestaat de mogelijkheid een vaste onbelaste vergoeding met de werknemer af te spreken, bijvoorbeeld voor het woon-werktraject. Voor veel werknemers leiden de maatregelen rondom de coronacrisis tot een verandering van hun reispatroon. Daardoor moet een werkgever een afgesproken reiskostenvergoeding formeel aanpassen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt dit ondoelmatig en ongewenst en heeft daarom het volgende goedgekeurd. De goedkeuring geldt vanaf 12 maart 2020.

Doorlopen vaste reiskostenvergoeding
Een werkgever hoeft gedurende de coronacrisis voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen te verbinden aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer.

De werkgever kan deze goedkeuring ook toepassen voor een vaste reiskostenvergoeding met nacalculatie. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is.

Andere vaste vergoedingen
Een werkgever mag gedurende de coronacrisis ook andere vaste vergoedingen ongewijzigd voortzetten en daarvoor blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is. Voorwaarde is wel dat de werknemer uiterlijk op 12 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht kreeg op de vaste vergoeding. Als een recht op een vaste onkostenvergoeding afhankelijk was van een keuze van de werknemer (bijvoorbeeld bij een cafetariasysteem), dan moet de werknemer zijn keuze uiterlijk op 12 maart 2020 hebben gemaakt.

De goedkeuring geldt niet voor een vergoeding voor extraterritoriale kosten (30%-regeling).

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

8. Vrije ruimte werkkostenregeling vergroot

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 11.05 uur

Vrije ruimte
Via de vrije ruimte van de werkkostenregeling (wkr) kunnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers geven zonder dat deze belast worden. Deze vrije ruimte die werkgevers hebben om onbelaste vergoedingen en verstrekkingen te geven is eenmalig alleen voor 2020 verhoogd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever.

Werkgevers die daar financiële ruimte voor hebben kunnen hun werknemers in deze moeilijke tijd extra tegemoet te komen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bloemetje of een cadeaubon. Dit kan ook een boost geven aan sectoren die sterk getroffen zijn door de crisis.

De werkgever zou bijvoorbeeld ook de extra energiekosten die de werknemer maakt door het thuiswerken vanuit de vrije ruimte onbelast aan hem kunnen vergoeden.

Onbelast vergoeden/verstrekken mondkapjes
De werkgever mag de kosten van mondkapjes onbelast vergoeden of verstrekken aan zijn werknemers. Deze kosten horen tot de werkelijke kosten van het openbaar vervoer, omdat werknemers vanaf 1 juni 2020 niet zonder mondkapje met het openbaar vervoer mogen reizen. Omdat de werkelijke kosten van openbaar vervoer gericht zijn vrijgesteld, vallen de mondkapjes daar ook onder.

De vergoeding of verstrekking van mondkapjes gaat dus niet ten koste van de vrije ruimte.

Onbelast vergoeden/verstrekken arbovoorzieningen
De Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever erop toe te zien dat de werknemer thuis goed en veilig kan werken. De werkkostenregeling kent een gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen, die niet ten koste gaat van de vrije ruimte.

Via deze vrijstelling kan de werkgever voorzieningen die samenhangen met zijn arboverplichtingen onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen aan de werknemer. Bij verplicht thuiswerken kan een werkgever bijvoorbeeld een beeldscherm, een toetsenbord en een werkstoel aan de werknemer vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen, mits die voldoen aan de eisen die de Arbeidsomstandighedenwet stelt aan beeldschermarbeid.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

9. Toepassing belastingverdrag met Duitsland en België

Bijgewerkt op 29 juni 2020, 14.15 uur

Nederland heeft zowel met Duitsland als met België een belastingverdrag afgesloten. Wegens de coronacrisis heeft Nederland met Duitsland en België overlegd over de interpretatie en toepassing van beide belastingverdragen. 

Thuiswerken
Als grensarbeiders in loondienst door de coronamaatregelen thuis moeten werken, zal de belastingplicht niet verschuiven van de werkstaat naar de woonstaat, mits de grensarbeider zijn salaris krijgt doorbetaald. Grensarbeiders moeten een administratie bijhouden van hun thuiswerkdagen en bijvoorbeeld met een schriftelijke bevestiging van hun werkgever kunnen onderbouwen dat de thuiswerkdagen uitsluitend het gevolg waren van de coronamaatregelen.

Deze afspraken gelden vanaf 11 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. Met Duitsland worden ze daarna automatisch met een maand verlengd, totdat Nederland of Duitsland deze opzegt, hetgeen nog niet is gebeurd. Met België is afgesproken dat verlenging expliciet moet worden overeengekomen, hetgeen voor de maanden juni tot en met augustus 2020 is gebeurd.

Grensarbeiders mogen ook kiezen deze toepassing van het verdrag niet toe te passen, waardoor het heffingsrecht naar de woonstaat verschuift.

Voor grensarbeiders die altijd al een of enkele dagen thuis werken geldt de goedkeuring niet.

Thuiszitten
De verhouding “dagen gewerkt in de werkstaat/totaal aantal dagen gewerkt” wijzigt niet als de grensarbeider in loondienst zonder te werken thuis zit door de coronamaatregelen. Ook nu geldt dat de grensarbeider zijn salaris doorbetaald moet krijgen.

Deze afspraak over de dagenverhouding bij thuiszitters kent geen vervaldatum, want is een interpretatie van de toepassing van het belastingverdrag. Dit is zo met Duitsland en België afgesproken.

Duitse uitkering
Nederland heeft besloten bepaalde Duitse inkomensondersteuningen rond de coronacrisis vrij te stellen. Ook inwoners van Nederland die normaal in Duitsland werken ontvangen deze Duitse socialezekerheidsuitkeringen. Deze uitkeringen zijn op het nettoloon afgestemd en zijn derhalve in Duitsland vrijgesteld van belasting. Als deze uitkeringen (tezamen met bepaalde andere) Duitse (socialezekerheids)uitkeringen in een kalenderjaar € 15.000 of minder bedragen, wijst het belastingverdrag met Duitsland het heffingsrecht over deze Duitse netto-uitkeringen toe aan Nederland. Met als ongewenst gevolg dat Nederland dan zou heffen over een door Duitsland betaalde netto-uitkering van een grensarbeider die normaal in Duitsland had gewerkt en daar zou zijn belast voor zijn salaris.

Daarom is zogenoemd ‘Kurzarbeitergeld’, ‘Insolvenzgeld’ of ‘Arbeitslosengeld’, voor zover dat op of na 11 maart 2020 voor het eerst wordt ontvangen door corona(maatregelen) vrijgesteld van belasting (met progressievoorbehoud).

De vrijstelling geldt voor de periode van 11 maart 2020 tot en met 31 december 2020.

Belgische werkloosheidsuitkering
Als men in Nederland woont en uit België wegens de coronacrisis een tijdelijke werkloosheidsuitkering ontvangt met behoud van de dienstbetrekking, dan is deze uitkering belast in het land waar het salaris voorheen ook belast was. 

Ook dit is een interpretatie van de verdragstoepassing en kent dus geen vervaldatum.

Bron: mededeling staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 10-4-2020, Stcrt. 2020, 21381 (V-N 2020/18.10); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); mededeling staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 8-5-2020, Stcrt. 2020, 25956; Overeenkomst tussen Nederland en België 30-4-2020, Stcrt. 2020, 28917; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Overeenkomst tussen Nederland en België 19-6-2020, Stcrt. 2020, 34541; Belastingdienst

 

10. Fiscale coronareserve in de vennootschapsbelasting

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 12.00 uur

Om bedrijven sneller een liquiditeitsvoordeel te verlenen, kan een ondernemer die belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (vpb) gebruik maken van een zogenoemde fiscale coronareserve.

Coronagerelateerd verlies
De Vpb-belastingplichtige mag het verwachte coronagerelateerde verlies dat zich in het boekjaar 2020 voordoet van de winst in het boekjaar 2019 aftrekken. Fiscaal-technisch gaat dit door ten laste van de winst over 2019 een fiscale coronareserve te vormen.

Voorwaarden
Aan het gebruik van de fiscale coronareserve zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • In het boekjaar 2020 is sprake van een verwacht coronagerelateerd verlies. Coronagerelateerd verlies is verlies dat verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.
  • Het verwachte coronagerelateerde verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht over het boekjaar 2020. Vorming van een coronareserve is dus niet mogelijk als de inschatting is dat over het boekjaar 2020 een positieve belastbare winst wordt genoten.
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve in het boekjaar 2019 bedraagt maximaal de winst over het boekjaar 2019 die zou gelden zonder de vorming van deze reserve.
  • De fiscale coronareserve wordt uiterlijk in het boekjaar 2020 volledig in de winst opgenomen.
  • De dotatie aan de fiscale coronareserve wordt in de vpb-aangifte 2019 opgenomen in de rubriek overige fiscale reserves. De vrijval in het boekjaar 2020 wordt als onttrekking in deze rubriek opgenomen in de vpb-aangifte 2020.

Samenloop met andere vpb-bepalingen
Het kabinet wijst er nadrukkelijk op dat het vormen van een fiscale coronareserve gevolgen kan hebben voor de toepassing van andere regelingen in de vpb. Voor de eventuele samenloop met die andere regelingen worden geen flankerende maatregelen getroffen. Het is dus aan de ondernemer om bij het vormen van de fiscale coronareserve rekening te houden met deze mogelijke gevolgen.

Herziening (voorlopige) aanslag 2019
Via een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag vpb 2019 of het indienen van de vpb-aangifte 2019 kan (een deel van) de eerder verschuldigde vpb over het boekjaar 2019 worden verminderd. Is de vpb-aangifte 2019 al ingediend dan moet een aanvulling op die aangifte worden ingediend. Dat kan door opnieuw aangifte te doen.

Gebroken boekjaar
Belastingplichtigen die een gebroken boekjaar hanteren, kunnen in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 een fiscale coronareserve vormen. De reserve wordt in dat geval uiterlijk in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen.

Verliesverrekening (carry back)
Volgens de huidige wetgeving mogen bedrijven die vpb-belastingplichtig zijn een verlies verrekenen met de winst van het voorafgaande jaar (carry back). Met de carry back kan een verlies over het jaar 2020 verrekend worden met winst die in het jaar 2019 behaald is. Daardoor kunnen bedrijven een deel van de vpb die zij over het jaar 2019 al betaald hebben of nog moeten betalen, op een later moment terugkrijgen.

Verliesverrekening kan dus zorgen voor een verbetering van de liquiditeitspositie van bedrijven. Echter, een dergelijke verrekening kan pas plaatsvinden bij het doen van de aangifte vpb 2020. Dat kan niet eerder dan begin 2021. Bovendien is vereist dat een definitieve aanslag vpb is opgelegd over 2019, die meestal nog niet zal zijn opgelegd.

Het kabinet vindt dat te lang duren en heeft daarom het gebruik van deze fiscale coronareserve goedgekeurd.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211

11. Btw-vrijstelling op ter beschikking stellen zorgpersoneel

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 12.15 uur

Door de coronacrisis is in de zorgsector een situatie ontstaan waarbij meer dan normaal sprake is van in- en uitlenen van zorgpersoneel. Personeel wordt ingezet waar dat noodzakelijk is om de verzorging en verpleging van zieken te waarborgen.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst wil voorkomen dat deze extra inzet voor de zorgsector door de heffing van omzetbelasting (btw) voor extra administratieve of financiële lasten leidt. Daarom geldt de volgende goedkeuring die met terugwerkende kracht kan worden toegepast vanaf 16 maart 2020 tot 1 oktober 2020.

Vrijstelling
Buiten de heffing van btw blijft het ter beschikking stellen van zorgpersoneel dat wordt ingezet voor het verzorgen of verplegen van personen in de hierna genoemde inrichtingen en instellingen.

De maatregel geldt zowel voor de terbeschikkingstelling door de hierna bedoelde inrichtingen en instellingen onderling als voor de terbeschikkingstelling door btw-ondernemers.

Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:

  • De goedkeuring geldt voor het ter beschikking stellen van zorgpersoneel aan btw-vrijgestelde ziekenhuizen, verpleeghuizen en dergelijke inrichtingen of aan btw-vrijgestelde instellingen voor wijkverpleging, kraam- en gezinsverzorging, dagverblijven voor gehandicapten en dergelijke instellingen.
  • De ondernemer moet op de factuur vermelden dat gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring en de gegevens die betrekking hebben op de toepassing van de goedkeuring in de administratie vastleggen.
  • Als voor de terbeschikkingstelling een vergoeding in rekening wordt gebracht moet de vergoeding voor de terbeschikkingstelling beperkt blijven tot de brutoloonkosten van het betrokken personeelslid, eventueel vermeerderd met een administratieve kostenvergoeding van maximaal 5%. In geen geval mag er winst worden beoogd of gemaakt met de terbeschikkingstelling van het zorgpersoneel.

Vooraftrek
De terbeschikkingstelling van zorgpersoneel die op basis van deze goedkeuring buiten de btw-heffing blijft, blijft buiten beschouwing voor het vaststellen van het recht op aftrek van btw van de uitlener.

Bij toepassing van de goedkeuring door btw-ondernemers, blijft de eventuele aftrek van btw voor deze ondernemers in stand. Van btw vrijgestelde ondernemers krijgen hierdoor geen (aanvullend) recht op aftrek van btw. Ook vermindert toepassing van de goedkeuring hun eventuele recht op aftrek van btw niet.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

12. Geen btw op gratis verstrekken medische hulpgoederen en -apparatuur

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 12.15 uur

Door de coronacrisis moeten in de zorgsector specifieke medische hulpgoederen landelijk en regionaal voldoende aanwezig zijn en worden deze gratis ter beschikking gesteld aan de zorgsector.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst wil voorkomen dat deze gratis terbeschikkingstelling voor de zorgsector door de heffing van omzetbelasting (btw) voor extra administratieve of financiële lasten leidt. Daarom geldt de volgende goedkeuring die met terugwerkende kracht kan worden toegepast vanaf 16 maart 2020 tot 1 oktober 2020.

Vrijstelling
De gratis (om niet) verstrekking van medische hulpgoederen en medische apparatuur voor de gezondheidskundige verzorging van de mens, heeft geen gevolgen heeft voor de heffing of de aftrek van btw bij de ondernemer die deze goederen verstrekt. Het moet gaan om de verstrekking aan btw-vrijgestelde ziekenhuizen, verpleeghuizen en dergelijke inrichtingen, aan btw-vrijgestelde instellingen voor wijkverpleging, kraam- en gezinsverzorging, dagverblijven voor gehandicapten en dergelijke instellingen of aan huisartsen.

Ook specifieke bepalingen van het Besluit uitsluiting van aftrek omzetbelasting 1968 en de btw-heffing bij privégebruik van ondernemingsgoederen blijven achterwege.

Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vier voorwaarden:

  • De goedkeuring betreft alleen goederen die worden genoemd in de ‘Bijlage Gepubliceerde lijst van de Wereld Douaneorganisatie; indelingen van medische voorzieningen in verband met uitbraak Covid-19’. De lijst staat op de website van de Rijksoverheid.
  • Voor de aftrek van btw maken de kosten van de goederen onderdeel uit van de algemene kosten van de ondernemer.
  • Het recht op aftrek van btw voor deze algemene kosten wordt bepaald op basis van de totale omzet van de ondernemer, waarbij de gratis verstrekking van de goederen buiten beschouwing blijft.
  • De ondernemer moet op de factuur vermelden dat gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring en de gegevens die betrekking hebben op de toepassing van de goedkeuring in de administratie vastleggen.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

13. Verlaagd btw-tarief bij online sportlessen

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 12.15 uur

Door de coronacrisis zijn sportscholen tijdelijk verplicht gesloten. Sportscholen werken vaak met abonnementen, waarbij hun afnemers voor langere tijd of meerdere keren de gelegenheid wordt geboden tot sportbeoefening.

Om hun afnemers toch nog van dienst te kunnen zijn, bieden sportscholen hun diensten nu in aangepaste vorm online aan. De toepassing van het verlaagde btw-tarief van 9% is echter gekoppeld aan het ter beschikking stellen van sportaccommodaties. Hiervan is in dit geval geen sprake.

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst keurt gelet op de bijzondere situatie en het tijdelijke karakter van de sluiting het volgende goed. De goedkeuring kan met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 16 maart 2020 en geldt totdat de verplichte sluiting wordt opgeheven.

Verlaagd tarief
Het verlaagde btw-tarief van 9% mag worden toegepast op de sportlessen die sportscholen en dergelijke ondernemers gedurende de verplichte sluiting online aan hun afnemers aanbieden. Ook andere aanbieders van online sporten kunnen tijdelijk het verlaagde btw-tarief toepassen. Het beschikken over een sportaccommodatie is dus geen voorwaarde.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst 15-6-2020, nr. 2020-0000101400; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

14. Btw-nultarief op mondkapjes

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 12.15 uur

Vanaf 1 juni 2020 is het dragen van (niet-medische) mondkapjes in het openbaar vervoer (OV) verplicht. Vanaf die datum is ook de dienstregeling weer naar maximaal opgeschaald.

Nul-tarief
Gelet daarop heeft de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst goedgekeurd dat in de periode vanaf 25 mei 2020 tot 1 oktober 2020 op de binnenlandse verkoop van mondkapjes het nultarief in de omzetbelasting (btw) mag worden toegepast. Het nultarief geldt zowel voor mondkapjes die consumenten in het OV mogen gebruiken als voor medische mondkapjes en geldt ongeacht aan wie deze worden verkocht.

De verkoop van mondkapjes tegen betaling is normaliter belast tegen 21% btw. De bedoeling van de kabinetsmaatregel is om voor consumenten die met het OV reizen, mondkapjes goedkoper te maken.

Door het nultarief toe te passen in plaats van een btw-vrijstelling, behoudt de verkoper het recht op aftrek van voorbelasting. Dit betekent dat de verkoper de btw die hij bij aanschaf van de mondkapjes betaalt, kan verrekenen in zijn btw-aangifte.

Onbelast vergoeden/verstrekken
De werkgever mag de kosten van mondkapjes onbelast vergoeden of verstrekken aan zijn werknemers. Deze kosten horen tot de werkelijke kosten van het openbaar vervoer, omdat werknemers vanaf 1 juni 2020 niet zonder mondkapje met het openbaar vervoer mogen reizen. Omdat de werkelijke kosten van openbaar vervoer gericht zijn vrijgesteld, vallen de mondkapjes daar ook onder.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst btw nultarief op mondkapjes gelet op het OV 13-5-2020, nr. 2020-0000088920; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

15. Tijdelijke maatregelen BPM/MRB

Bijgewerkt op 18 juni 2020, 11.35 uur

De coronacrisis heeft enkele ongewenste gevolgen voor de toepassing van enkele bepalingen uit de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en de motorrijtuigenbelasting (MRB). De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst vindt ongewenst en heeft daarom enkele tijdelijke maatregelen getroffen.

De maatregelen gelden vanaf 12 maart 2020 tot 1 oktober 2020.

Vrijstelling kortstondig gebruik
De BPM kent een vrijstelling kortstondig gebruik van een motorrijtuig met een buitenlands kenteken door een Nederlands ingezetene.

Bij keuring
De vrijstelling kortstondig gebruik wordt onder andere gebruikt om met een in het buitenland aangeschaft motorrijtuig naar de RDW te rijden voor de keuring en inschrijving in het Nederlands kentekenregister. Maar door de coronacrisis heeft de RDW begin maart 2020 ingeplande keuringsafspraken moeten annuleren. Inmiddels is de volledige dienstverlening van de RDW hervat.

De vrijstelling wordt via een elektronische melding maximaal één keer per twaalf maanden verleend en is persoons- en motorrijtuiggebonden.

Goedgekeurd is dat dezelfde persoon de vrijstelling een tweede keer mag aanvragen voor hetzelfde motorrijtuig, als de keuring voor het motorrijtuig eerder door de coronamaatregelen van de RDW niet kon plaatsvinden.

Bij (vakantie)woning in buitenland
Nederlands ingezetenen met een (vakantie)woning in het buitenland beschikken vaak over een auto die enkel lokaal wordt gebruikt. Een dergelijke auto is doorgaans dan ook geregistreerd in het buitenland. Een Nederlands ingezetene mag niet met deze auto in Nederland rijden zonder belastingen te betalen als de vrijstelling kortstondig gebruik niet is aangevraagd.

Nederlanders die zich tijdens de uitbraak van de coronacrisis in het buitenland bevonden, zagen zich door de beperking van het vliegverkeer in voorkomend geval genoodzaakt met de in het buitenland geregistreerde auto terug te rijden naar Nederland. Om belastingheffing te voorkomen zal in de regel de vrijstelling kortstondig gebruik zijn aangevraagd.

Zoals vermeld kan deze vrijstelling maximaal één keer per twaalf maanden worden verleend. Betrokkenen kunnen daarom niet – na de versoepeling van de coronamaatregelen – met deze auto terugrijden zonder belasting te betalen.

Daarom is goedgekeurd dat de vrijstelling een tweede keer kan worden aangevraagd door dezelfde persoon voor hetzelfde motorrijtuig. Voorwaarde is dat sprake is van een (vakantie)woning in het buitenland en de tweede aanvraag bedoeld is om terug te keren naar het land waar de (vakantie)woning is gelegen.

Motorrijtuigenbelasting
Als de vrijstelling is aangevraagd voor de BPM geldt dit ook als een beroep op de vrijstelling van MRB. Ook deze vrijstelling kan een tweede keer worden afgegeven.

Overgangsregeling ombouw taxi’s
De huidige einddatum van de overgangsregeling voor taxi's die worden omgebouwd voor bijvoorbeeld rolstoelvervoer wordt verplaatst van 1 april 2020 naar 1 oktober 2020. Door verlenging van overgangsregeling kunnen de geplande – maar door de coronamaatregelen vervallen – keuringsafspraken verplaatst worden. Voorwaarde voor de verlengde overgangsregeling is dat de taxi vóór 1 januari 2020 is aangeschaft.

Geldigheidsduur taxatierapport
Het taxatierapport dat doorgaans wordt opgemaakt vóór de keuring bij de RDW en vóór het doen van aangifte BPM mag niet ouder zijn dan één maand. Door de beperking in de dienstverlening van de RDW zijn keuringsafspraken komen te vervallen en wordt de termijn van één maand niet in alle gevallen gehaald.

Goedgekeurd is dat de maximale geldigheidstermijn van het taxatierapport is verlengd naar maximaal vier maanden.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus 14-4-2020, nr. 2020-0000071409 (V-N 2020/19.3); brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Belastingdienst

16. Uitstel wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Bijgewerkt op 17 juni 2020, 17.00 uur

De door het kabinet gewenste inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel “Wet excessief lenen de bij eigen vennootschap” dat als doel heeft om fiscaal gedreven belastinguitstel door directeur-grootaandeelhouders (dga’s ) te ontmoedigen, is met een jaar uitgesteld tot 1 januari 2023.

Dga’s hebben zo meer tijd – tot 31 december 2023 (de eerste peildatum) – om zich voor te bereiden en schulden aan de eigen vennootschap die hoger zijn dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden) af te lossen.

Het wetsvoorstel is op 17 juni 2020 bij de Tweede Kamer ingediend.

Bron: brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433 (V-N 2020/20.3); wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (TK 35496)