1. Gebruikelijk loon over 2020 pas achteraf vaststellen

Bijgewerkt op 2 april 2020, 9.30 uur

Verlaging maandloon voor restant 2020
De BV en de houder van het aanmerkelijk belang in die BV (ab-houder) mogen gedurende 2020 tijdelijk een lager maandloon afspreken, als de coronacrisis grote gevolgen heeft voor de omzet en liquiditeit van de BV. Pas aan het einde van het jaar moet de BV het gebruikelijk loon over geheel 2020 voor de ab-houder vaststellen en in de aangifte loonheffingen vermelden. Omdat de impact van de coronacrisis op de BV pas aan het einde van 2020 duidelijker is, mag het gebruikelijk loon over geheel 2020 dus achteraf bepaald worden.

Geen terugwerkende kracht
In 2020 al uitbetaald loon aan de ab-houder kan niet met terugwerkende kracht worden verlaagd. De BV mag het loon van de ab-houder alleen voor de toekomstige maanden in 2020 verlagen.

Aangifte loonheffingen
Bij verlaging van het maandloon vermeldt de BV in de aangiften loonheffingen het loon dat de ab-houder heeft genoten, inclusief het eventuele loon in natura (bijvoorbeeld privégebruik van een auto of fiets). Uiterlijk aan het einde van 2020 (of als dat eerder is het einde van de dienstbetrekking), bepaalt de BV wat het gebruikelijk loon voor het jaar 2020 is. Heeft de ab-houder te weinig loon van de BV genoten, dan moet het verschil nog als loon worden aangeven.

Geen toestemming Belastingdienst
De BV en de ab-houder mogen het tijdelijk lager loon zonder toestemming vooraf van de Belastingdienst overeenkomen.

Bron: Belastingdienst

 

2. Geen fiscale gevolgen herintreden gepensioneerde zorgmedewerkers

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Formeel kan een werknemer eerder dan vijf jaar voor zijn AOW-leeftijd pensioen opnemen. Maar dan moet de werknemer bij de aanvraag van het pensioen verklaren voor het deel dat hij pensioen opneemt niet meer te gaan werken. Deze verklaring kan in de weg staan als deze werknemer gehoor wil geven aan een oproep om bij te springen tijdens de coronacrisis.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft aangegeven dat gepensioneerde zorgmedewerkers, die hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd hebben laten ingaan, nu zonder fiscale gevolgen voor hun pensioen weer aan het werk kunnen gaan. Door de uitbraak van het coronavirus wordt op zorgmedewerkers een beroep gedaan opnieuw in de zorgsector aan het werk te gaan. Het is aannemelijk dat deze gepensioneerde zorgmedewerkers op moment van vervroegde pensionering niet de intentie hadden om later weer aan het werk te gaan. De uitbraak van het coronavirus COVID-19 is een nieuw ontstane situatie en vormt de aanleiding voor het hervatten van de werkzaamheden.

De Belastingdienst heeft een en ander ook afgestemd met het Pensioenfonds Zorg & Welzijn.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-005

3. Pensioenopbouw tijdens tijdelijke arbeidsduurverkorting

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft aangegeven welke mogelijkheden er zijn om de pensioenopbouw van werknemers voort te zetten gedurende een tijdelijke arbeidsduurverkorting die wordt veroorzaakt door de coronacrisis. Het CAP verwijst daarbij naar het begrip pensioengevende diensttijd van de loonbelastingwetgeving.

Gedurende de periode van tijdelijke arbeidsduurverkorting wegens de coronacrisis kunnen zich met name de volgende situaties voordoen:

  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking geheel in stand blijft. In dat geval blijft er gewoon sprake van pensioengevende diensttijd. Dat hierbij sprake kan zijn van een lager pensioengevend loon hoeft geen probleem te zijn, mits sprake is van een gebruikelijke loonsverlaging. Bij een gebruikelijke loonsverlaging kan de pensioenopbouw worden voortgezet over het loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking (gedeeltelijk) tijdelijk wordt beëindigd. Als de werknemer een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt (bijvoorbeeld een WW-uitkering), is sprake van pensioengevende diensttijd. De pensioenopbouw mag worden voortgezet op basis van het pensioengevend loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.
  • Arbeidsduurverkorting waarbij geen sprake is van onvrijwillig ontslag of geen inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering wordt ontvangen. In dat geval kan onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de al bestaande mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw.

Bron: Belastingdienst/Centraal Aanspreekpunt Pensioenen V&A 20-004; art. 18g Wet LB 1964; art. 10a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965; onderdeel 2.3 Verzamelbesluit pensioenen 11-12-2018, nr. 2018-28514