Dit dossieronderdeel is afgesloten

Het dossieronderdeel Financiële maatregelen voor particulieren is per 1 september 2020 afgesloten en wordt niet meer geactualiseerd. 

Let op: de onderdelen Belastingheffing formeel, Belastingheffing materieel en Sociale zekerheid blijven actueel!

 

1. Kinderopvang

Bijgewerkt op 25 juni 2020, 11.55 uur

Noodopvang
Aan gebruik van de noodopvang voor kinderen van ouders in cruciale beroepen waren en zijn geen kosten verbonden. Als in een gezin één ouder een cruciaal beroep uitvoert, en het lukte niet zelf de kinderen op te vangen, kon er een beroep worden gedaan op de school en/of kinderopvang (dagopvang, BSO, gastouderopvang). Het was dus geen harde eis dat beide ouders een cruciaal beroep uitoefenen.

Vanaf 8 juni 2020 wordt deze noodopvang afgebouwd, omdat de scholen, kinderdagopvang, gastouderopvang en buitenschoolse opvang weer volledig open zijn. Dit geldt ook voor de noodopvang van kwetsbare kinderen. Vanaf 8 juni tot 1 juli 2020 is de noodopvang alleen nog beschikbaar in avond, nacht en weekenden voor ouders die in de zorg werken. Mochten ouders toch behoefte hebben aan extra opvang dan kunnen zij dit op de gebruikelijke manier aanvragen bij kinderopvangorganisaties en gastouders.

De kinderdagopvang (kinderen van 0-4 jaar) en de gastouderopvang (kinderen van 0-12 jaar) zijn al sinds 11 mei 2020 volledig open.

Eigen bijdrage
Ouders die normaliter kinderopvang gebruiken, maar verplicht hun kind thuis moesten houden, moeten wel de gehele factuur aan de kinderopvang voldoen. De kinderopvangsector blijft daarmee in staat goede opvang te verzorgen en kon daardoor ook de noodopvang voor ouders in cruciale beroepen bekostigen.

Inkomenswijziging
In de kinderopvangtoeslag zelf hoeven ouders niets te wijzen, waardoor het recht op kinderopvangtoeslag blijft bestaan. Alleen het doorgeven van een inkomenswijziging blijft in alle gevallen belangrijk, omdat dit leidt tot een andere hoogte van de kinderopvangtoeslag. Wanneer ouders een inkomenswijziging doorgeven voor de eerste dag van de volgende maand, wordt deze wijziging verwerkt in de kinderopvangtoeslag van die volgende maand (uitkering van de kinderopvangtoeslag vindt plaats rond de 20e van de maand).

Bij werkloosheid geldt dat tot drie maanden na het verliezen van werk recht blijft bestaan op kinderopvangtoeslag. Ouders die hun werk verliezen, hoeven dus niet direct hun kind(eren) van de opvang te halen en de plek op de kinderopvang op te geven.

Compensatie
Een deel van de factuur van de kinderopvang heeft betrekking op de inkomensafhankelijke eigen bijdrage die ouders betalen. Het kabinet vindt het onwenselijk om ouders een eigen bijdrage voor kinderopvang te laten betalen terwijl ze daar tijdens de coronacrisis geen gebruik van konden maken. Ouders worden daarvoor gecompenseerd via een aparte landelijk geldende compensatieregeling.

De overheid neemt bij die compensatie het deel van de eigen bijdrage tot de maximum uurprijs voor haar rekening. De kinderopvangorganisaties hebben de intentie uitgesproken het gedeelte tussen de maximum uurprijs en de werkelijke uurprijs, voor zover die hoger ligt, te vergoeden aan de ouders.

Compensatie via de SVB
Voor de compensatie door de overheid is een aparte regeling opgesteld die wordt uitgevoerd in een samenwerking tussen de Belastingdienst/Toeslagen en de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Ambtshalve
Ouders die de kinderopvang door blijven betalen gedurende de sluitingsperiode tot 8 juni 2020, krijgen een vergoeding voor de eigen bijdrage. De Belastingdienst/Toeslagen stelt aan de hand van de gegevens van ouders die bij de Belastingdienst op de peildatum 6 april 2020 of 4 september 2020 bekend zijn, de vergoeding per huishouden ambtshalve vast. Dit betekent dat ouders geen aparte aanvraag hoeven te doen.

Peildatum 6 april 2020 of 4 september 2020
De datum van 6 april en 4 september sluit voor de Belastingdienst/Toeslagen aan op een vast maandelijks peilmoment en maakt het tegelijkertijd mogelijk zo veel mogelijk aan te sluiten op de actuele situatie.

Naast de oorspronkelijke peildatum 6 april is een tweede peildatum 4 september toegevoegd, om de groep van rechthebbende ouders iets te vergroten. Het kan namelijk voorkomen dat ouders over (een deel van) de periode van 16 maart 2020 tot 8 juni 2020 wel recht hebben op kinderopvangtoeslag maar zij op de peildatum 6 april 2020 nog geen kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd. Daarnaast kan het voorkomen dat de toeslag al wel was aangevraagd, maar op 6 april 2020 nog niet verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen, bijvoorbeeld voor een tweede of volgende kind. Er is in die gevallen op 6 april 2020 voor een of meer kinderen geen kinderopvangtoeslag toegekend en om die reden geen of minder tegemoetkoming vastgesteld. Door een tweede berekening te doen op 4 september 2020 komen deze ouders alsnog in aanmerking voor een (hogere) vergoeding.

Ouders aan wie voor het eerst kinderopvangtoeslag is toegekend, ontvangen dan alsnog de vergoeding. Als het ouders betreft aan wie voor een tweede of volgend kind kinderopvangtoeslag is toegekend, ontvangen een aanvulling op de oorspronkelijke vergoeding. De tweede berekening op de peildatum 4 september kan er niet toe leiden dan ouders de vergoeding moeten terugbetalen.

De hoogte van de vergoeding wordt berekend op basis van het aantal kinderen in een huishouden dat gebruik maakt van kinderopvang, het aantal uren dat is doorgegeven (met een maximum van 230 uur per maand per kind), de hoogte van het inkomen en de maximum uurprijs die per soort kinderopvang geldt. De Belastingdienst/Toeslagen geeft diverse gegevens, zoals de hoogte van de vergoeding, het toetsingsinkomen en betaalgegevens, door aan de SVB. Op basis daarvan stuurt de SVB de ouders een beschikking met daarin het bedrag van de vergoeding. Voor vragen over de beschikking moeten ouders contact opnemen met de SVB.

De gegevens bij de Belastingdienst/Toeslagen op de gehanteerde peildata zullen niet altijd volledig aansluiten bij de gegevens in de actualiteit en op de factuur. Voor sommige ouders kan sprake zijn van een beperkte overcompensatie, dan wel een beperkte ondercompensatie. Dit wordt veroorzaakt door een aantal versimpelingen in de regeling, zoals een op de peildatum nog niet verwerkte inkomenswijziging en het uitgaan van de maximum uurprijs in plaats van de werkelijke uurprijs. De vergoeding wordt hier achteraf niet op gecorrigeerd.

Bij substantiële afwijkingen krijgen ouders de mogelijkheid om herziening aan te vragen.

Uitbetaling
De vergoeding wordt in één bedrag door de SVB rechtstreeks aan de ouders uitbetaald over de periode van 16 maart 2020 tot 8 juni 2020. De verwachting is dat de uitbetaling in de maand juli 2020 geschiedt. Een eventuele (na)betaling gebaseerd op de berekening met peildatum 4 september 2020 vindt in oktober 2020 plaats.

Bezwaar en beroep
Voor ouders die het niet eens zijn met de hoogte van de vergoeding en/of de gevolgde procedures staat bezwaar en beroep open. De inhoudelijke beoordeling van herzieningen, bezwaar en beroepszaken zal door de Belastingdienst/Toeslagen plaatsvinden.

Formele grondslag
De regeling is formeel vastgelegd in een zelfstandige algemene maatregel van bestuur (AMvB) die gebaseerd wordt op artikel 89 van de Grondwet. Deze Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO is op 8 mei 2020 in het Staatsblad verschenen. De verlening van de periode waarover de vergoeding wordt toegekend tot 8 juni 2020 en de uitbreiding van de groep van ouders door een tweede peildatum in te voeren, is geregeld met een ministeriële regeling die op 12 juni 2020 in de Staatscourant is verschenen.

Voorschoolse educatie of sociaal-medische indicatie
Voor sommige ouders geldt dat zij bij het gebruik van kinderopvang geen gebruik maken van kinderopvangtoeslag, maar een vergoeding krijgen van de gemeente. Bijvoorbeeld als sprake is van een sociaal-medische indicatie (SIM) of deelname aan voorschoolse educatie of kortdurend peuteraanbod. De eigen bijdrage die ouders voor deze opvang betalen wordt door de gemeente gecompenseerd.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Belastingdienst; nieuwsbericht ministerie van SZW 20-3-2020; brief kabinet noodmaatregelen kinderopvang in verband met Covid-19 25-3-2020, nr. 2020-0000045277; nieuwsbericht Vereniging Nederlandse Gemeenten 6-4-2020; brief staatssecretaris van SZW kinderopvang en Covid-19: update noodopvang en compensatie eigen bijdrage ouders 16-4-2020, nr. 2020-0000054585; brief minister van VWS Covid-19: update stand van zaken 21-4-2020, nr. 1677140-204449-PG; brief staatssecretaris van SZW vaststelling amvb Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvang 4-5-2020, nr. 2020-0000060397; Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, Stb. 2020, 134; nieuwsbericht ministerie van SZW 19-5-2020; Regeling nadere regels inzake de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO, Stcrt. 2020, 31675; brief minister van VWS Covid-19 update stand van zaken 24-6-2020, nr. 1711032-207446-PG

2. Problemen met rente en hypotheekaflossing

Bijgewerkt op 27 april 2020, 10.35 uur

Betaalpauze
Woningeigenaren die problemen hebben met de betaling van hun hypotheeklasten door de coronacrisis kunnen contact opnemen met hun bank voor een oplossing. Banken bieden daarbij maatwerk zodat voor elke klantsituatie de best passende oplossing wordt geboden.

Enkele grote banken bieden een betaalpauze aan van drie tot zes maanden als de betaalproblemen daadwerkelijk zijn veroorzaakt door de coronacrisis. Vaak zijn ook geen kosten of vertragingsrente verschuldigd. Ook is het soms mogelijk slechts gedeeltelijk te betalen.

Banken wijzen erop dat de achterstallige betalingen na de betaalpauze alsnog moeten worden voldaan.

Voor de fiscale gevolgen van de betaalpauze – voor veel hypotheken geldt een aflossingsverplichting van maximaal 360 maanden om de hypotheekrente te mogen aftrekken van de inkomstenbelasting – geldt een versoepeling. Zie daarvoor het deel Maatregelen belastingheffing materieel in dit Dossier Corona.

Woonlastenfaciliteit Nationale Hypotheek Garantie
Een woningeigenaar die de lasten van een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) niet kan dragen wegens de coronacrisis, krijgt ruimte om maximaal 9% van het hypotheekbedrag aan achterstand op te lopen met behoud van NHG.

Dankzij deze mogelijkheid kunnen geldverstrekkers woningeigenaren oplossingen aanbieden met behoud van het vangnet dat NHG biedt. Toekenning en terugbetaling van de achterstand vindt plaats op basis van afspraken tussen geldverstrekker en woningeigenaar.

Geldverstrekkers kunnen de zogenoemde Woonlastenfaciliteit (WLF) aanvragen bij NHG. Als uitstel van betaling wordt verleend of wanneer sprake is van een betalingsachterstand, dan staat NHG via de WLF borg voor een bedrag tot maximaal 9% van de oorspronkelijke hypotheeksom.

Met de WLF geeft NHG zowel de woningeigenaar als de geldverstrekker de ruimte om de betalingsachterstanden langer dan drie maanden op te laten lopen tot in totaal maximaal 9% van de oorspronkelijke lening. Het is aan de geldverstrekker om met de woningeigenaar te bekijken hoeveel ruimte wenselijk en verantwoord is.

Als woningbehoud toch onverhoopt geen optie blijkt, dan biedt NHG een vangnet door een eventuele restschuld kwijt te schelden als de woningeigenaar aan de criteria daarvoor voldoet.

NHG ontwikkelde de WLF tijdens de kredietcrisis. Wegens de coronacrisis zijn de voorwaarden die tijdens de kredietcrisis werden gesteld versoepeld. Zo geeft NHG geldverstrekkers toestemming om de WLF gedurende maximaal drie maanden toetsingsvrij toe te passen. Hierdoor maakt NHG het proces makkelijker en toegankelijker. Als de ontwikkelingen rondom de coronacrisis dit vereisen kan deze periode met drie maanden worden verlengd.

BKR-registratie
Kredietaanbieders blijven verplicht een registratie te doen bij Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR). Ook voor consumenten die een betaalregeling vanwege de coronacrisis met een bank of andere kredietaanbieder afspreken blijft die BKR-registratie gewoon staan.

Als er al een betalingsachterstand bij BKR was gemeld, dan geven kredietaanbieders aan BKR door dat aanvullend daarop een betaalregeling is getroffen.

Als er nog geen betalingsachterstand bij BKR was gemeld, dan vindt alleen een melding van de betaalregeling plaats als het een regeling betreft voor een hypotheek en deze minimaal vier maanden duurt.

Bron: nieuwsbericht Nederlandse Vereniging van Banken (NVB); BKR; websites diverse banken; nieuwsbericht Nationale Hypotheek Garantie (NHG) 22-4-2020; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst aanvullende fiscale maatregelen in verband met covid-19 24-4-2020, nr. 020-0000080433

3. Geen gedwongen woningverkoop gedurende coronacrisis

Bijgewerkt op 7 april 2020, 9.45 uur

Woningeigenaren kunnen door de coronacrisis op korte termijn in de financiële problemen komen en hun hypotheeklasten niet opbrengen. Hypotheekverstrekkers gaan met die eigenaren op zoek naar oplossingen en zullen ten minste tot 1 juli 2020 niet overgaan tot gedwongen verkopen van woningen. Woningeigenaren komen daardoor niet op straat te staan.

Alle verantwoordelijkheden en verplichtingen van de woningeigenaren blijven onverminderd van kracht. Daarnaast vervalt de opschorting van gedwongen verkoop als er sprake is van criminele activiteiten, fraude, oneigenlijk gebruik van de woning of bedreiging.

Woningeigenaren worden opgeroepen actief naar mogelijkheden te zoeken voor ondersteuning bij hun financiële situatie, bijvoorbeeld via het UWV, het aanpassen van de toeslagen die kunnen worden verkregen van de Belastingdienst en door ondersteuning bij de gemeente te vragen.

Oplossingen die hypotheekverstrekkers kunnen bieden is het hanteren van andere betalingstermijnen of het uitstellen van betaling van de hypotheeklasten.

In de periode tot 1 juli 2020 blijft verkoop naar aanleiding van achterstallige betalingen wel mogelijk indien de kredietverstrekker en de woningeigenaar gezamenlijk besluiten dat dit voor beide partijen nu de beste oplossing is. Er zijn namelijk situaties waarin het duidelijk is dat de woningeigenaar ook op lange termijn de vaste hypotheeklasten niet kan dragen en hij op korte termijn een andere geschikte woning kan betrekken.

De opschorting van gedwongen verkoop is afgesproken tussen de minister voor Milieu en Wonen, hypotheekverstrekkers en woonpartijen (Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, Nationale Hypotheekgarantie en Vereniging Eigen Huis).

Bron: nieuwsbericht Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 7-4-2020

4. Spoedwet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten

Bijgewerkt op 25 juni 2020, 10.50 uur

Tijdelijke huurcontracten kunnen door een spoedwet gedurende de coronacrisis voor een tijdelijke periode verlengd worden. Dit regelt de Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten.

Probleem
De huidige wetgeving staat niet toe een tijdelijk huurcontract te verlengen voor een korte periode. Een tijdelijk huurcontract kan alleen verlengd worden tot een contract voor onbepaalde tijd.

Het is voor huurders in deze tijd lastig om te zoeken naar andere woonruimte. Zeker als mensen ook nog te maken hebben met bijvoorbeeld quarantaine, ziekte, ontslag of dubbele diensten in de zorg. Niet alle verhuurders kunnen of willen hun pand voor onbepaalde tijd verhuren. Dat kan de reden zijn het huurcontract op te zeggen, maar het is voor de verhuurder nu ook een lastige tijd om een nieuwe huurder te vinden. Voor beide problemen biedt de spoedwet een oplossing.

Huurder
Huurders krijgen de mogelijkheid een tijdelijke verlenging aan te vragen bij hun verhuurder. De huurder moet dat verzoek schriftelijk doen, uiterlijk één week nadat hij van de verhuurder de huuraanzegging heeft ontvangen en daarbij is geïnformeerd over de mogelijkheid tot huurverlenging.

Als de verhuurder voor 1 april 2020 al afspraken had om bijvoorbeeld de woning te verkopen, te slopen of te renoveren hoeft de verhuurder de huur niet te verlengen. Dit geldt ook als de verhuurder zelf in het huis wil gaan wonen of als de huurder zich niet als goed huurder gedraagt. De verhuurder dient zijn weigering binnen een week na het verzoek van de huurder schriftelijk aan de huurder mee te delen. Als er geen weigeringsgrond is, is de huur van rechtswege verlengd.

Verhuurder
Ook de verhuurder kan het initiatief tot een tijdelijke huurverlenging nemen. De huurder mag dit verzoek van de verhuurder altijd weigeren.

Eenmalige verlenging
De wet gold aanvankelijk voor huurcontracten die eindigen tussen 1 april 2020 en 30 juni 2020. Huurcontracten kunnen eenmalig verlengd worden met maximaal drie maanden en tot uiterlijk 1 september 2020. Maar het kabinet heeft besloten de einddatum 1 september 2020 met twee maanden op te schuiven naar 1 november 2020. Daardoor kunnen ook huurcontracten die eindigen in juli en augustus 2020 worden verlengd. Huurovereenkomsten die al een keer zijn verlengd, kunnen nogmaals worden verlengd, tot uiterlijk 1 november 2020.

De wet geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2020 en vervalt op 1 november 2020.

Bron: nieuwsbericht ministerie van BZK 6-4-2020; Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten, Stb. 2020, 123; brief minister van BZK huurbeleid in tijden van corona: gericht problemen voorkomen 20-5-2020, nr. 2020-0000256075; Besluit verlenging Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten, Stb. 2020, 203

5. Spoedwet tijdelijke huurkorting

Bijgewerkt op 13 juli 2020, 16.15 uur

Het kabinet wil de belemmeringen voor verhuurders wegnemen om een tijdelijke huurkorting te geven aan huurders van een woning. Dit biedt verhuurders de mogelijkheid een maatwerkoplossing te bieden aan huurders die in de betalingsproblemen komen door de coronacrisis. Het kabinet heeft daarvoor een apart wetsvoorstel ingediend.

Wetsvoorstel tijdelijke huurkorting
Volgens de huidige wetgeving kunnen verhuurders al wel de huur verlagen, maar niet na de afgesproken periode weer terugbrengen naar het oorspronkelijke niveau. Het wetsvoorstel maakt dit wel mogelijk.

In het wetsvoorstel wordt onderscheid gemaakt tussen huurders die een woning huren met een gereguleerd huurcontract en huurders die een woning huren met een geliberaliseerd huurcontract.

Het wetsvoorstel regelt twee zaken:

  • Het toestaan van een (hogere) huurverhoging wanneer de verhuurder de huurder eerder op verzoek van de huurder een tijdelijke huurkorting heeft gegeven.
  • Het mogelijk maken van een huurgewenning.

Tijdelijke huurkorting bij huurwoningen met gereguleerd huurcontract
Het wetsvoorstel regelt dat een verhuurder op verzoek van de huurder van een zelfstandige woning een tijdelijke huurkorting, in de vorm van huurverlaging of bevriezing, kan toepassen en vervolgens, de huurprijs na die tijdelijke huurbevriezing of huurverlaging terugbrengt naar het oude niveau. De tijdelijke huurverlaging of huurbevriezing is geen afdwingbaar recht voor huurders.

De tijdelijke huurkorting kan voor periode van één maand tot maximaal drie jaar worden toegepast. Indien de verhuurder ervoor kiest om de tijdelijke huurkorting voor een langere periode toe te passen, kan de huur worden vermeerderd met maximaal de in die periode van tijdelijke huurkorting of huurbevriezing toegestane jaarlijkse huurverhogingen. Deze huurverhoging kan voorafgaand aan of gelijktijdig met de huurverhoging op de gebruikelijke datum (meestal 1 juli) worden toegepast.

De geboden ruimte voor teruggaan naar de huurprijs van vóór de huurverlaging, eventueel vermeerderd met maximaal drie opgeschorte huurverhogingen, wordt beperkt voor gevallen waarin de huurprijs vóór de huurverlaging boven de toen geldende huurtoeslaggrens lag. Voor die gevallen kan de huur na afloop van de tijdelijke huurkorting tot maximaal de actuele huurtoeslaggrens verhoogd worden. Deze beperking geldt alleen voor de zogeheten “inhaalhuurverhoging” na de tijdelijke huurkorting. Een latere reguliere huurverhoging die niet boven het wettelijke maximum van de jaarlijkse huurverhoging uitstijgt, kan dus wel leiden tot een huurprijs boven de dan geldende huurtoeslaggrens.

De beperking van huurverhoging tot maximaal de actuele huurtoeslaggrens dient ertoe om de blijvende betaalbaarheid niet eenzijdig ten laste van de huurtoeslag te laten komen, maar gedeeltelijk ook ten laste van de verhuurder. Hiermee wordt de misbruikgevoeligheid van de tijdelijke huurkorting beperkt.

Alleen als het initiatief voor een tijdelijke huurbevriezing of huurverlaging bij lopende huurcontracten van de huurder is gekomen, ontstaat de mogelijkheid voor de verhuurder om die tijdelijke huurbevriezing of huurverlaging na maximaal drie jaar te beëindigen. De huurder moet dus bij de verhuurder een verzoek om huurbevriezing of huurverlaging indienen. Het verdient aanbeveling dat de huurder voor de bewijsvoering een schriftelijk verzoek doet, waarop de verhuurder vervolgens schriftelijk reageert.

Als de verhuurder na drie jaar de “inhaalhuurverhoging” niet heeft toegepast, wordt de huurkorting permanent.

Tijdelijke huurkorting bij huurwoningen met geliberaliseerd huurcontract
In het geliberaliseerde huursegment wordt de jaarlijkse huurverhoging doorgaans overeengekomen via een indexeringsclausule in het huurcontract. Het staat verhuurders van woningen in het geliberaliseerde huursegment vrij om deze jaarlijkse huurverhoging enige tijd niet bij de huurder in rekening te brengen of de huurprijs tijdelijk te verlagen. Dat is de contractvrijheid bij geliberaliseerde huurcontracten.

Verhuurders kunnen door de bepaling in het Burgerlijk Wetboek dat de huur niet vaker dan eenmaal per twaalf maanden verhoogd mag worden in de veronderstelling verkeren dat zij die bevoegdheid niet hebben.

Daarom regelt het wetsvoorstel dat in het geliberaliseerde huursegment de beperking tot huurverhoging eenmaal per twaalf maanden niet geldt als een tijdelijke huurbevriezing of tijdelijke huurverlaging heeft plaatsgevonden op verzoek van de huurder.

Evenals voor het gereguleerde segment regelt het wetsvoorstel dat wanneer de verhuurder de huur heeft verlaagd tot onder de geldende huurtoeslaggrens, de huur daarna niet mag stijgen boven de op de datum van de “inhaalhuurverhoging” geldende huurtoeslaggrens.

Huurgewenning bij zelfstandige huurwoningen met gereguleerd huurcontract
Het wetsvoorstel regelt ook dat de huur van zelfstandige woningen (in stappen) mag worden verhoogd tot de bij het aangaan van het gereguleerde huurcontract overeengekomen (aanvangs)huurprijs.

Dit betekent dat in de eerste maximaal drie jaar van de huurovereenkomst een lagere huur dan de overeengekomen aanvangshuurprijs in rekening kan worden gebracht. Daardoor kan de huurprijs in die periode (stapsgewijs) naar die overeengekomen huurprijs gebracht worden (ook wel huurgewenning genoemd). Deze huurgewenning naar de overeengekomen aanvangshuurprijs kan zowel op initiatief van de huurder als de verhuurder worden overeengekomen.

Een dergelijke tijdelijke korting op de overeengekomen huurprijs bij verhuizing (huurgewenning) kan bijvoorbeeld bijdragen aan de doorstroming van huurders met een seniorenleeftijd.

Anticiperen op wetsvoorstel
Huurders kunnen nu al hun verhuurder verzoeken om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de spoedwet, een tijdelijke huurkorting af te spreken. Het is aan de verhuurder, waaronder woningcorporaties, om te bepalen of deze tegemoet komt aan dit verzoek.

Het kabinet hoopt op een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel door het parlement. Daarmee krijgen verhuurders zo snel mogelijk zekerheid over deze wettelijke mogelijkheid en bestaat er geen belemmering om op basis van coulance nu al een tijdelijke huurkorting te verlenen.

Het kabinet heeft ook met de Autoriteit woningcorporaties overlegd over het wetsvoorstel. Woningcorporaties kunnen daardoor nu al medewerking verlenen aan verzoeken van huurders om een tijdelijke huurkorting. Woningcorporaties dienen bij hun besluit om al dan niet een tijdelijke huurkorting toe te passen rekening te houden met de financiële mogelijkheden.

Huurtoeslag
Als een verhuurder instemt met een verzoek tot tijdelijke huurkorting, is het aan een huurder die huurtoeslag ontvangt om de tijdelijke huurkorting door te geven aan de Belastingdienst. Een tijdelijke huurkorting kan namelijk gevolgen hebben voor de huurtoeslag die een huurder ontvangt.

Bron: brief minister van BZK huurbeleid in tijden van corona: gericht problemen voorkomen 20-5-2020, nr. 2020-0000256075; wetsvoorstel tijdelijke huurkorting (TK 35516)

6. Financiële maatregelen voor scholieren en studenten

Bijgewerkt op 22 juli 2020, 12.30 uur

Het noodpakket banen en economie dat het kabinet op 17 maart 2020 bekend maakte bevatte geen specifieke maatregelen voor de financiële positie van studenten. Het kabinet verwees studenten naar DUO voor vragen omtrent hun financiën tijdens de coronacrisis. Op 14 april 2020 en 15 mei 2020 kwam het kabinet toch met nadere specifieke maatregelen voor studenten en scholieren.

DUO
Dienst uitvoering onderwijs (DUO) wil studenten en oud-studenten helpen die door het coronavirus in (financiële) problemen komen. DUO noemt een aantal al bestaande wettelijke mogelijkheden.

Studiefinanciering
De volgende al bestaande wettelijke mogelijkheden voor studenten zijn:

  • Een student die nog niet maximaal leent, kan (tijdelijk) zijn lening verhogen. Dit kan met terugwerkende kracht tot de start van dit studiejaar.
  • Een student kan wellicht een aanvullende beurs aanvragen. De aanvullende beurs hangt af van het inkomen van de ouders. Aanvragen kan met terugwerkende kracht tot de start van het studiejaar.
  • Een student die al een aanvullende beurs ontvangt en van wie het inkomen van de ouders in 2020 daalt kunnen peiljaarverlegging toepassen. Ouders moeten dan peiljaarverlegging naar 2020. Dit kan in een hogere aanvullende beurs resulteren.
  • Studenten aan het hoger onderwijs (hbo of universiteit) kunnen extra lenen voor het collegegeld: het collegegeldkrediet.

Terugbetalen studieschuld
De volgende al bestaande wettelijke mogelijkheden voor terugbetalers zijn:

  • Als een oud-student in de problemen komt met het aflossen van zijn studieschuld, kan hij een aflosvrije periode aanvragen, wat voor maximaal vijf jaar gedurende de terugbetaalperiode mogelijk is. Als deze periode al is gebruikt of als de oud-student al een betalingsregeling heeft afgesloten, zal DUO coulant omgaan met de situatie.
  • Als het inkomen van een oud-student daalt in 2020 kan hij peiljaarverlegging naar 2020 aanvragen. Het maandelijks aflossingsbedrag wordt dan misschien lager of zelfs nihil.

OV-studentenkaart
Iedere student die een opleiding volgt aan een hogeschool of universiteit én in maart 2020 recht had op een studentenreisproduct, ontvangt drie maanden extra reisrecht binnen het recht op studiefinanciering. Studenten die een mbo-opleiding volgen, ontvangen géén extra reisrecht omdat zij standaard al langer reisrecht hebben dan studenten in het hoger onderwijs.

Een student hoeft zijn studentenreisproduct nu niet stop te zetten om gebruik te kunnen maken van de drie extra maanden reisrecht. Als een student langer studeert dan de nominale studieduur plus één jaar, gaan de drie extra maanden recht automatisch in.

Financiële tegemoetkoming studenten
In het mbo en hoger onderwijs wordt zoveel mogelijk onderwijs op afstand gegeven tijdens de coronacrisis. Ondanks dat blijft vertraging bij studies met stages, coschappen en practica onvermijdelijk. Voor studenten in hun laatste jaar is het ook niet mogelijk om hun achterstand weer in te lopen in de latere jaren van hun opleiding. Daarom heeft het kabinet twee tegemoetkomingen voor studenten ingesteld.

Tegemoetkoming studievertraging
Alle studenten van 18 jaar of ouder die zich komend studiejaar opnieuw moeten inschrijven en afstuderen tussen augustus 2020 (mbo) of september 2020 (hoger onderwijs) en eind januari 2021 krijgen een bedrag dat neerkomt op ongeveer drie maanden les-, cursus- en collegegeld.

Dat betekent voor bbl-student in het mbo € 150, voor een bol-student in het mbo € 300 en voor een student in het hoger onderwijs € 535. Het bedrag wordt automatisch eenmalig in het eerste kwartaal van 2021 uitbetaald. Als een student meerdere diploma’s behaalt, wordt uitsluitend het hoogste bedrag toegekend. Een student die een bachelordiploma aan de universiteit behaalt is uitgesloten van de tegemoetkoming.

Mocht een student die wel voldoet aan de criteria de tegemoetkoming toch niet hebben ontvangen, dan moet hij een aanvraag indienen. Die aanvraag kan pas na 1 april 2021 worden gedaan.

De tegemoetkoming ziet alleen op compensatie van (een gedeelte van de) kosten voor les-, cursus- en collegegeld in het bekostigd onderwijs. De bekostigde onderwijsinstellingen mogen namelijk zelf geen compensatie hiervoor geven aan studenten. Het niet-bekostigd onderwijs bepaalt zelf de tarieven en kan studenten eventueel zelf een compensatie geven indien het onderwijs vertraging oploopt.

Tegemoetkoming afloop (aanvullende) beurs
Studenten van 18 jaar of ouder van wie het recht op basisbeurs (in mbo-bol 3 en 4) en aanvullende beurs (mbo-bol 3 en 4 en hoger onderwijs) in juni, juli, augustus of september 2020 afloopt, ontvangen automatisch eenmalig in september 2020 financiële steun. De tegemoetkomingen geldt ook voor studenten aan wie verlenging van de prestatiebeurs is toegekend. Wanneer die verlengde prestatiebeurs eindigt in een van de genoemde maanden, dan behoren zij ook tot de doelgroep.

Voor mbo(bol) studenten met een basisbeurs betekent dit € 800. Ontvangen zij (ook) een aanvullende beurs, dan is de tegemoetkoming € 1200 bij alleen een aanvullende beurs of € 2000 bij zowel basisbeurs als aanvullende beurs. Voor studenten in het hoger onderwijs met een aanvullende beurs bedraagt de eenmalige ondersteuning € 1500.

Mocht een student wel voldoen aan de criteria, maar de tegemoetkoming toch niet hebben ontvangen, dan moet hij een aanvraag indienen. Die aanvraag kan pas na 1 november 2020 worden gedaan.

Tweede Verzamelspoedwet COVID-19
De Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 biedt de wettelijke basis voor deze tegemoetkomingen, die in een ministeriële regeling nader zijn geregeld.

DUO voert de tegemoetkomingsregeling uit.

Onderwijsachterstand/zomerscholen
Scholen in het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs krijgen financiële hulp bij het bieden van hulp en maatwerk voor scholieren en studenten die door de coronacrisis extra ondersteuning nodig hebben. Het kabinet heeft hiervoor de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 in het leven geroepen. 

Hiermee kunnen aanbieders van voorschoolse educatie en scholen in de periode van de zomervakantie 2020 tot en met de zomervakantie 2021 scholieren en studenten ondersteunen om zo onverhoopte achterstanden in te lopen door extra programma’s aan te bieden naast de reguliere onderwijstijd. 

De invulling van het extra aanbod kan variëren, afhankelijk van de behoefte van scholieren en studenten: het kan gaan om het bijspijkeren van algemeen vormende of beroepsgerichte vakken of om extra aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit kan in de vorm van zomerscholen, herfstscholen, weekendscholen of verlengde schooltijd, maar ook andere opties zijn hierbij denkbaar. Scholen kunnen ervoor kiezen om dit uit te besteden.

De regeling is ook bedoeld voor extra ondersteuning of begeleiding bij de beroepspraktijkvorming. In het mbo kunnen instellingen ook extra activiteiten, begeleiding of faciliteiten ontwikkelen of aanbieden om het wegvallen van mogelijkheden om praktijkervaring op te doen, te ondervangen.

Het kabinet maakt hier € 244 miljoen voor vrij.

Stages en leerwerkbanen
Voor mbo-studenten moeten er tijdens maar ook na afloop van de coronacrisis voldoende stages en leerwerkbanen zijn. Daarom krijgen bedrijven die leerwerkbanen aanbieden een voorschot op hun subsidie.

Daarnaast wordt de subsidie voor leerwerkbedrijven in conjunctuur- en contactgevoelige sectoren verhoogd. Zo blijft het voor deze bedrijven ook aantrekkelijk om leerwerkbanen te blijven aanbieden. Daarnaast wordt extra geïnvesteerd om zoveel mogelijk bedrijven te overtuigen stages en leerwerkbanen aan te blijven of gaan bieden voor het beroepsgerichte onderwijs.

Het kabinet trekt hier € 30 miljoen voor uit.

Nieuwkomers
Nieuwkomers in het onderwijs spreken de Nederlandse taal vaak nog niet goed. Voor hen is het afstandsonderwijs minder effectief gebleken dan voor leerlingen die het Nederlands wel machtig zijn.
Om deze achterstanden aan te pakken stelt het kabinet € 21 miljoen beschikbaar.

Noodpakket
Voor zover een student actief is op de arbeidsmarkt kan hij gebruik maken van de in het noodpakket banen en economie opgenomen regelingen.

Bron: DUO; brief minister van OCW COVID-19 aanpak hoger onderwijs 19-3-2020, nr. 23816348; brief minister van Financiën beantwoording van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer over de Incidentele Suppletoire Begroting Financiën voor het economische noodpakket Corona 24-3-2020, nr. 2020-0000059533; brief minister van OCW Corona en het studentenreisproduct 14-4-2020, nr. 23974090; nieuwsbericht ministerie van OCW 15-5-2020; brief minister van OCW compensatie studenten en ondersteuningsmaatregelen onderwijs COVID-19 15-5-2020, nr. 24300801; Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021, Stcrt. 2020, 28472; Tweede Verzamelspoedwet COVID-19, Stb. 2020, 245, 246; Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19, Stcrt. 2020, 38900

7. Convenant ‘bijzondere bijstand buitenland’ voor gestrande Nederlanders

Bijgewerkt op 28 april 2020, 16.00 uur

In het buitenland gestrande Nederlandse reizigers kunnen een beroep doen op hulp bij een veilige terugkeer naar Nederland of – waar dat onverhoopt niet mogelijk is – in urgente gevallen tijdelijke ondersteuning om een veilig verblijf in het land in kwestie mogelijk te maken.

Dit hebben de reisbranche, de verzekeraars, luchtvaartmaatschappijen en de Rijksoverheid in een convenant afgesproken. Voor de uitvoering van het convenant richten de verzekeraars, de reisbranche en de Rijksoverheid een bijzondere financiële voorziening in ter grootte van maximaal € 10 miljoen (incl. btw voor zover van toepassing) om, waar nodig, tijdelijk – tot in elk geval eind april 2020 – de kosten te dragen voor de vormgeving van deze ‘bijzondere bijstand buitenland’ aan gestrande Nederlanders wereldwijd.

Het convenant omvat de volgende afspraken:

  • De Nederlandse reisorganisaties en vervoerders zullen zich maximaal inzetten voor het veilig laten terugkeren van al hun eigen klanten in de komende periode. De gebruikelijke uitgangspunten en (wettelijke) kaders blijven daarbij behouden.
  • Op basis van deze samenwerking is er een centrale ‘voorkant’ (www.bijzonderebijstandbuitenland.nl met telefoonnummer +31 247 247 247) als entree naar hulp en registratie voor in het buitenland gestrande Nederlandse reizigers die geen beroep kunnen doen op een reisorganisatie of vervoerder. De registratie is per 8 april 2020 gesloten.
  • De gezamenlijke Nederlandse alarmcentrales zullen de Rijksoverheid en de vervoerders ondersteunen om deze Nederlandse reizigers veilig terug te laten keren naar Nederland en bieden ook ondersteuning voor het regelen van veilig verblijf als terugkeer voorlopig niet mogelijk is.
  • De Nederlandse reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen spannen zich maximaal ervoor in om geen Nederlandse reizigers ‘achter’ te laten. De hulp geldt in beginsel niet voor (semi-)duurzaam in het buitenland gevestigde Nederlanders.
  • De Rijksoverheid zal zich met inzet van het Nederlandse diplomatieke netwerk ervoor inzetten om landingsrechten zeker te stellen voor terugkeervluchten.
  • De Rijksoverheid zal zich ervoor inzetten om in voorkomend geval flexibiliteit te betrachten bij toepassing van de bestaande wettelijke kaders, waaronder met name wettelijke verplichtingen omtrent arbeidsomstandigheden en vliegtijden, zonder de vliegveiligheid in gevaar te brengen.
  • De Nederlandse luchtvaartsector zet zich in om tegen kostprijs van de daadwerkelijke vluchten capaciteit beschikbaar te stellen voor reisorganisaties, reizigers en alarmcentrales.
  • Voor de deelnemende alarmcentrales bestaat de mogelijkheid om hun inzet tegen maximaal de afgesproken kostprijs ten laste van de financiële voorziening te brengen.

Nederlandse reizigers die een beroep doen op deze ‘bijzondere bijstand buitenland’ moeten een eigen financiële bijdrage leveren, van respectievelijk € 300 (Europa en aangrenzende landen) en € 900 (intercontinentaal) per persoon.

Tot de aangrenzende landen van Europa worden gerekend Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bosnië en Herzegovina, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Montenegro, Noord-Macedonië, Noorwegen, Oekraïne, Rusland, Servië, Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte en Turkije.

Extra noodzakelijk verblijf in het buitenland komt in beginsel voor eigen rekening, als geen aanspraak kan worden gemaakt op een ANVR-regeling of verzekeringsdekking. Ook andere kostenposten, zoals telefoonkosten, komen voor rekening van de reiziger. Voor een efficiënte inning van de eigen bijdragen worden nadere incasso-afspraken gemaakt, waarbij incasso achteraf als uitgangspunt geldt.

De volgende partijen hebben het convenant ondertekend:

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken;
  • Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;
  • Het Verbond van Verzekeraars;
  • Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR);
  • Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM);
  • Transavia Luchtvaartmaatschappij;
  • TUI Nederland N.V.;
  • Corendon International Travel B.V.;
  • De Gezamenlijke Nederlandse Alarmcentrales (ANWB, SOS International, Eurocross, Allianz Global Assistance);
  • Calamiteitenfonds Reizen;
  • SGR.

 

Bron: brief minister van Buitenlandse Zaken convenant Bijzondere Bijstand Buitenland 23-3-2020, nr. BZDOC-504293068-42; brief minister van Buitenlandse Zaken beantwoording feitelijke vragen inzake convenant Bijzondere Bijstand Buitenland 25-3-2020, nr. BZDOC-1614376777-73; brief minister van Buitenlandse Zaken stand van zaken Bijzondere Bijstand Buitenland 26-4-2020, nr. BZDOC- 1361251408-68

8. Maatregelen persoonsgebonden budget

Bijgewerkt op 7 juli 2020, 11.15 uur

De gevolgen van de coronacrisis voor zowel cliënten als zorgaanbieders van een persoonsgebonden budget (pgb) zijn ingrijpend. Het ministerie van VWS heeft in samenwerking met Zorgverzekeraars Nederland, de zorgkantoren en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een tijdelijk pakket aan maatregelen voor budgethouders en hun zorgverleners in de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgesteld.

Het belangrijkste doel van de maatregelen is dat de zorg voor budgethouders ondanks de coronacrisis moet door kunnen gaan. De regelgeving voor het pgb is daarom tijdelijk versoepeld.

Pgb langdurige zorg

Inkoop meer zorguren bij door budgethouder gecontracteerde zorgverlener
Budgethouders kunnen met het formulier 'Extra kosten als gevolg van Corona' bij het zorgkantoor een toeslag aanvragen voor de extra kosten als gevolg van het coronavirus. Dit geldt voor de inzet van professionele en niet-professionele zorgverleners.

Het zorgkantoor beoordeelt het aangevraagde extra budget en laat weten of het bedrag wordt toegekend. Vanaf dat moment kan de budgethouder deze zorg inzetten. Een gewijzigd uurtarief moet de budgethouder via het wijzigingsformulier van de SVB doorgeven.

Inzet vervangende zorg
Budgethouders kunnen bij het zorgkantoor nieuwe of vervangende zorg aanvragen. Wordt deze aanvraag toegekend, dan start het administratieve traject rond de zorgovereenkomst parallel aan de zorgverlening. De financiering wordt met terugwerkende kracht geregeld. De zorg die verleend is tot het moment van definitieve beoordeling van de zorgovereenkomst en zorgbeschrijving wordt in ieder geval vergoed.

De formele regelgeving is op deze inzet van vervangende zorg aangepast en geldt voor de extra kosten die de budgethouder maakt in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 december 2021.

Doorbetalen van zorgverlener, ook voor tijdelijk niet geleverde zorg
Het is mogelijk om niet-geleverde zorg door te betalen. Hierdoor behoudt de budgethouder de zorgverlener voor het moment dat deze de zorg wel weer kan leveren. Een voorwaarde is dat de budgethouder zelf bijhoudt welke zorg niet geleverd wordt, maar wél betaalt.

Het declareren van niet-geleverde zorg is uitsluitend mogelijk als de zorg door de coronamaatregelen niet is geleverd in de periode 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020. De budgethouder moet de niet-geleverde zorg via het reguliere proces declareren en hiervan een administratie bijhouden.

De budgethouder kan daarbij gebruik maken van het formulier “Registratie declaratie niet-geleverde zorg”. Het is niet verplicht om dit formulier te gebruiken, maar het kan wel dienen als hulpmiddel, omdat op dit formulier ook de gegevens vermeld worden die de budgethouder na een verzoek daartoe van het zorgkantoor moet aanleveren aan de SVB. Als het zorgkantoor een dergelijk verzoek doet (een overzicht van het totaal van alle gedeclareerde, maar niet-geleverde zorg), moet wel van een verplicht gesteld formulier gebruik worden gemaakt.

Contact met het zorgkantoor
Budgethouders kunnen vanaf 7 april 2020 de toeslag voor extra kosten vanwege corona aanvragen bij het zorgkantoor in de eigen regio. Daar kunnen zij ook terecht bij veranderingen in hun zorg en/of ondersteuning.

Kleinschalig wooninitiatief
De Branchevereniging Kleinschalige Zorg (BVKZ) heeft gesignaleerd dat de kabinetsmaatregelen niet in alle gevallen toereikend zijn om financiële problemen bij kleinschalige pgb-gefinancierde Wlz-wooninitiatieven te voorkomen. Het betreft hier met name financiële problemen die ontstaan als bewoners overlijden en op korte termijn nog geen nieuwe bewoners zijn. Door het overlijden van een budgethouder vervalt het pgb en is het niet mogelijk de kosten van zorgpersoneel uit dit pgb door te betalen.

Daarom komt er een compensatie via de Extra Kosten Corona regeling (EKC-regeling). Deze EKC-regeling wordt uitgebreid voor pgb-houders in kleinschalige wooninitiatieven die door leegstand in financiële nood raken. De overgebleven pgb-houders in het wooninitiatief kunnen dan tijdelijk extra budget krijgen om een deel van de weggevallen zorginkomsten van het wooninitiatief te compenseren.

Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een tegemoetkoming van dat deel van de weggevallen zorginkomsten dat nodig is om de continuïteit van zorg in het wooninitiatief te waarborgen. Overige inkomsten die het initiatief misloopt, zoals huurinkomsten, worden en kunnen niet uit het pgb worden gecompenseerd. Zorg en wonen is immers gescheiden bij het pgb, waardoor huur nooit met een pgb betaald mag worden.

Pgb maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg

Inkoop meer zorguren bij door budgethouder gecontracteerde zorgverlener
Binnen het pgb is het mogelijk om binnen het budget meer of minder uren zorg bij een zorgverlener in te kopen voor zover dit past binnen de ruimte van een bestaande zorgovereenkomst.

Gemeenten maken eigen beleid in hoeverre hier vooraf toestemming nodig is van de gemeente. Wanneer een ophoging van het pgb nodig is voor de inkoop van extra zorg, neemt de budgethouder contact op met de gemeente. De afspraak is dat als meer inzet vanuit het pgb nodig is vanwege de coronamaatregelen, dit ook mogelijk wordt gemaakt. Dit wordt dan gezien als meerkosten vanwege de coronamaatregelen. De budgethouder stemt dit van tevoren af met de gemeente.

Per direct vervangende formele zorg inkopen als de pgb-zorg/ondersteuning wegvalt
Met deze maatregel wordt mogelijk gemaakt dat de zorgverlening direct gestart kan worden vóórdat de zorgovereenkomst volledig is goedgekeurd. Ook hier geldt dat het van belang is dat de budgethouder het inzetten van vervangende zorg eerst afstemt met de gemeente. Vervolgens verloopt het goedkeuringstraject van de zorgovereenkomst parallel aan de zorgverlening en wordt met terugwerkende kracht de financiering geregeld.

Het uitgangspunt blijft dat de budgethouder en zijn/haar omgeving eerst samen met de aanbieder vaststelt of een alternatief voor de zorg noodzakelijk is. Mogelijk kan de gecontracteerde zorgaanbieder zélf een alternatief organiseren. Vervolgens dient de budgethouder contact op te nemen met de gemeente om goedkeuring te krijgen voor de vervangende formele zorg.

Doorbetalen niet-geleverde zorg
VWS en de VNG hebben afspraken gemaakt over het doorbetalen van gecontracteerde natura-zorgaanbieders, ook als de zorg en ondersteuning niet (op een andere manier) wordt geleverd. Deze zijn bedoeld om de zorgstructuur en de zorgcontinuïteit voor de toekomst te borgen.

Zorgaanbieders moeten echter eerst onderzoeken of ze de zorg op een andere wijze kunnen leveren zodat deze maatregel niet nodig is.

Voor zorgaanbieders, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg in het gemeentelijk domein zijn de bestuurlijke afspraken met de VNG voorliggend en kan geen gebruik worden gemaakt van de overige kabinetsmaatregelen uit het noodpakket banen en economie. Er mag dus uitdrukkelijk niet van beide maatregelen tegelijkertijd gebruik worden gemaakt.

Parallel hieraan volgt de maatregel om ongeacht het type contract het doorbetalen van niet-geleverde zorg mogelijk te maken. Hiervoor zal, indien nodig en na akkoord van de gemeente, het budget worden opgehoogd. Voorwaarde voor het gebruik kunnen maken van deze financiering is dat de budgethouder zelf gaat bijhouden welke zorg niet geleverd is, maar wel is doorbetaald.

Voor het aanleveren en administreren van deze niet-geleverde maar wel gedeclareerde zorg gelden dezelfde regels als hiervoor vermeld bij het pgb langdurige zorg.

Formele zorg (een-op-een) vervangen door betaalde informele zorg
Als de formele zorg om welke reden dan ook niet geleverd kan worden, is het zaak dat de zorgverlener samen met de budgethouder onderzoekt welke ondersteuning er wél kan worden geboden. Als deze zorgverlener niets kan betekenen, zal de budgethouder met diens omgeving op zoek gaan naar een alternatief. Een-op-een vervanging van formele zorg voor informele zorg, is niet vanzelfsprekend. Dit is omdat formele zorg is ingezet vanwege noodzakelijke competenties en vaardigheden, gestelde kwaliteitseisen en het feit dat de richtlijnen van het RIVM moeten worden gevolgd inclusief het gebruik van beschermingsmaatregelen.

Bij uitzondering kan een gemeente hiervan afwijken en toestemming geven voor de inzet van vervangende informele zorg.

Pgb Zorgverzekeringswet
Het Zvw-pgb is een gemaximeerde vergoeding voor de kosten die de budgethouder maakt voor verpleging en verzorging. Het Zvw-pgb werkt als restitutie: de zorgverzekeraar verstrekt, naar aanleiding van een declaratie van de budgethouder, een vergoeding voor de aan de budgethouder verleende zorg.

Zorgverzekeraars kunnen ook zorg vergoeden die niet geleverd is. Daarvoor moet aan een drietal cumulatieve voorwaarden zijn voldaan:

  • Het gaat om zorg die – in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 – niet is verleend door de coronamaatregelen.
  • De zorgverlener heeft deze niet-geleverde zorg bij de budgethouder in rekening gebracht.
  • De zorgverlener is hiervoor niet op een andere wijze gecompenseerd.

De budgethouder moet via een door de zorgverzekeraar beschikbaar gesteld formulier een administratie bijhouden van de wel betaalde, maar niet-geleverde zorg en dit desgewenst aan de zorgverzekeraar overhandigen.

Als de SVB de budgethouder ondersteunt bij het verkrijgen van vergoedingen van de zorgverzekeraar en voor zijn werkgeverstaken of opdrachtgeverschap, zorgt de SVB voor het declareren en incasseren bij de zorgverzekeraar, maar de budgethouder is verplicht hiervan de administratie bij te houden.

Gecoördineerde aanvraag voor persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
Het ministerie van VWS heeft de inkoop en verdeling van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) centraal georganiseerd. Dit geldt voor alle soorten zorg. In het geval van een corona-besmetting heeft het RIVM richtlijnen opgesteld voor de zorg die buiten het ziekenhuis plaatsvindt, zoals bij de zorgverlening aan budgethouders. Deze zijn leidend in de aanvraag en verdeling van PBM, zoals handschoenen, desinfectiemiddelen en mondkapjes.

Sommige budgethouders hebben, ongeacht de huidige situatie, voor de dagelijkse zorg PBM nodig. VWS heeft deze twee doelgroepen, zorgverleners die te maken krijgen met corona en zorgverleners die regulier ook gebruik maken van PBM, specifiek onder de aandacht gebracht bij de regiocoördinatoren. De regiocoördinatoren hebben aangegeven de vraag voor PBM graag gebundeld te ontvangen. 

Bron: brief Zorgverzekeraars Nederland 23-3-2020, nr. B-20-5241; nieuwsbericht Zorgverzekeraars Nederland 3-4-2020; notitie VNG Coronacrisis: Specifieke maatregelen pgb jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning 3-4-2020; brief minister van VWS Covid-19 update stand van zaken 24-6-2020, nr. 1711032-207446-PG; Regeling minister van VWS doorbetalen van niet-geleverde jeugdhulp, zorg of ondersteuning indien deze op grond van de maatregelen als gevolg van Covid-19 niet is verleend en het verhogen van het Wlz-pgb indien naar aanleiding van deze maatregelen de inkoop van extra zorg nodig is 29-6-20220, Stcrt. 2020, 35696

9. Geen eigen bijdrage Wmo

Bijgewerkt op 22 april 2020, 10.15 uur

Door de coronacrisis kan het voorkomen dat zorg en ondersteuning niet of niet meer op de gebruikelijke wijze wordt geleverd. Aan zorgaanbieders is gevraagd waar mogelijk volwaardige alternatieve vormen van zorg en ondersteuning te bieden. Het kan ook voorkomen dat zorg en ondersteuning in zijn geheel geen doorgang kan vinden, op verzoek van de cliënt, of als resultaat van overleg van aanbieder en cliënt.

Deze situatie doet zich voor bij voorzieningen die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) toegekend zijn, in het bijzonder bij hulp bij het huishouden en bij voorzieningen als begeleiding en dagbesteding.

Cliënten in de Wmo betalen in 2020 als regel het vaste abonnementstarief van € 19 per maand voor ondersteuning, ongeacht het aantal voorzieningen dat zij op grond van de Wmo ontvangen. Als de beoogde Wmo-ondersteuning feitelijk in een maand niet wordt geboden, geldt conform het zogenoemde “start-stopbeleid” dat de eigen bijdrage die maand dan niet wordt gefactureerd.

Onverkorte toepassing van dit start-stopbeleid tijdens de coronacrisis zou echter betekenen dat gemeenten – in overleg met aanbieders – voor het totale cliëntenbestand Wmo zouden moeten bezien in welke individuele situaties de eigen bijdrage gestopt en weer gestart zou moeten worden. Dit leidt onherroepelijk tot veel onduidelijkheid, discussies en bezwaarprocedures en bezorgt daarmee alle betrokken partijen een onevenredig grote (administratieve) uitvoeringslast.

Het kabinet heeft daarom besloten dat Wmo-cliënten in elk geval voor de maanden april en mei 2020 geen eigen bijdrage hoeven te betalen.

Dit geldt niet voor cliënten met de voorzieningen beschermd wonen en opvang. Voor beschermd wonen geldt dat er geen signalen zijn over het in groten getale stoppen van voorzieningen. Bij opvang is de heffing van de bijdrage gekoppeld aan het gebruik, waardoor automatisch geen bijdrage verschuldigd is wanneer de opvang niet wordt gebruikt.

Cliënten worden niet vrijgesteld van de verschuldigde eigen bijdragen voor verstrekte hulpmiddelen en woningaanpassingen, maar de eigen bijdrage daarvan wordt om uitvoeringstechnische redenen gedurende deze maanden niet geïnd.

Het CAK informeert cliënten op korte termijn over het kabinetsbesluit en draagt zorg voor een correcte administratieve afhandeling en lastenverlichting voor gemeenten, zorgaanbieders en burgers.

Bron: brief minister van VWS Covid-19: update stand van zaken 21-4-2020, nr. 1677140-204449-PG

10. Verlaging maximale kredietvergoeding

Bijgewerkt op 20 juli 2020, 11.00 uur

Verschillende banken hebben in de afgelopen tijd de tarieven op rood staan verlaagd naar een percentage van circa 10%. Banken hebben hiermee een positieve stap gezet. Maar het kabinet vindt het belangrijk dat consumenten met andere kredietvormen dezelfde ruimte wordt geboden.

Daarom heeft het kabinet ook de formele regelgeving aangepast om te borgen dat alle kredietaanbieders tijdens de coronacrisis redelijke tarieven rekenen aan consumenten die in financiële problemen komen.

Verlaging maximale kredietvergoeding
Dit wettelijke maximale kredietvergoeding is opgebouwd uit een wettelijke rente van 2% en een opslag. Het kabinet heeft de opslag per 10 augustus 2020 verlaagd van 12 naar 8 procentpunten. Daarmee komt de maximale kredietvergoeding per 10 augustus 2020 uit op 10%.

De verlaging van de opslag geldt vooralsnog tot 1 maart 2021, maar deze einddatum kan het kabinet nog maximaal zes maanden opschuiven. Na deze datum wordt de maximale kredietvergoeding weer verhoogd naar 14%.

Nieuwe leningen en nieuwe opnames
De verlaagde kredietvergoeding is van toepassing op nieuwe leningen die consumenten afsluiten. Ook nieuwe opnames binnen de kredietlimiet van reeds afgesloten doorlopende kredieten, kunnen alleen nog worden verstrekt tegen maximaal het verlaagde rentepercentage.

Voor reeds afgesloten kredieten waarbij het uitstaande saldo afloopt, blijft de maximale kredietvergoeding gelden die van toepassing was voor de verlaging.

Consumptief krediet
In Nederland is de totale kredietvergoeding (rente en kosten) voor consumptief krediet aan een jaarlijks maximum gebonden (vanaf 10 augustus 2020 dus 10%). Er mogen geen additionele kosten worden berekend. De maximale kredietvergoeding geldt voor alle soorten consumptief krediet. Dit betreft bijvoorbeeld rood staan, sociale kredieten van gemeentelijke kredietbanken, gespreid betalen met een creditcard of een persoonlijke lening voor de financiering van bijvoorbeeld een auto.

Het bestaan van de maximale kredietvergoeding betekent niet dat kredietverstrekkers ook altijd de maximale rente vragen, hier zitten grote verschillen in.

Bron: brief minister van Financiën verlaging van de maximale kredietvergoeding 18-5-2020, nr. 2020-0000085731; Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding, Stb. 2020, 272

11. Uitkeringen Stichting Zorg na Werk in Coronazorg (ZWiC)

Bijgewerkt op 27 mei 2020, 12.30 uur

De Stichting Zorg na Werk in Coronazorg (ZWiC) is een privaat fonds dat aan zorgmedewerkers of hun nabestaanden een eenmalige uitkering verstrekt. Het fonds wordt gevoed door giften van burgers, instanties en bedrijven (www.geefvoorzorgverleners.nl). Het kabinet heeft toegezegd dit particuliere initiatief financieel te ondersteunen tot een verdubbeling van maximaal € 10 miljoen.

ZWiC heeft de ANBI-status.

Eenmalige uitkering
Zorgverleners die door hun werk in de coronazorg op de intensive care terecht komen, kunnen aanspraak maken op een eenmalige uitkering van € 30.000. Nabestaanden van zorgverleners die door hun werk in de coronazorg zijn overleden, kunnen aanspraak maken op een eenmalige uitkering van € 50.000.

Het kabinet heeft aangegeven wat de gevolgen zijn op fiscaal gebied en voor de toeslagen voor ontvangers van een uitkering van ZWiC.

Geen belast loon/geen box 1
Omdat sprake is van een eenmalige verstrekking door een private partij, zonder bemoeienis van de werkgever of beloningsbedoeling, vormt de ZWiC-uitkering geen te belasten loon. Het eenmalige karakter leidt er bovendien toe dat de uitkering ook anderszins geen inkomensbestanddeel voor de inkomstenbelasting (box 1) vormt.

Wel box 3
Op de peildatum 1 januari van kalenderjaren na het jaar van ontvangst, maakt de uitkering – voor zover deze nog niet is besteed – deel uit van de rendementsgrondslag van box 3 van de inkomstenbelasting. Voor zover het vermogen in box 3 meer bedraagt dat het heffingvrije vermogen, is vermogensrendementsheffing van box 3 verschuldigd. Het heffingvrije vermogen in box 3 is in 2020 € 30.846 voor alleenstaanden en € 61.692 voor fiscaal partners.

Toeslagen
Omdat geen sprake is van belast loon of box 1-inkomen is de ZWiC-uitkering ook geen onderdeel van het toetsingsinkomen voor de toeslagen. In het jaar dat de uitkering plaatsvindt, zijn er daardoor geen gevolgen voor de toeslagen.

Het belastbaar inkomen in box 3 werkt via het verzamelinkomen door naar de inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen. De invloed op de hoogte van een toeslag zal echter beperkt zijn.

Voor verschillende toeslagen geldt daarnaast een vermogenstoets. Indien het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari hoger is dan een bepaald bedrag vervalt voor dat betreffende jaar het recht op de toeslag. Dat kan zich in het bijzonder voordoen bij de huurtoeslag. Daar ligt de grens waarboven het recht op toeslag vervalt bij een vermogen van meer dan het heffingvrije vermogen van box 3. Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget gelden aanzienlijk hogere bedragen.

Een potentieel verlies van met name de huurtoeslag door een uitkering van ZWiC vindt het kabinet ongewenst. Daarom gaat het kabinet de ZWiC-uitkering per 1 januari 2021 (de eerstvolgende peildatum) uitzonderen van de vermogenstoets. De uitzondering geldt voor een periode van drie jaar. Men moet wel een apart verzoek voor deze uitzondering bij de Belastingdienst/Toeslagen indienen.

Schenkbelasting en giftenaftrek
De ANBI-status van ZWiC leidt ertoe dat geen schenkbelasting verschuldigd is, zowel niet over door ZWiC ontvangen giften als over door ZWiC verrichte uitkeringen.

Voor giften aan ZWiC kan de giftenaftrek in de inkomstenbelasting worden toegepast, mits voldaan is aan de overige voorwaarden daarvan.

Bijstand
De ZWiC-uitkering kan ook gevolgen hebben voor de bijstand. Om dit te voorkomen komt het kabinet met een centrale vrijlating binnen de Participatiewet.

Bron: brief minister van VWS 15-4-2020 (TK 25295, nr. 249); brief staatssecretarissen van Financiën uitkeringen stichting Zorg na Werk In Coronazorg (ZWiC) 27-5-2020, nr. 2020-0000089524

12. Bonus voor zorgprofessionals

Bijgewerkt op 30 juli 2020, 13.50 uur

Het kabinet komt met een bonus van € 1000 netto voor zorgprofessionals werkzaam in alle sectoren voor zorg en ondersteuning, zoals verpleeghuiszorg, ambulancezorg, ziekenhuizen, gehandicaptenzorg, wijkverpleging, maatschappelijke ondersteuning, geestelijke gezondheidszorg, jeugdzorg en universitair medische centra.

Doelgroep
De bonus geldt voor alle professionals die in de zorg en ondersteuning werken en die zich in de periode 1 maart 2020 tot 1 september 2020 hebben ingezet voor patiënten en cliënten en direct of indirect de effecten van corona hebben ondervonden.

Daarbij ligt de focus op verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden en het ondersteunend personeel. De bonus geldt ook voor schoonmaakpersoneel dat zich in deze sectoren extra heeft ingezet.

In de contouren voor de bonusregeling worden concreet de volgende zorgprofessionals genoemd:

  • verpleegkundigen (niveau 4 en hoger);
  • verzorgenden (niveau 3);
  • helpenden (niveau 2);
  • zorghulp (niveau 1);
  • doktersassistenten;
  • anesthesiemedewerkers;
  • operatieassistenten;
  • ambulancepersoneel;
  • praktijkondersteuners huisarts;
  • jeugd gezondheidszorgmedewerkers;
  • jeugd- en gezinsprofessionals;
  • artsen in opleiding;
  • sociaal- pedagogisch medewerkers;
  • huishoudelijke hulpen;
  • schoonmakers in zorginstellingen.

Dit is een voorlopige opsomming. Er komt een handreiking waarin zo volledig mogelijk wordt aangegeven welke zorgberoepen voor de bonus in aanmerking komen.

Voor deze groep zorgprofessionals moet gelden dat zij in dienst zijn van of ingehuurd worden als zzp’er door zorgaanbieders die uitvoering geven aan de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet publieke gezondheid en Jeugdwet en minder dan twee keer modaal (€ 73.000) verdienen bij een voltijd dienstverband (dit is vergelijkbaar met FWG 65 Ziekenhuizen en VVT eindschaal).

Medisch specialisten en artsen zijn uitgesloten. Zo ook de beroepen behorend tot de mondzorg, zoals tandartsen, mondhygiënisten of tandprothese professionals.

In de contouren voor de bonusregeling staat de inschatting dat de volgende zelfstandig werkende professionals die niet in dienst zijn bij een zorginstelling in ieder geval niet in aanmerking komen voor de bonus:

  • fysiotherapeuten;
  • gezondheidspsychologen;
  • psychotherapeuten;
  • diëtisten;
  • ergotherapeuten;
  • huidtherapeuten;
  • klinisch fysici;
  • logopedisten;
  • oefentherapeuten;
  • optometristen;
  • podotherapeuten.

Ook personeel in staffuncties en facilitair personeel van zorginstellingen vallen buiten de bonusregeling.

Uitzondering hierop vormt een hiervoor vermelde uitgesloten professional die wel is ingezet voor het bieden van zorg aan COVID-19 patiënten of cliënten, of om COVID-19 zorg mogelijk te maken. Voor die professional kan wel de bonus worden aangevraagd. Voorbeelden zijn fysiotherapeuten die revalidatiezorg hebben geleverd of de assistent van de dermatoloog die is gaan meehelpen op de COVID-19 verpleegafdeling.

De bonus is niet bedoeld voor zorgprofessionals voor wie het werk (tijdelijk) stil of op een lager niveau is komen te liggen door de coronacrisis. Dit geldt zowel voor individuele professionals uit de genoemde beroepen, als voor beroepsgroepen die als geheel veelal minder werk hebben gehad.

Hoogte
Zorgwerkgevers ontvangen € 1000 netto bonus per zorgprofessional. Het bonusbedrag wordt voor zorgwerknemers aangevuld met een bedrag eindheffing, zodat de bonus belastingvrij kan worden uitgekeerd. Hoe dit voor zzp’ers wordt geregeld is nog niet duidelijk.

Uitvoering
Het kabinet wil de administratieve last voor werkgevers en de uitvoeringslast voor de overheid beperkt houden. Aan zorgwerkgevers zal een opgave worden gevraagd van het aantal personeelsleden dat in aanmerking komt voor de bonus in relatie tot hun totale personeelsbestand inclusief inhuur (zzp’ers).

De uitvoeringsorganisatie Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) onderzoekt de mogelijkheden van een eenvoudige uitvoering via de zorginstellingen.

Invoering
Het kabinet werkt de bonusregeling in de zomermaanden uit. Het streven is het loket voor het indienen van aanvragen uiterlijk 1 oktober 2020 te openen.

Bron: brief minister van VWS bonus voor zorgprofessionals 25-6-2020, nr. 1711588-207464-MEVA; nieuwsbericht ministerie van VWS 25-6-2020; contouren voor de regeling voor een bonus voor zorgmedewerkers 30-7-2020

13. Paramedische zorg na ernstige Covid-19

Bijgewerkt op 17 juli 2020, 10.25 uur

Vanaf 18 juli 2020 tot en met 31 juli 2021 is eerstelijns paramedische herstelzorg rond ernstige Covid-19 voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket van de zorgverzekering. De bijzondere context van de pandemie van het coronavirus SARS-CoV-2 en de daardoor veroorzaakte ziekte Covid-19 nopen tot een kortdurende, specifieke uitbreiding van het overheidsbeleid voor voorwaardelijke toelating tot het basispakket van de zorgverzekering.

Tijdelijke voorwaardelijke uitbreiding basispakket
Het betreft fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, diëtetiek of ergotherapie die gericht is op de herstelzorg van patiënten met ernstige COVID-19. De patiënten moeten bij het herstel ernstige klachten en beperkingen ondervinden die door een medisch specialist of de huisarts zijn vastgesteld.

Deze zogenoemde eerstelijns paramedische herstelzorg kan monodisciplinair worden ingezet of als combinatie van fysio- of oefentherapie, logopedie, diëtetiek en/of ergotherapie.

Indicatiestelling
De indicatie voor de voorwaardelijk toegelaten paramedische herstelzorg wordt bij patiënten die ontslagen worden uit het ziekenhuis of instelling voor medisch specialistische of geriatrisch revalidatiezorg, gesteld door de (behandelend) medisch specialist. Bij patiënten die in de eigen woonomgeving Covid-19 hebben doorgemaakt, stelt de huisarts de indicatie.

Herstelzorg
Deze herstelzorg is multidisciplinair van aard en wordt uitgevoerd onder regie van de huisarts.

Het betreft (een combinatie van) fysio- of oefentherapie, diëtetiek en/of ergotherapie. Na drie maanden beoordeelt de huisarts of de zorg voortgezet moet worden.

Wederom na drie maanden kan bij uitzondering en op indicatie van een medisch specialist een tweede behandelperiode van maximaal zes maanden starten, als sprake is van blijvende longschade of fysieke schade waarvoor paramedische interventie zinvol wordt geacht. Het totale behandeltraject duurt dan maximaal een jaar.

Aantal behandelingen
Er gelden beperkingen wat betreft het aantal behandelingen en de duur van de behandeling.

De zorgverzekering vergoedt maximaal vijftig behandelingen fysio- of oefentherapie, acht uur ergotherapie en zeven uur diëtetiek binnen zes maanden. Deze maxima gelden voor zowel de eerste behandelperiode, als de eventuele tweede behandelperiode. Ook de eerste twintig behandelingen worden vergoed.

Voor logopedie gelden geen beperkingen.

Wetenschappelijk onderzoek
Voorwaarde om in aanmerking te komen voor vergoeding van deze tijdelijk toegelaten eerstelijns paramedische herstelzorg is dat de verzekerde deelneemt aan wetenschappelijk onderzoek of – totdat dit onderzoek is gestart – de verzekerde bereid is gegevens beschikbaar te stellen voor analyse en deel te nemen aan het onderzoek.

De analyse bestaat uit bestudering van dossiers die zijn aangelegd bij de zorgverlening. Het wetenschappelijk onderzoek zal gelet op de aard van de zorg naar verwachting niet of nauwelijks belastend zijn voor patiënten.

Zodra de analyse en het onderzoek zijn gestart, kunnen verzekerden een definitieve keuze maken. Dan kunnen zij terugkomen op hun eerdere bereidheid tot deelname. In dat geval worden de eerder vastgelegde gegevens niet beschikbaar gesteld voor de analyse. Gevolg is ook dat voor hen de eerstelijns paramedische herstelzorg niet langer verzekerd is. De eerder verleende zorg wordt wel vergoed.

Kosten
Het Zorginstituut Nederland raamt de kosten van deze voorwaardelijke toelating op € 27,7 miljoen voor één jaar. Indien deze raming tijdens de periode van de voorwaardelijke toelating wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, kan dit leiden tot beëindiging van de voorwaardelijke toelating voor afloop van de periode van één jaar.

Bron: brief minister voor Medische Zorg en Sport voorwaardelijke toelating eerstelijns paramedische zorg voor patiënten na ernstige Covid-19 16-7-2020, nr. 1720835-208092-Z; wijziging Regeling zorgverzekering in verband met de voorwaardelijke toelating van paramedische herstelzorg voor COVID-19, Stcrt. 2020, 39509