1. Beleidsregel werktijdverkorting ingetrokken

Bijgewerkt op 25 juni 2020, 10.00 uur

De werktijdverkorting-regeling (wtv-regeling), die is opgenomen in de Beleidsregel ontheffing verbod van werktijdverkorting 2004, heeft als doel werkgevers in staat te stellen hun personeel te behouden als ze tijdelijk te maken krijgen met een fors werkurenverlies door een calamiteit die buiten het normale bedrijfsrisico valt. De uitbraak van het coronavirus is zo’n calamiteit. Dit heeft sinds die uitbraak geleid tot een ongekend groot beroep op deze regeling (bij het intrekken van de regeling 55.000 aanvragen voor bijna 800.000 werknemers). Hier is de regeling niet op berekend.

Daarom heeft de minister van SZW de regeling met ingang van 17 maart 2020, 18.45 uur ingetrokken. Nieuwe ontheffingen worden niet meer verleend en een reeds verleende ontheffing wordt niet verlengd.

In de plaats daarvan geldt de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona). Werkgevers en werknemers kunnen met de NOW-1 sneller kunnen worden bediend terwijl toch wordt voldaan aan de doelstelling van de beleidsregel, namelijk het dempen van de gevolgen van buitengewone omstandigheden die het de werkgever belemmeren of onmogelijk maken om ten volle de loonkosten van zijn werknemers te blijven voldoen.

Aanvragen om werktijdverkorting die voor 17 maart 2020, 18.45 uur zijn ingediend, maar nog niet zijn afgehandeld zullen worden beschouwd als aanvragen voor de NOW-1, zodat werkgevers niet opnieuw een aanvraag hoeven in te dienen; wel zal aanvullende informatie opgevraagd worden bij de indieners. Bij de afhandeling van de aanvragen die onder de tegemoetkomingsregeling worden afgedaan zal de datum van aanvraag niet van invloed zijn op de hoogte van de te ontvangen tegemoetkoming.

Werkgevers die nu al gebruik maken van de wtv-regeling kunnen hun wtv-aanvraag niet verlengen. Wel kunnen zij een aanvraag voor de NOW-1 doen. Als daarbij samenloop optreedt tussen de NOW-1 en de betaling van WW-gelden onder de wtv-regeling wordt deze laatste betaling voor de subsidievaststelling van de NOW-1 in mindering gebracht op de loonsom over maart tot en met mei 2020. Zo wordt dubbele financiering voorkomen.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Stcrt. 2020, 17126; beleidsregel minister van SZW 17-3-2020 houdende de beëindiging van de mogelijkheid tot ontheffing van het verbod op werktijdverkorting, Stcrt. 2020, 17126; Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 19874

2. Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1)

Bijgewerkt op 9 september 2020, 10.00 uur

Werkgevers die te maken hebben met ten minste 20% acuut verwacht omzetverlies over een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden, kunnen – gerelateerd aan het omzetverlies – bij het UWV voor een periode van drie maanden een subsidie aanvragen. De Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) voorziet in die subsidie.

NOW-1
De eerste tranche van de NOW voorziet in een tegemoetkoming in de loonkosten over de maanden maart, april en mei 2020. Dit wordt ook wel de NOW-1 genoemd. Ook voor de maanden juni, juli, augustus en september 2020 kan NOW worden aangevraagd. Deze tweede tranche wordt aangeduid als NOW-2 en wordt hierna in een apart onderdeel behandeld in dit deel van het Dossier Corona. Inmiddels is ook de NOW-3 aangekondigd door het kabinet. In dit onderdeel komt alleen de NOW-1 aan de orde, hierna verder aangeduid als NOW.

De subsidie bestaat uit een tegemoetkoming in de loonkosten ter hoogte van maximaal 90% van de loonsom. Werkgevers betalen het loon aan betrokken werknemers 100% door. Werkgevers hoeven daarbij niet aan te tonen waardoor de omzetdaling is veroorzaakt. Dat kan overigens ook een andere bijzondere omstandigheid zijn dan de uitbraak van het coronavirus. Zo valt bijvoorbeeld een omzetdaling door brand in het bedrijf ook onder de NOW.

Geen ontslag
Uitgangspunt is dat door de NOW zoveel mogelijk werkgelegenheidsverlies wordt voorkomen. Van de werkgever wordt dan ook verwacht dat hij in de periode van 18 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 bij het UWV geen verzoek doet om toestemming te verkrijgen voor opzegging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen.

Deze voorwaarde geldt niet voor ontslagaanvragen die bij het UWV zijn ingediend in de periode van 1 maart 2020 tot en met 17 maart 2020.

Doet de werkgever toch een dergelijke ontslagaanvraag, dan heeft hij vijf dagen de tijd om deze weer in trekken om een extra vermindering ("boete") van de hoogte van de NOW-subsidie te voorkomen. Een vermindering van de loonsom leidt namelijk altijd tot een vermindering van het NOW-subsidiebedrag.

Loonkosten van werknemers
De subsidie is een tegemoetkoming voor de loonkosten van de werknemers die in dienst zijn bij een werkgever en die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Werkenden met een zogenoemde fictieve dienstbetrekking vallen ook onder de NOW.

Ook NOW: flexwerker, nulurencontract, uitzendkracht, payroll
De NOW geldt ook voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een flexibel contract. Werkgevers kunnen NOW-subsidie ontvangen voor deze werknemers, voor zover zij in dienst blijven en loon ontvangen van de werkgever gedurende de periode waarover de subsidie wordt verstrekt. De NOW is uitdrukkelijk ook van toepassing op de loonkosten voor werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft, zoals werknemer met een nulurencontract. Voor payroll- en uitzendwerkgevers gelden dezelfde voorwaarden als voor reguliere werkgevers. Ook zij kunnen via de NOW een tegemoetkoming aanvragen en worden gecompenseerd voor de loonkosten van werknemers die zij in dienst houden.

Geen NOW: directeur/grootaandeelhouder (dga)
De niet-verzekerde directeur-grootaandeelhouders (dga) valt niet onder de NOW. Ook niet als de dga vrijwillig verzekerde is.

Hoogte NOW-subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de driemaandsperiode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. In formulevorm:

NOW = omzetdaling% x loonsom per maand x 3 x 130% x 90%

Loonsom
Onder loonsom wordt verstaan het totale loon sociale verzekering uit tegenwoordige dienstbetrekking. Als loon wordt maximaal twee keer het maximumdagloon per maand per individuele werknemer in aanmerking genomen. Loon boven € 9538 per maand komt derhalve niet voor subsidie in aanmerking.

Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de ingediende loonaangiften, waarbij als uitgangspunt het eerste aangiftetijdvak van 2020 (bij maandaangifte de maand januari 2020) wordt genomen. Zijn er nog geen aangiftegegevens over januari 2020 beschikbaar, dan neemt het UWV de loonaangifte over november 2019. Voor werkgevers met een aangiftetijdvak van vier weken wordt de aangifte verhoogd met 8,33% (13/12). Voor andere loontijdvakken geldt een herleiding naar een maandbedrag.

Correcties op de ingediende loonaangiften na 15 maart 2020 neemt het UWV niet mee.

Het aldus bepaalde bedrag van de loonsom per maand wordt vermenigvuldigd met drie en geeft dan de loonsom over de driemaandsperiode.

Als geen gegevens bekend zijn over zowel januari 2020 als november 2019 bestond aanvankelijk geen recht op de subsidie. Maar de NOW is met terugwerkende kracht aangepast voor werkgevers die over januari 2020 een nihil loonsom hadden, of geen loonsom hadden in januari 2020 en november 2019 (zie hierna onder Seizoenswerk/overname).

Opslag werkgeverslasten
Ook aanvullende lasten en kosten zoals werkgeverspremies en werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden gecompenseerd. Dit gebeurt via een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten van 30% over de driemaandsperiode.

Naar rato omzetdaling
De subsidie wordt gerelateerd aan het percentage van de omzetdaling. Het percentage van 90% van de totale loonsom is een maximumpercentage dat zal worden uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan zal de subsidie evenredig lager worden vastgesteld (100% omzetdaling is 90% subsidie; 50% omzetdaling is 45% subsidie; minder dan 20% omzetdaling is 0% subsidie).

Meetperiode omzetdaling
De omzetdaling van minimaal 20% moet zich voordoen over een driemaandsperiode waarvan de startdatum valt op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. De omzet in deze meetperiode wordt vergeleken met de omzet van januari tot en met december 2019, gedeeld door vier (afronden op een heel percentage naar boven). Met een meetperiode van drie maanden voor de omzetdaling wordt voorkomen dat een vrij beperkte en kortdurende daling van de omzet al in aanmerking komt voor een NOW-subsidie.

Als een werkgever op 1 januari 2019 nog niet bestond, moet de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de startdatum tot 1 maart 2020 worden omgerekend naar een kwartaalbedrag. Dit geldt met terugwerkende kracht (maar alleen op verzoek) ook voor ondernemingen die voorafgaand aan de NOW (uiterlijk 1 februari 2020) een overname hebben gedaan en daardoor een vertekende omzet hebben. 

Omzetdaling bij concerns
Voor werkgevers die bestaan uit één rechtspersoon of natuurlijk persoon gaat het om de omzetdaling op het niveau van de natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Als sprake is van een samenstelling van rechtspersonen gold aanvankelijk de omzetdaling op concernniveau. Daarbij moet het concern worden genomen zoals dat op 1 maart 2020 bestond. Heeft een concern als geheel minder dan 20% omzetverlies, dan kregen de afzonderlijke stilliggende onderdelen van dat concern geen tegemoetkoming. Ook buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland tellen mee.

Maar het kabinet heeft de concernbepaling aangepast, in het belang van behoud van werkgelegenheid. Concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen van een afwijkingsmogelijkheid gebruik maken. Daardoor kunnen zij toch voor individuele werkmaatschappijen NOW-subsidie aanvragen, op basis van de omzetdaling van de werkmaatschappij. Voor concerns die wel een omzetdaling van minimaal 20% hebben geldt de afwijkingsmogelijkheid niet.

Aan de afwijkingsmogelijkheid voor concerns worden de volgende extra voorwaarden verbonden:

  • De werkmaatschappij moet als onderdeel van het concern een eigen rechtspersoonlijkheid hebben.
  • Het concern moet voordat de NOW-subsidie wordt aangevraagd verklaren over 2020 geen dividend aan aandeelhouders en bonussen of winstdeling aan de Raad van Bestuur en directie uit te keren of eigen aandelen terug te kopen tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering in 2021 waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld. Er geldt een uitzondering als op basis van afspraken met de Belastingdienst of wettelijke bepalingen dividend moet worden uitgekeerd. Wordt toch in strijd met de verklaring gehandeld, dan betekent dat automatisch dat de NOW-subsidie op nihil wordt gesteld.
  • De werkmaatschappij (de werkgever) moet voordat hij de NOW-subsidie aanvraagt een schriftelijke overeenkomst met de betrokken vakbonden of (bij minder dan 20 werknemers) met de werknemersvertegenwoordiging hebben over werkbehoud bij de werkmaatschappij.
  • De werkmaatschappij mag niet als personeels-BV binnen het concern fungeren.
  • Er mag binnen het concern niet geschoven worden met omzet of personeel en de omzet moet met consequente toepassing van waarderingsregels, interne verrekenprijzen en mutaties in de voorraad gereed product worden vastgesteld. Dit alles om te voorkomen dat de NOW-subsidie doelbewust wordt gemaximaliseerd. Als dat toch gebeurt moet de omzetdaling daarvoor worden gecorrigeerd. Bij de definitieve subsidievaststelling moet de werkgever hierover stukken aanleveren.
  • Een accountant moet controleren en verklaren dat aan al deze extra voorwaarden is voldaan. In het accountantsprotocol en de accountantsstandaarden van de Nederlandse beroepsorganisatie voor accountants (NBA) is nader uitgewerkt hoe deze controle gedaan wordt. 

Als bij de definitieve vaststelling van de NOW-subsidie blijkt dat in strijd met deze voorwaarden is gehandeld, dan wordt de NOW-subsidie op nihil vastgesteld.

Op 7 september 2020 maakte het kabinet bekend dat de afwijkingsmogelijkheid voor concerns alsnog ook gaat gelden voor bedrijven die al in maart of april 2020 een aanvraag voor de NOW hadden ingediend, voordat deze afwijkingsmogelijkheid bekend werd gemaakt. Dit is van belang voor bedrijven die zich niet gerealiseerd hebben dat zij onderdeel zijn van een concern volgens de definitie van de NOW. Denk aan Nederlandse bedrijven betreft die via een internationale structuur met elkaar verbonden zijn, maar verder niets met elkaar te maken hebben of participatiemaatschappijen. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling kan dan alsnog voor de afwijkingsmogelijkheid voor concerns worden gekozen, zodat het voorschot op de NOW-subsidie niet hoeft te worden terugbetaald. Voorwaarde blijft wel dat het concern als geheel geen 20% omzetverlies heeft. Aan de extra voorwaarden rond de verklaring over het dividend- en bonusverbod en de overeenkomst over werkbehoud hoeft pas op het moment van de aanvraag tot subsidievaststelling te zijn voldaan. 

Begrip omzet
De NOW-regeling verstaat onder omzet de netto-omzet, zoals deze in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening van de rechtspersoon (zoals een NV, BV, stichting) of in de laatst vastgestelde winstaangifte voor de inkomstenbelasting wordt berekend. Ook omzet die gewoonlijk met een andere term uit de normale uitvoering van de activiteiten van de werkgever wordt gerealiseerd, valt onder het begrip omzet. Denk aan termen als baten, uitkeringen, subsidies, renteopbrengsten, bijdragen van overheidsinstellingen, giften of declaraties. Ook de correctie onderhanden werk is omzet.

Subsidies die de ondernemer wegens de coronacrisis ontvangt, zoals de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL, zie hierna in dit deel van het Dossier Corona), telt als omzet mee.

Aanvraag voorschot 80%
De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen, alleen elektronisch via de website van het UWV (www.uwv.nl). De aanvraag kan worden ingediend tot en met 5 juni 2020. Aanvankelijk sloot de aanvraagtermijn op 31 mei 2020, maar door enkele verruimingen in de regeling is ook deze datum verschoven. Voor de aanvraag is geen eHerkenning of andere vorm van authenticatie en autorisatie nodig. De aanvraag geschiedt met het loonheffingennummer.

Bij de aanvraag dient de werkgever, naast het opgeven van gegevens als bedrijfsnaam en loonheffingennummer, de volgende stappen te doorlopen:

  • De werkgever vraagt subsidie aan voor de loonsom in maart, april en mei 2020 wegens een terugval in omzet van meer dan 20%.
  • Als de werkgever verwacht dat het effect van de crisis of calamiteit pas met vertraging in de omzetcijfers zichtbaar wordt, kan hij aangeven dat hij de meetperiode voor de omzetvergelijking niet op 1 maart, maar op 1 april of 1 mei wil laten aanvangen. De loonsom blijft ook in deze gevallen de loonsom van maart, april en mei 2020.
  • De werkgever noteert de verwachte omzet in de drie maanden van de gekozen meetperiode en vergelijkt deze met de totale omzet in 2019, gedeeld door vier, zodat beide cijfers zien op een omzet over drie maanden.
  • Op basis daarvan berekent de werkgever het omzetverlies in procenten. Dat percentage wordt op het aanvraagformulier ingevuld.

Sommige werkgevers hebben meerdere loonheffingennummers. Als deze werkgever voor zijn gehele loonsom in aanmerking wil komen voor subsidie, moet de werkgever per loonheffingennummer een aanvraag indienen. De werkgever dient wel de omzetdaling op te geven die hij voor de gehele onderneming verwacht; hij vult dus bij elke aanvraag dezelfde omzetdaling en dezelfde meetperiode in.

Bankrekening
Het bankrekeningnummer dat bij de aanvraag wordt opgegeven moet corresponderen met het in bij de Belastingdienst aan het loonheffingennummer gekoppelde bankrekeningnummer. Dat hoeft geen Nederlandse bankrekening te zijn, zolang het maar wel een SEPA-bankrekeningnummer is. De eis dat het om een Nederlandse bankrekening moet gaan, is vervallen.

Uitbetaling voorschot
Voor het UWV geldt een beslistermijn van 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Nadat positief op de aanvraag is beslist, zal het UWV een voorschot verlenen van 80% van de berekende NOW-subsidie. De betaling van het voorschot vindt plaats in drie termijnen. In de praktijk wordt ernaar gestreefd de betaling van de eerste termijn van het voorschot te laten plaatsvinden binnen twee tot vier weken.

Achteraf formele vaststelling NOW-subsidie
De werkgever moet na 6 oktober 2020 een formele vaststelling van de subsidie aanvragen. Hij heeft daarvoor dan 24 weken de tijd. Als een accountantsverklaring vereist is, is die termijn 38 weken. De aanvraag voor subsidievaststelling moet elektronisch via de website van het UWV worden ingediend.

De werkgever weet dan de werkelijke omzetdaling en het UWV kan de werkelijke loonsom per maand vaststellen, zodat de definitieve afrekening kan worden opgemaakt.

Werkelijke omzetdaling en accountantsverklaring/deskundigenverklaring
Bij de definitieve afrekening kan de meetperiode van de omzetdaling, die de werkgever bij de aanvraag van het voorschot heeft gekozen, niet meer worden aangepast. In beginsel moet de werkgever bij de werkelijke omzetdaling een accountantsverklaring of deskundigenverklaring voegen. Doet hij dat niet dan wordt de subsidie op nihil gesteld. 

Niet altijd is een accountantsverklaring of deskundigenverklaring nodig.

Een accountantsverklaring is alleen verplicht als het ontvangen voorschot € 100.000 of meer is of als het vast te stellen subsidiebedrag € 125.000 of meer is. Als bij een voorschot lager dan € 100.000 naderhand blijkt dat de subsidie toch op een bedrag van € 125.000 of hoger zal worden vastgesteld, zal de werkgever verzocht worden om alsnog een accountantsverklaring in te leveren. De werkgever krijgt daarvoor 14 weken de tijd.

Een deskundigenverklaring is noodzakelijk als het ontvangen voorschot € 20.000 of meer is of als het vast te stellen subsidiebedrag € 25.000 of meer is. Zo’n deskundigenverklaring kan bijvoorbeeld door een administratiekantoor, financieel dienstverlener of brancheorganisatie worden afgegeven.

Bij deze bedragen wordt telkens uitgegaan van het subsidiebedrag dat toegekend wordt aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon of het concern (en dus niet per loonheffingennummer).

Concerns die van de afwijkingsmogelijkheid voor concerns gebruik maken, moeten altijd een accountantsverklaring overleggen.

Omtrent de accountantsverklaring heeft het kabinet een accountantsprotocol vastgesteld. Op basis van dat protocol heeft de NBA twee standaarden opgesteld die accountants moeten toepassen bij de accountantscontrole. Afhankelijk van de omvang van het subsidiebedrag en of de onderneming vanwege haar omvang wel of niet een verplichte accountantscontrole heeft, is de controle door de accountant naar de rechtmatigheid van de NOW-subsidieaanvraag meer of minder omvangrijk en daarmee ook de accountantskosten voor de onderneming. In het protocol wordt ook aangegeven wat de gevolgen voor de subsidie zijn als de accountant met een niet-goedkeurende verklaring komt.

Voor de deskundigenverklaring maakt het kabinet binnenkort een formulier bekend dat de deskundige moet hanteren.

Werkelijke loonsom en correcties
Het UWV bepaalt bij de formele vaststelling van de subsidie opnieuw de loonsom per maand, met de methode zoals die is toegepast bij de aanvraag van het voorschot. Op die loonsom worden de volgende correcties toegepast:

  • WW-uitkeringen die het UWV aan de werkgever heeft uitbetaald en die in de loonsom zijn begrepen worden van de loonsom afgetrokken.
  • Uitbetaling vakantiebijslag wordt niet meegenomen in de vaststelling van de loonsom, tenzij de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag.
  • Als de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag, wordt de loonsom vermenigvuldigd met de factor 0,926 (100/108).
  • Op loonsom komt in mindering een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag is uitbetaald, zoals een dertiende maand. Het moet gaan om extra in de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald. Een eenmalige bonus of andere incidentele loonbetaling valt hier niet onder.
  • De maximering op € 9538 per werknemer per maand vindt plaats na toepassing van de voorgaande correcties.

Na toepassing van deze correcties resulteert de gecorrigeerde loonsom per maand.

Als de werkelijke loonsom per maand over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 lager is dan deze gecorrigeerde loonsom (x 3), wordt de subsidie verlaagd met 90% van dat verschil x 130%. Bij verlies aan werkgelegenheid (blijkend uit het verlies aan loonsom) wordt de subsidie dus lager vastgesteld, bij gelijkblijvend percentage omzetverlies. Is de lagere loonsom veroorzaakt door ontslag wegens bedrijfseconomische redenen, dan geldt zelfs een extra verlaging van de subsidie, in de vorm van een "boete" (zie hierna).

Een hogere loonsom leidt niet tot een hogere vaststelling van de subsidie.

Bij de vaststelling van de werkelijke loonsom neemt het UWV de gegevens uit de uiterlijk op 19 juli ingediende of gecorrigeerde loonaangiften. Voor zover van toepassing gelden weer de correcties, de aftopping op € 9538 en de herleiding naar een maand bij andere aangiftetijdvakken.

Seizoenswerk/overname
De NOW hield oorspronkelijk geen rekening met seizoenspatronen, doordat het uitging van de maand januari 2020 in de berekeningen. Daardoor konden ondernemingen met een seizoenspiek niet in dezelfde mate van de NOW-subsidie gebruik maken als ondernemingen waar de loonkosten over het jaar minder fluctueren. De NOW-2 biedt hiervoor al gedeeltelijk een oplossing, door bij de berekening uit te gaan van de maand maart 2020.

Om seizoensbedrijven en hun werknemers verder tegemoet te komen, is de NOW-1 met terugwerkende kracht ook aangepast. De aanpassing is een extra compensatie voor werkgevers die wegens een seizoenspatroon of andere redenen (bijvoorbeeld een overname) een te lage, niet-representatieve loonsom in januari 2020 hadden ten opzichte van de subsidieperiode maart tot en met mei 2020.

De aanpassing geldt ook voor werkgevers die in januari 2020 een nihilloonsom of in januari 2020 en november 2019 helemaal geen loonsom hadden. Het UWV benadert in voorkomend geval deze werkgevers, als zij eerder een afwijzende beschikking hebben ontvangen.

De aanpassing werkt als volgt: als de loonsom van maart tot en met mei 2020 hoger is dan de loonsom van 3x januari 2020, wordt de loonsom van die drie maanden bij de vaststelling van de NOW-subsidie als uitgangspunt genomen. Hiermee gaat het totale subsidiebedrag voor de werkgever omhoog. De loonsommen van april en mei 2020 worden wel gemaximeerd op de loonsom van maart 2020. De loonsom van maart 2020 wordt gebaseerd op de uiterlijk 15 mei 2020 ingediende loonaangifte. De loonsom van april en mei 2020 op de uiterlijk 19 juli 2020 ingediende loonaangifte. Bij een aangiftetijdvak van vier weken gelden de overeenkomstige aangiftetijdvakken.

Deze aanpassing leidt tot een aanvullende compensatie, maar pas op het moment van de formele vaststelling van de subsidie. Het berekening van het voorschot op de NOW blijft ongewijzigd (ook voor nieuwe gevallen). Uitbetaling van de aanvullende compensatie vindt dus plaats na afloop van de subsidieperiode, maar niet eerder dan september 2020.

Het UWV past die aanvullende compensatie automatisch toe bij die werkgever voor wie dit voordelig uitpakt.

Als een onderneming een overname heeft gedaan, kan ook sprake zijn van een vertekend beeld in de loonsom. Ook dan geldt de aanvullende compensatie.

Beslistermijn
Binnen 52 weken na ontvangst van de formele subsidieaanvraag zal het UWV de definitieve subsidie vaststellen. Bij de afrekening kan, na verrekening van het voorschot, sprake zijn van een nabetaling of, als bijvoorbeeld het omzetverlies lager is uitgevallen, terugvordering.

Extra verlaging bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen ("boete")
Als een werkgever na 17 maart 2020 toch ontslag aanvraagt bij het UWV en die ontslagaanvraag niet binnen vijf werkdagen daarna weer intrekt, wordt bij de definitieve vaststelling van de subsidie een extra vermindering ("boete") doorgevoerd ter grootte van 150% van de loonsom van die ontslagen werknemer (x 3 x 130% x 90%). Niet-naleving van de voorwaarde om geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen aan te vragen heeft dus extra financiële gevolgen voor de definitieve hoogte van de subsidie.

Administratie- en informatieplicht
De werkgever moet een zodanig controleerbare administratie beheren dat achteraf gecontroleerd kan worden of de subsidie terecht is verstrekt. De werkgever moet desgevraagd, tot vijf jaar na vaststelling van de subsidie, inzage verlenen in deze administratie. Ook heeft de werkgever de verplichting onmiddellijk melding te doen als duidelijk is dat hij niet langer aan de vereisten voor de NOW-subsidieverlening voldoet.

Verplichtingen werkgever
Een werkgever die NOW-subsidie toegekend heeft gekregen, moet zich aan de volgende verplichtingen en voorwaarden houden:

  • De loonsom zoveel mogelijk gelijk houden.
  • Na 17 maart 2020, gedurende het tijdvak van de NOW-subsidieverlening, geen verzoek om toestemming ontslag wegens bedrijfseconomische redenen indienen.
  • De NOW-subsidie uitsluitend aanwenden voor de betaling van de loonkosten.
  • De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers informeren over de subsidieverlening.
  • Voldoen aan de administratie- en informatieplicht.
  • Op de voorgeschreven wijze loonaangiften doen.
  • Opgave van de definitieve omzetdaling, eventueel met accountantsverklaring of deskundigenverklaring.

Openbaarmaking
De werkgever wordt geacht met het aanvragen van de NOW-subsidie in te stemmen dat zijn naam en vestigingsplaats, als ook het voorschot en de definitieve subsidie openbaar gemaakt worden. Het UWV heeft daartoe op de website een register NOW gepubliceerd.

Opschorting/terugvordering
Het UWV mag de betaling van het NOW-voorschot opschorten, als sprake is van een ernstig vermoeden dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan en kan een reeds verleende subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen, als niet aan verplichtingen en voorwaarden is voldaan.

Wtv-regeling
De NOW is de opvolger van de ingetrokken beleidsregel werktijdverkorting (wtv-regeling). Met de NOW kunnen meer en sneller werkgevers financieel tegemoet worden gekomen dan binnen de ingetrokken wtv-regeling. Bovendien is het aanvraagproces door loskoppeling van de WW sterk vereenvoudigd, en worden geen WW-rechten van werknemers opgesoupeerd.

Voor 17 maart 2020, 18.45 uur ingediende wtv-aanvragen worden beschouwd als ingediende aanvragen voor de NOW; wel zal aanvullende informatie opgevraagd worden bij de indieners.

Startdatum uitvoering NOW
Het UWV voert de regeling uit vanaf 6 april 2020.

Geen hardheidsclausule
De NOW kent geen hardheidsclausule. De NOW is een noodmaatregel die eenvoudig moet zijn voor het UWV om snel grote aantallen aanvragen te kunnen behandelen. Een hardheidsclausule brengt deze uitgangspunten in gevaar.

NOW-2 en NOW-3
De de eerste tranche van de NOW (NOW-1) voorziet in eerste instantie in een subsidieverlening voor de loonkosten van maart, april en mei 2020. De tweede tranche van de NOW beslaat de loonkosten van juni, juli, augustus en september 2020 (NOW-2). De derde tranche van de NOW loopt van oktober 2020 tot en met juni 2021 (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona).

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 19874; brief minister van SZW Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 31-3-2020, nr. 2020-0000046793; brief minister van SZW Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 3-4-2020, nr. 2020-0000049112; Stcrt. 2020, 20561; Schriftelijk verslag Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 10-4-2020, nr. 020-0000052689; brief staatssecretaris van SZW Antwoorden naar aanleiding van schriftelijk overleg Kamerbrief Tozo 10-4-2020, nr. 2020-0000052676; brief minister van SZW Moties en toezeggingen 22-4-2020, nr. 2020-0000057033; brief minister van SZW Tweede wijziging NOW 1-5-2020, nr. 2020-0000059207; Stcrt. 2020, 25372; brief minister van SZW Derde wijziging NOW 20-5-2020, nr. 2020-0000069947; Stcrt. 2020, 29256; brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; Kennisgeving UWV openbaarmaking van NOW-gegevens, Stcrt. 2020, 31047; brief minister van SZW Aanbieding regeling Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 22-6-2020, nr. 2020-0000087100; Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 34308; brief minister van SZW monitoring arbeidsmarkt en beroep noodpakket 7-9-2020, nr. 2020-0000007793; brief minister van SZW publicatie accountantsprotocol NOW 1 8-9-2020, nr. 2020-0000121995; Ministerie van SZW; UWV; Belastingdienst

3. Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2)

Bijgewerkt op 8 september 2020, 09.50 uur

Werkgevers die te maken hebben met ten minste 20% acuut verwacht omzetverlies over een aaneengesloten periode van vier kalendermaanden, kunnen – gerelateerd aan het omzetverlies – bij het UWV voor een periode van vier maanden een subsidie aanvragen. De Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) voorziet in die subsidie.

NOW-2
De NOW-2 is de opvolger van de NOW-1 (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona). De NOW-1 voorziet in een subsidieverlening voor de loonkosten van maart, april en mei 2020. NOW-2 beslaat de loonkosten van juni, juli, augustus en september 2020.

In dit onderdeel komt alleen de NOW-2 aan de orde, hierna verder aangeduid als NOW.

Inmiddels is ook de NOW-3 aangekondigd door het kabinet (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona).

De subsidie bestaat uit een tegemoetkoming in de loonkosten ter hoogte van maximaal 90% van de loonsom. Werkgevers betalen het loon aan betrokken werknemers 100% door. Werkgevers hoeven daarbij niet aan te tonen waardoor de omzetdaling is veroorzaakt. Dat kan overigens ook een andere bijzondere omstandigheid zijn dan de uitbraak van het coronavirus. Zo valt bijvoorbeeld een omzetdaling door brand in het bedrijf ook onder de NOW.

Geen ontslag
Uitgangspunt is dat door de NOW zoveel mogelijk werkgelegenheidsverlies wordt voorkomen. Van de werkgever wordt dan ook verwacht dat hij in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 bij het UWV geen verzoek doet om toestemming te verkrijgen voor opzegging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen.

Doet de werkgever toch een dergelijke ontslagaanvraag, dan heeft hij vijf dagen de tijd om deze weer in trekken om een extra vermindering ( “boete”) van de hoogte van de NOW-subsidie te voorkomen. Een vermindering van de loonsom leidt namelijk altijd tot een vermindering van het NOW-subsidiebedrag.

Daarnaast kent de NOW nog een tweede “boete” van 5% van het totale subsidiebedrag, als de werkgever in het kader van de Wet melding collectief ontslag (WMCO) collectief ontslag voor 20 of meer werknemers aanvraagt (zie hierna).

Loonkosten van werknemers
De subsidie is een tegemoetkoming voor de loonkosten van de werknemers die in dienst zijn bij een werkgever en die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Werkenden met een zogenoemde fictieve dienstbetrekking vallen ook onder de NOW.

Ook NOW: flexwerker, nulurencontract, uitzendkracht, payroll
De NOW geldt ook voor werkgevers die werknemers in dienst hebben met een flexibel contract. Werkgevers kunnen NOW-subsidie ontvangen voor deze werknemers, voor zover zij in dienst blijven en loon ontvangen van de werkgever gedurende de periode waarover de subsidie wordt verstrekt. De NOW is uitdrukkelijk ook van toepassing op de loonkosten voor werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft, zoals werknemer met een nulurencontract. Voor payroll- en uitzendwerkgevers gelden dezelfde voorwaarden als voor reguliere werkgevers. Ook zij kunnen via de NOW een tegemoetkoming aanvragen en worden gecompenseerd voor de loonkosten van werknemers die zij in dienst houden.

Geen NOW: directeur/grootaandeelhouder (dga)
De niet-verzekerde directeur-grootaandeelhouders (dga) valt niet onder de NOW. Ook niet als de dga vrijwillig verzekerde is.

Hoogte NOW-subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de viermaandsperiode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. In formulevorm:

NOW = omzetdaling% x loonsom per maand x 4 x 140% x 90%

Loonsom
Onder loonsom wordt verstaan het totale loon sociale verzekering uit tegenwoordige dienstbetrekking. Als loon wordt maximaal twee keer het maximumdagloon per maand per individuele werknemer in aanmerking genomen. Loon boven € 9538 per maand komt derhalve niet voor subsidie in aanmerking.

Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de ingediende loonaangiften, waarbij als uitgangspunt het derde aangiftetijdvak van 2020 (bij maandaangifte de maand maart 2020) wordt genomen. Zijn er nog geen aangiftegegevens over maart 2020 beschikbaar, dan neemt het UWV de loonaangifte over november 2019. Voor werkgevers met een aangiftetijdvak van vier weken wordt de aangifte over het derde aangiftetijdvak verhoogd met 8,33% (13/12). Voor andere loontijdvakken geldt een herleiding naar een maandbedrag.

Correcties op de ingediende loonaangiften na 15 mei 2020 neemt het UWV niet mee.

Op de loonsom worden de volgende correcties toegepast:

  • Uitbetaling vakantiebijslag wordt niet meegenomen in de vaststelling van de loonsom, tenzij de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag.
  • Als de werkgever niet reserveert voor vakantiebijslag, wordt de loonsom vermenigvuldigd met de factor 0,926 (100/108).
  • Op de loonsom komt nog in mindering een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag is uitbetaald, zoals een dertiende maand. Het moet gaan om extra in de arbeidsovereenkomst overeengekomen loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald. Een eenmalige bonus of andere incidentele loonbetaling valt hier niet onder.
  • De maximering op € 9538 per werknemer per maand vindt plaats na toepassing van de voorgaande correcties.

Het aldus bepaalde bedrag van de loonsom per maand wordt vermenigvuldigd met vier en geeft dan de loonsom over de viermaandsperiode.

Als geen gegevens bekend zijn over zowel maart 2020 als november 2019 bestaat geen recht op de subsidie.

Opslag werkgeverslasten
Ook aanvullende lasten en kosten zoals werkgeverspremies en werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden gecompenseerd. Dit gebeurt via een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten van 140% over de viermaandsperiode.

Naar rato omzetdaling
De subsidie wordt gerelateerd aan het percentage van de omzetdaling. Het percentage van 90% van de totale loonsom is een maximumpercentage dat zal worden uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan zal de subsidie evenredig lager worden vastgesteld (100% omzetdaling is 90% subsidie; 50% omzetdaling is 45% subsidie, minder dan 20% omzetdaling is 0% subsidie).

Meetperiode omzetdaling (omzetperiode)
De omzetdaling van minimaal 20% moet zich voordoen over een viermaandsperiode waarvan de startdatum valt op 1 juni, 1 juli of 1 augustus. Als aan de werkgever ook NOW-1 is verleend en de werkgever heeft zijn aanvraag NOW-1 niet ingetrokken, moet de omzetperiode direct aansluiten aan de omzetperiode van de NOW-1.

De omzet in deze meetperiode wordt vergeleken met de omzet van januari tot en met december 2019, gedeeld door drie (afronden op een heel percentage naar boven). Dit wordt de referentie-omzet genoemd. Met een meetperiode van vier maanden voor de omzetdaling wordt voorkomen dat een vrij beperkte en kortdurende daling van de omzet al in aanmerking komt voor een NOW-subsidie.

Als een werkgever op 1 januari 2019 nog niet bestond, moet de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de startdatum tot 1 maart 2020 worden omgerekend naar een referentie-omzet van vier maanden. Dit geldt, maar alleen op verzoek, ook voor ondernemingen die voorafgaand aan de NOW (uiterlijk 1 februari 2020) een overname hebben gedaan en daardoor een vertekende omzet hebben.

Als een werkgever in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 een onderdeel of activiteit heeft afgestoten, moet de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot 1 maart 2020 worden omgerekend naar een referentieomzet van vier maanden. Als in die periode meerdere onderdelen of activiteiten zijn afgestoten, wordt gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het laatste onderdeel of de laatste activiteit. Bij de aanvraag voor formele subsidievaststelling moet de werkgever over de afstoting een verklaring afgeven.

Omzetdaling bij concerns
Voor werkgevers die bestaan uit één rechtspersoon of natuurlijk persoon gaat het om de omzetdaling op het niveau van de natuurlijke persoon of rechtspersoon.

De hoofdregel is dat bij een samenstelling van rechtspersonen de omzetdaling op concernniveau moet worden genomen. Daarbij moet het concern worden genomen zoals dat op 1 juni 2020 bestond. Heeft een concern als geheel minder dan 20% omzetverlies, dan krijgen de afzonderlijke stilliggende onderdelen van dat concern geen tegemoetkoming. Ook buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland tellen mee.

Concerns met minder dan 20% omzetverlies kunnen van een afwijkingsmogelijkheid gebruik maken. Daardoor kunnen zij voor individuele werkmaatschappijen NOW-subsidie aanvragen, op basis van de omzetdaling van de werkmaatschappij. Voor concerns die wel een omzetdaling van minimaal 20% hebben geldt deze afwijkingsmogelijkheid niet.

Aan de afwijkingsmogelijkheid voor concerns worden de volgende extra voorwaarden verbonden:

  • De werkmaatschappij moet als onderdeel van het concern een eigen rechtspersoonlijkheid hebben.
  • De werkmaatschappij (de werkgever) moet voordat hij de NOW-subsidie aanvraagt een schriftelijke overeenkomst met de betrokken vakbonden of (bij minder dan 20 werknemers) met de werknemersvertegenwoordiging hebben over werkbehoud bij de werkmaatschappij.
  • De werkmaatschappij mag niet als personeels-BV binnen het concern fungeren.
  • Er mag binnen het concern niet geschoven worden met omzet of personeel en de omzet moet met consequente toepassing van waarderingsregels, interne verrekenprijzen en mutaties in de voorraad gereed product worden vastgesteld. Dit alles om te voorkomen dat de NOW-subsidie doelbewust wordt gemaximaliseerd. Als dat toch gebeurt moet de omzetdaling daarvoor worden gecorrigeerd. Bij de definitieve subsidievaststelling moet de werkgever hierover stukken aanleveren.
  • Een accountant moet controleren en verklaren dat aan al deze extra voorwaarden is voldaan. In de nog uit te werken accountantsstandaarden wordt dit nog nader gedefinieerd.

Als bij de definitieve vaststelling van de NOW-subsidie blijkt dat in strijd met deze voorwaarden is gehandeld, dan wordt de NOW-subsidie op nihil vastgesteld.

Op 7 september 2020 maakte het kabinet bekend dat de afwijkingsmogelijkheid voor concerns alsnog ook gaat gelden voor bedrijven die al in maart of april 2020 een aanvraag voor de NOW-1 hadden ingediend, voordat deze afwijkingsmogelijkheid bekend werd gemaakt. Dit is van belang voor bedrijven die zich niet gerealiseerd hebben dat zij onderdeel zijn van een concern volgens de definitie van de NOW-1 en NOW-2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling kan dan alsnog voor de afwijkingsmogelijkheid voor concerns worden gekozen, zodat het voorschot op de NOW-subsidie niet hoeft te worden terugbetaald. Voorwaarde blijft wel dat het concern als geheel geen 20% omzetverlies heeft. Aan de extra voorwaarden rond de verklaring over het dividend- en bonusverbod en de overeenkomst over werkbehoud hoeft pas op het moment van de aanvraag tot subsidievaststelling te zijn voldaan. 

Begrip omzet
De NOW-regeling verstaat onder omzet de netto-omzet, zoals deze in de laatste voor 1 juni 2020 vastgestelde jaarrekening van de rechtspersoon (zoals een NV, BV, stichting) of in de laatst vastgestelde winstaangifte voor de inkomstenbelasting wordt berekend. Ook omzet die gewoonlijk met een andere term uit de normale uitvoering van de activiteiten van de werkgever wordt gerealiseerd, valt onder het begrip omzet. Denk aan termen als baten, uitkeringen, subsidies, renteopbrengsten, bijdragen van overheidsinstellingen, giften of declaraties. Ook de correctie onderhanden werk is omzet.

Subsidies die de ondernemer wegens de coronacrisis ontvangt, zoals de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL, zie hierna in dit deel van het Dossier Corona), telt als omzet mee.

De subsidie op grond van de NOW-1 is expliciet uitgezonderd en telt niet mee als omzet voor de NOW-2.

Aanvraag voorschot 80%
De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen, alleen elektronisch via de website van het UWV (www.uwv.nl). De aanvraag kan worden ingediend van 6 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020. Voor de aanvraag is geen eHerkenning of andere vorm van authenticatie en autorisatie nodig. De aanvraag geschiedt met het loonheffingennummer.

Bij de aanvraag dient de werkgever, naast het opgeven van gegevens als bedrijfsnaam, loonheffingennummer en inschrijfnummer bij het handelsregister, de volgende stappen te doorlopen:

  • De werkgever vraagt subsidie aan voor de loonsom in juni, juli, augustus en september 2020 wegens een terugval in omzet van meer dan 20%.
  • Als de werkgever verwacht dat het effect van de crisis of calamiteit pas met vertraging in de omzetcijfers zichtbaar wordt, kan hij aangeven dat hij de meetperiode voor de omzetvergelijking niet op 1 juni, maar op 1 juli of 1 augustus laten aanvangen. In ieder geval moet de meetperiode aansluiten bij de meetperiode van de NOW-1 die de werkgever heeft toegepast. De loonsom blijft ook in deze gevallen de loonsom van juni tot en met september 2020.
  • De werkgever noteert de verwachte omzet in de vier maanden van de gekozen meetperiode en vergelijkt deze met de totale omzet in 2019, gedeeld door drie, zodat beide cijfers zien op een omzet over vier maanden.
  • Op basis daarvan berekent de werkgever het omzetverlies in procenten. Dat percentage wordt op het aanvraagformulier ingevuld.
  • De werkgever verklaart te voldoen aan de gestelde verplichtingen, mocht hij een WMCO-melding doen en hij verklaart te voldoen aan het eventuele verbod op dividend, bonussen en inkoop eigen aandelen (zie hierna).

Sommige werkgevers hebben meerdere loonheffingennummers. Als deze werkgever voor zijn gehele loonsom in aanmerking wil komen voor subsidie, moet de werkgever per loonheffingennummer een aanvraag indienen. De werkgever dient wel de omzetdaling op te geven die hij voor de gehele onderneming verwacht; hij vult dus bij elke aanvraag dezelfde omzetdaling en dezelfde meetperiode in.

Bankrekening
Het bankrekeningnummer dat bij de aanvraag wordt opgegeven moet corresponderen met het in bij de Belastingdienst aan het loonheffingennummer gekoppelde bankrekeningnummer. Dat hoeft geen Nederlandse bankrekening te zijn, zolang het maar wel een SEPA-bankrekeningnummer is.

Uitbetaling voorschot
Voor het UWV geldt een beslistermijn van 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Nadat positief op de aanvraag is beslist, zal het UWV een voorschot verlenen van 80% van de berekende NOW-subsidie. De betaling van het voorschot vindt plaats in twee termijnen. In de praktijk wordt ernaar gestreefd de betaling van de eerste termijn van het voorschot te laten plaatsvinden binnen twee tot vier weken.

Achteraf formele vaststelling NOW-subsidie
De werkgever moet na 15 november 2020 een formele vaststelling van de subsidie aanvragen. Hij heeft daarvoor dan 24 weken de tijd. Eindigt de omzetperiode waarop de subsidie is gebaseerd na 15 november 2020, dan is de uiterste termijn 24 weken na afloop van de omzetperiode. Als een accountantsverklaring vereist is, is die termijn 38 in plaats van 24 weken. De aanvraag voor subsidievaststelling moet elektronisch via de website van het UWV worden ingediend.

De werkgever weet dan de werkelijke omzetdaling en het UWV kan de werkelijke loonsom per maand vaststellen, zodat de definitieve afrekening kan worden opgemaakt.

Werkelijke omzetdaling en accountantsverklaring/deskundigenverklaring
Bij de definitieve afrekening kan de meetperiode van de omzetdaling, die de werkgever bij de aanvraag van het voorschot heeft gekozen, niet meer worden aangepast. In beginsel moet de werkgever bij de werkelijke omzetdaling een accountantsverklaring of deskundigenverklaring voegen. Doet hij dat niet dan wordt de subsidie op nihil vastgesteld.

Niet altijd is een accountantsverklaring of deskundigenverklaring nodig.

Een accountantsverklaring is alleen verplicht als het ontvangen voorschot € 100.000 of meer is of als het vast te stellen subsidiebedrag € 125.000 of meer is. Als bij een voorschot lager dan € 100.000 naderhand blijkt dat de subsidie toch op een bedrag van € 125.000 of hoger zal worden vastgesteld, zal de werkgever verzocht worden om alsnog een accountantsverklaring in te leveren. De werkgever krijgt daarvoor 14 weken de tijd.

Een deskundigenverklaring is noodzakelijk als het ontvangen voorschot € 20.000 of meer is of als het vast te stellen subsidiebedrag € 25.000 of meer is. Zo’n deskundigenverklaring kan bijvoorbeeld door een administratiekantoor, financieel dienstverlener of brancheorganisatie worden afgegeven.

Bij deze bedragen wordt telkens uitgegaan van het subsidiebedrag dat toegekend wordt aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon of het concern (en dus niet per loonheffingennummer).

Concerns die van de afwijkingsmogelijkheid voor concerns gebruik maken, moeten altijd een accountantsverklaring overleggen.

Werkelijke loonsom
Het UWV bepaalt bij de formele vaststelling van de subsidie of het subsidiebedrag moet worden gecorrigeerd in vergelijking met de berekening van het voorschot.

Als de werkelijke loonsom per maand over de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 lager is dan loonsom die bij het voorschot is gehanteerd (x 4), wordt de subsidie verlaagd met 90% van dat verschil x 140%. Bij verlies aan werkgelegenheid (blijkend uit het verlies aan loonsom) wordt de subsidie dus lager vastgesteld, bij gelijkblijvend percentage omzetverlies. Is de lagere loonsom veroorzaakt door ontslag wegens bedrijfseconomische redenen en/of een collectieve ontslagaanvraag voor 20 of meer werknemers, dan gelden zelfs extra verlagingen van de subsidie in de vorm van een “boete” (zie hierna).

Een hogere loonsom leidt niet tot een hogere vaststelling van de subsidie.

Bij de vaststelling van de werkelijke loonsom neemt het UWV de gegevens uit de uiterlijk op 16 november 2020 ingediende of gecorrigeerde loonaangiften. Voor zover van toepassing gelden weer de correcties, de aftopping op € 9538 en de herleiding naar een maand bij andere aangiftetijdvakken.

Seizoenswerk/overname
De NOW-1 bevat een extra compensatie voor seizoenwerk en overnames. In de NOW-2 is deze extra compensatie niet opgenomen.

Beslistermijn
Binnen 52 weken na ontvangst van de formele subsidieaanvraag zal het UWV de definitieve subsidie vaststellen. Bij de afrekening kan, na verrekening van het voorschot, sprake zijn van een nabetaling of, als bijvoorbeeld het omzetverlies lager is uitgevallen, terugvordering.

Extra verlaging bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of collectief ontslag voor 20 of meer werknemers (“boete”)
Als een werkgever in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 toch ontslag aanvraagt bij het UWV en die ontslagaanvraag niet binnen vijf werkdagen daarna weer intrekt, wordt bij de definitieve vaststelling van de subsidie een extra vermindering (“boete”) doorgevoerd ter grootte van 100% van de loonsom van die ontslagen werknemer (x 3 x 140% x 90%). Niet-naleving van de voorwaarde om geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen aan te vragen heeft dus extra financiële gevolgen voor de definitieve hoogte van de subsidie.

Daarnaast geldt nog een tweede “boete” van 5% van het subsidiebedrag dat uiteindelijk resteert, dus het subsidiebedrag na de verlaging wegens een lagere werkelijke loonsom en ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.

De 5%-boete geldt als de werkgever aan twee voorwaarden voldoet:

  • In de periode van 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 doet de werkgever een WMCO-melding; en
  • In de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 doet de werkgever een of meerdere verzoeken om collectief ontslag wegens bedrijfseconomische redenen voor 20 of meer werknemers.

De 5%-boete kan de werkgever vervolgens voorkomen door na de WMCO-melding met de vakbonden of een andere werknemersvertegenwoordiging (zoals ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging) over die WMCO-melding een akkoord te sluiten over de noodzaak van het aantal te vervallen arbeidsplaatsen. Heeft de werkgever meerdere WMCO-meldingen ingediend, dan moet de werkgever deze overeenstemming over alle WMCO-meldingen bereiken om de 5%-boete te voorkomen.

Komen partijen niet tot een akkoord en heeft de werkgever zijn ontslagverzoek niet ingetrokken, dan moeten partijen gezamenlijk aan de Stichting van de Arbeid een oordeel vragen over de noodzakelijkheid van het verlies aan arbeidsplaatsen. Ook dan is de 5%-boete van tafel. Binnen de Stichting van de Arbeid zijn afspraken gemaakt over de verdere vormgeving van deze procedure.

Bij de aanvraag voor formele subsidievaststelling moet de werkgever met documentatie aantonen of de 5%-boete wel of niet aan de orde is.

Administratie- en informatieplicht
De werkgever moet een zodanig controleerbare administratie beheren dat achteraf gecontroleerd kan worden of de subsidie terecht is verstrekt. De werkgever moet desgevraagd, tot vijf jaar na vaststelling van de subsidie, inzage verlenen in deze administratie. Ook heeft de werkgever de verplichting onmiddellijk melding te doen als duidelijk is dat hij niet langer aan de vereisten voor de NOW-subsidieverlening voldoet.

Verplichtingen werkgever
Een werkgever die NOW-subsidie toegekend heeft gekregen, moet zich aan de volgende verplichtingen en voorwaarden houden:

  • De loonsom zoveel mogelijk gelijk houden.
  • In de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, gedurende het tijdvak van de NOW-subsidieverlening, geen verzoek om toestemming ontslag wegens bedrijfseconomische redenen indienen.
  • Als de werkgever in de periode van 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 een WMCO-melding doet: een op overeenstemming gericht overleg voeren met vakbonden of werknemersvertegenwoordiging en niet eerder dan vier weken na de WMCO-melding het verzoek om collectief ontslag indienen.
  • De subsidie uitsluitend aanwenden voor de doelstelling van de NOW, maar in ieder geval voor de betaling van de loonkosten.
  • De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de werknemers informeren over de subsidieverlening.
  • Zich inspannen om de werknemers te stimuleren deel te nemen aan een ontwikkeladvies of scholing. Ter ondersteuning van deze inspanningsverplichting komt het kabinet met een flankerend crisispakket onder de noemer “NL leert door” (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona).
  • Voldoen aan de administratie- en informatieplicht.
  • Op de voorgeschreven wijze loonaangiften doen.
  • Opgave van de definitieve omzetdaling, eventueel met accountantsverklaring of deskundigenverklaring.

Verbod op dividend, bonussen en inkoop eigen aandelen
De werkgever mag over 2020 geen dividend aan aandeelhouders uitkeren of andere winstuitkeringen aan derden doen. Ook geldt over 2020 een verbod op bonussen of winstdeling aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de subsidievragende rechtspersoon of vennootschap. Ten slotte geldt over 2020 een verbod op het inkopen van eigen aandelen.

Het begrip bestuur, directie (of management) dient breed te worden opgevat. De registratie in het handelsregister is hierbij niet doorslaggevend, ook niet of de betrokken personen beslissend of tekeningsbevoegd zijn. Bestuursleden, directieleden of leden van het management die het beleid bepalen behoren tot het bestuur, directie of management en vallen daarmee onder het verbod. De interne naam die hieraan wordt gegeven is niet relevant. Onder het verbod valt ook degene die tijdelijk zitting heeft in het bestuur, de directie, of het management. Het verbod strekt zich niet uit tot het overige personeel dat in het bedrijf werkzaam is en dat mogelijk variabel beloond wordt via bonussen.

Er geldt een uitzondering als op basis van afspraken met de Belastingdienst of wettelijke bepalingen dividend moet worden uitgekeerd.

Dit verbod op dividend, bonussen en inkoop eigen aandelen geldt alleen als het ontvangen voorschot € 100.000 of meer is of als het vast te stellen subsidiebedrag € 125.000 of meer is. Bij deze bedragen wordt telkens uitgegaan van het subsidiebedrag dat toegekend wordt aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon of het concern (en dus niet per loonheffingennummer).

Concerns die van de afwijkingsmogelijkheid voor concerns gebruik maken, moeten zich altijd aan het verbod houden, ongeacht de hoogte van het (voorschot op) de subsidie. In dat geval geldt het verbod voor het hele concern en de moedermaatschappij. Het groepshoofd en de moedermaatschappij moeten voorafgaand aan de subsidieaanvraag hierover een schriftelijke instemmingsverklaring aan de werkgever afgeven.

Het verbod geldt over het jaar 2020 tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering in 2021 waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld. Dit geldt ook voor andere ondernemingen en instellingen die niet via een aandeelhoudersvergadering werken, zoals coöperaties.

Voor een gebroken boekjaar geldt het verbod over het boekjaar waarin de periode 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 valt, tot de vergadering waarin de jaarrekening van dat boekjaar wordt vastgesteld. Indien er twee boekjaren in die periode vallen, geldt de verplichting voor beide boekjaren.

Wordt toch in strijd met het verbod gehandeld, dan betekent dat automatisch dat de NOW-subsidie op nihil wordt vastgesteld.

Openbaarmaking
De werkgever wordt geacht met het aanvragen van de NOW-subsidie in te stemmen dat zijn naam en vestigingsplaats, als ook het voorschot en de definitieve subsidie openbaar gemaakt kunnen worden. Het UWV gaat daartoe op de website een register publiceren.

Opschorting/terugvordering
Het UWV mag de betaling van het NOW-voorschot opschorten, als sprake is van een ernstig vermoeden dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan en kan een reeds verleende subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen, als niet aan verplichtingen en voorwaarden is voldaan.

Startdatum uitvoering NOW-2
Het UWV voert de NOW-2 vanaf 6 juli 2020 uit.

Geen hardheidsclausule
Ook de NOW-2 kent geen hardheidsclausule. De NOW-2 is een noodmaatregel die eenvoudig moet zijn voor het UWV om snel grote aantallen aanvragen te kunnen behandelen. Een hardheidsclausule brengt deze uitgangspunten in gevaar.

NOW-3
Op 28 augustus 2020 werd bekend dat de NOW-2 per 1 oktober 2020 opgevolgd wordt door de NOW-3. De hoofdlijnen van de NOW-3 zijn op 28 augustus 2020 door het kabinet bekend gemaakt (zie hierna in dit deel van het Dossier Corona).

Bron: brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet noodpakket 2.0 29-5-2020, nr. 2020-0000075592; brief minister van SZW Aanbieding regeling Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 22-6-2020, nr. 2020-0000087100; Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 34308; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; brief minister van SZW monitoring arbeidsmarkt en beroep noodpakket 7-9-2020, nr. 2020-0000007793

4. Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3)

Bijgewerkt op 1 september 2020, 16.10 uur

Op 28 augustus 2020 maakte het kabinet bekend dat de NOW-2 per 1 oktober 2020 wordt opgevolgd door de NOW-3. De precieze voorwaarden zijn nog niet bekend maar het kabinet heeft in de op 28 augustus 2020 verschenen brief over het steun- en herstelpakket al wel de hoofdlijnen bekend gemaakt. Hieruit blijkt dat de NOW-3 erg op de NOW-2 zal lijken. De belangrijkste verschillen zijn:

  • De NOW-3 bestaat uit drie tijdvakken van drie maanden. Het eerste tijdvak loopt van 1 oktober 2020 t/m 31 december 2020, het tweede tijdvak van 1 januari 2021 t/m 31 maart 2021 en het derde tijdvak van 1 april 2021 t/m 30 juni 2021.
  • In het tweede tijdvak en in het derde tijdvak komen alleen bedrijven met een omzetdaling van minimaal 30% in aanmerking voor de subsidie. In het eerste tijdvak komen net als in de NOW-1 en in de NOW-2 bedrijven met een omzetdaling van minimaal 20% in aanmerking voor de subsidie.
  • In het eerste tijdvak wordt 80% van de loonsom vergoed, in het tweede tijdvak 70% en in het derde tijdvak 60%.
  • De werkgever kan de loonsom met een bepaald percentage laten dalen zonder dat dit ten koste gaat van de subsidie. In het eerste tijdvak is het percentage 10%, in het tweede tijdvak 15% en in het derde tijdvak 20%.
  • De korting die in de NOW-2 wordt toegepast op het moment dat er sprake is van bedrijfseconomisch ontslag wordt losgelaten.
  • Het maximaal te vergoeden loon per werknemer is in het eerste en tweede tijdvak net als in de NOW-1 en NOW-2 maximaal twee keer het dagloon. In het derde tijdvak wordt het verlaagd naar maximaal één keer het dagloon.

Een werkgever kan voor ieder tijdvak een aanvraag indienen. Ook als hij geen aanspraak heeft gemaakt op de NOW-1 en de NOW-2. Aanvragen moeten worden ingediend bij het UWV. Het UWV doet haar best om ervoor te zorgen dat werkgevers vanaf 16 november 2020 een aanvraag kunnen indienen. De vaststelling van de subsidie vindt na afloop van de drie tijdvakken plaats, dus vanaf de zomer vanaf 2021.

Bron: brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000

 

5. Meewegen NOW bij ontslagaanvragen

Bijgewerkt op 25 juni 2020, 09.15 uur

Het UWV neemt ontslagaanvragen om bedrijfseconomische redenen nog steeds in behandeling, ook tijdens de coronacrisis. Bij dergelijke ontslagaanvragen geldt het reguliere toetsingskader voor ontslag, zoals neergelegd in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Ontslagregeling.

Dat betekent onder meer dat de werkgever aannemelijk moet maken dat het ontslag noodzakelijk is door het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering en dat er geen voor de hand liggende andere oplossingen zijn.

Maar het UWV zal bij de uitoefening van haar ontslagtaak de beide tijdelijke noodmaatregelen overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona) wel meewegen. Dit sluit aan bij de doelstelling van de NOW-1 en NOW-2 (en andere noodmaatregelen) dat ontslag zoveel mogelijk voorkomen moet worden.

Ontslagaanvragen na 1 april 2020
Voor ontslagaanvragen die zijn ingediend na 1 april 2020 geldt dat de werkgever aannemelijk zal moeten maken dat de NOW-subsidie in zijn geval geen voor de hand liggende andere oplossing is. Er moet, zoals altijd geldt, wel ruimte zijn voor de werkgever om dergelijke beslissingen te kunnen nemen. Bij de toetsing van die beslissing betracht het UWV dus terughoudendheid (de zogenoemde marginale toets).

Overeenstemming over ontslagen (van belang bij het voorkomen van de 5%-boete van de NOW-2) staat dus niet gelijk aan een verklaring van de belanghebbende vakbonden zoals bedoeld in de Ontslagregeling. In de Ontslagregeling is geregeld dat voor de beoordeling van de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen in het geval van collectief ontslag, de belanghebbende vakbonden moeten verklaren dat het door de werkgever voorgestelde aantal te vervallen arbeidsplaatsen noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.

Alleen bij overeenstemming tussen de werkgever en belanghebbende vakbonden (zoals bedoeld in de Wet Melding Collectief Ontslag) over de (aantallen) ontslagen en als dit uit een schriftelijke verklaring van de belanghebbende vakbonden blijkt, toetst het UWV de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag in beginsel niet.

Zijn er geen belanghebbende vakbonden en heeft de werkgever overeenstemming met een werknemersvertegenwoordiging over het aantal ontslagen, dan heeft dit alleen gevolgen voor de hoogte van het subsidiebedrag van de NOW-2 (de 5%-boete). Maar die overeenstemming heeft geen gevolgen voor de wijze van de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag door het UWV. Dit geldt ook als in het kader van de NOW-2 wel overeenstemming met belanghebbende vakbonden is bereikt, maar de verklaring daarover niet voldoet aan de in de Ontslagregeling gestelde eisen. Uit die verklaring moet namelijk ook moeten blijken dat sprake is van belanghebbende vakbonden. De juiste bewoording van de verklaring is dus van belang.

Ontslagaanvragen voor 2 april 2020
Voor ontslagaanvragen die zijn ingediend voor 2 april 2020 zal het UWV bij de toetsing van de ontslagaanvraag geen rekening houden met de NOW, aangezien pas vanaf 2 april 2020 volledige duidelijkheid bestond over de invulling van de voorwaarden die aan de NOW zouden worden verbonden.

Wel geldt dat ontslagaanvragen die zijn ingediend vanaf 18 maart 2020 en die niet of niet tijdig zijn ingetrokken, gevolgen hebben voor de hoogte van de NOW-subsidie, zowel voor de NOW-1 als voor de NOW-2.

Bron: brief minister van SZW Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 3-4-2020, nr. 2020-0000049112; toelichting bij de Regeling tot wijziging van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 3-4-2020, Stcrt. 2020, 20561; toelichting bij de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, Stcrt. 2020, 34308

6. Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS)

Bijgewerkt op 17 september 2020, 13.40 uur

Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is de regeling Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) per 27 maart 2020 opengesteld. De TOGS (die eerder bekend werd gemaakt onder de noemer Noodloket) is een eenmalige belastingvrije gift van € 4000 aan ondernemingen die rechtstreeks zijn getroffen door overheidsmaatregelen rond de coronacrisis. Ook bepaalde culturele instellingen, sportclubs, zorgaanbieders en dorpshuizen kunnen de TOGS aanvragen.

Gedupeerde onderneming
Door die overheidsmaatregelen zien ondernemingen, instellingen en zorgaanbieders (hierna ondernemingen) hun omzet geheel of grotendeels verdwijnen. De gemiste omzet kan bovendien moeilijk worden ingehaald wanneer de coronacrisis achter de rug is. Voor deze gedupeerde ondernemingen geldt dat een groot deel van hun vaste lasten intussen gewoon doorlopen en hun uitgaven in veel gevallen al gedaan zijn. Het gaat concreet om ondernemingen die:

  • Door overheidsingrijpen gedwongen hun deuren moeten sluiten;
  • Dicht moeten vanwege het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen, ook met minder dan honderd personen; of
  • Direct getroffen zijn door het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op basis hiervan is gekomen tot een eerste afbakening van de doelgroep die in aanmerking komt voor de TOGS:

  • eet- en drinkgelegenheden (restaurants, cafetaria’s, cafés en dergelijke);
  • bioscopen;
  • haar- en schoonheidsverzorging (kappers, pedicures, visagisten en dergelijke);
  • reisbemiddeling en reisorganisaties;
  • rijschoolhouders;
  • sauna’s, solaria, zwembaden, fitnesscentra, sportclubs en sportevenementen;
  • bepaalde private culturele instellingen zoals musea, circus, theaters, schouwburgen en muziekscholen;
  • bepaalde groepen ondernemers in de detailhandel, zoals winkeliers, benzinestations, tuincentra.

Het gaat hierbij om ondernemingen die zijn gevestigd buiten de woning, maar er gelden uitzonderingen voor onder andere horecaondernemingen en ambulante ondernemingen (zie hierna voor een nadere toelichting op de vestigingsvereiste).

Uitbreiding doelgroep
Per 15 april 2020 is de doelgroep verder vergroot. Diverse contactberoepen – zoals tattooshops – die zich eerder nog niet konden aanmelden, omdat ze geen specifieke SBI-code hadden, krijgen toegang tot de TOGS. Ook zijn kleinere winkeliers in de voedselsector, dienstverlening zoals campings en taxibedrijven, gedupeerde agrarische recreatieondernemingen zoals een kampeerboerderij en gedupeerde ondernemingen in de toeleveringsketen zoals groothandels in retail en horeca, fotografen, film- en televisieproductiebedrijven, particuliere beveiliging, uitzendbedrijven en leasebedrijven toegevoegd.

Vanaf 22 april 2020 kunnen ook bepaalde gedupeerde zorgondernemingen zoals tandartsen, fysiotherapeuten, verloskundigen en thuiszorgwinkels de TOGS aanvragen.

Op 12 juni 2020 is nog een verdere (en laatste) uitbreiding van de doelgroep aangebracht. Hierdoor kunnen onder andere audiciens, warme bakkers, handelaren en reparateurs van caravans, standbouwers en supermarkten gevestigd op campings, stations, transportterminals, studentencampussen en recreatieterreinen alsnog aanspraak maken op de TOGS. Ook dorpshuizen, gemeenschapshuizen en wijkcentra zijn toegevoegd aan de doelgroep.

Lijst met SBI-codes
Zie voor een gedetailleerde lijst met Standaard Bedrijfsindeling (SBI-codes) de website van de RVO (www.rvo.nl/vastgestelde SBI-codes).

Beoordeling bij afwijkende SBI-code
Ondernemers die, op basis van hun hoofd- of nevenactiviteit, menen in aanmerking te komen voor de TOGS, maar zien dat zij geregistreerd staan onder een verkeerde SBI-code, kunnen dit melden bij de RVO. De RVO toetst samen met de Kamer van Koophandel deze verzoeken op redelijkheid en billijkheid en aan de hand van de economische activiteit waarmee de onderneming in het handelsregister staat ingeschreven. Ondernemers krijgen vervolgens uitsluitsel van de RVO.

TOGS

Gedupeerde onderneming
Gedupeerde ondernemingen met een juiste SBI-code kunnen een eenmalige belastingvrije gift van € 4000 ontvangen, als zij verwachten gedurende de periode vanaf 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19:

  • Een omzetverlies van ten minste € 4000 zullen realiseren; en
  • Ten minste € 4000 aan vaste lasten te hebben, ook na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen rond de coronacrisis.

De TOGS geldt per onderneming en niet per vestigingseenheid. De TOGS moet worden gezien als aanvulling op andere overheidsondersteuning uit het noodpakket banen en economie.

Aan de besteding van de TOGS door ondernemingen worden geen nadere eisen gesteld.

Gedupeerde onderneming met geregistreerde nevenactiviteit
Als de gedupeerde onderneming niet met zijn hoofdactiviteit, maar wel met een nevenactiviteit met een juiste SBI-code staat ingeschreven in het handelsregister, bestaat vanaf 25 april 2020 ook recht op TOGS. Dit gold al sinds 15 april 2020 voor de zogenoemde gedupeerde agrarische recreatieonderneming, maar vanaf 25 april 2020 is dit voor alle gedupeerde ondernemingen van toepassing.

Er geldt wel de voorwaarde dat het te verwachten omzetverlies en de te verwachten vaste lasten uitsluitend betrekking hebben op die nevenactiviteit. Verwachte omzetverliezen of vaste lasten van andere activiteiten tellen niet mee.

Gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen
Een gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen (deze ondernemingen staan apart vermeld op de lijst met SBI-codes) komt vanaf 15 april 2020 in aanmerking voor de TOGS, maar alleen als die onderneming het omzetverlies verwacht te lijden doordat de onderneming voor minimaal 70% van zijn omzet afhankelijk is van direct gedupeerde ondernemingen of activiteiten die door de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 verboden zijn of ontraden worden.

Gedupeerde zorgonderneming
Een gedupeerde zorgonderneming (deze ondernemingen staan apart vermeld op de lijst met SBI-codes) komt vanaf 22 april 2020 in aanmerking voor de TOGS, maar alleen als die onderneming verwacht ook na een beroep te hebben gedaan op de continuïteitsbijdrage van zorgverzekeraars (zie Financiële maatregelen voor ondernemers in dit Dossier Corona), nog steeds omzetverlies en vaste lasten te hebben. Aan de lijst zijn op 12 juni 2020 de tandtechnische bedrijven toegevoegd.

Gedupeerde onderneming met dorpshuis, gemeenschapshuis of wijkcentrum
Dorpshuizen, gemeenschapshuizen en wijkcentra zijn in sommige gevallen eveneens direct getroffen door de coronacrisis, namelijk wanneer zij horeca-activiteiten ontplooien of zalen verhuren voor evenementen en bijeenkomsten. Deze ondernemers zijn vanaf 12 juni 2020 toegevoegd aan de lijst met SBI-codes, via een nadere aanduiding. Voorwaarde is dat het te verwachten omzetverlies en de te verwachten vaste lasten betrekking hebben op de horeca-activiteiten of de zaalverhuuractiviteiten van de onderneming.

Gedupeerde vervaardigende onderneming met retailwinkel
Er zijn ondernemers die zich richten op de vervaardiging en/of het ontwerp van producten, maar daarnaast deze producten verkopen in een winkel (de zogenoemde retailwinkel). Voorbeelden zijn brood en banket, bier, kleding. In sommige gevallen staan deze ondernemingen in het handelsregister echter alleen ingeschreven onder hun vervaardigende activiteit. Deze ondernemers zijn vanaf 12 juni 2020 toegevoegd aan de lijst met SBI-codes, maar met de nadere aanduiding dat ze ook een fysieke retailwinkel exploiteren. Voorwaarde is dat het te verwachten omzetverlies en de te verwachten vaste lasten betrekking hebben op de activiteiten van de onderneming voor de betreffende retailwinkel.

Voorwaarden

Inschrijving Kamer van Koophandel
Het moet gaan om een onderneming die op peildatum 15 maart 2020 ingeschreven was in het handelsregister, met een fysieke vestiging in Nederland, met een hoofd- of nevenactiviteit met bijbehorende SBI-code zoals vermeld op de lijst met SBI-codes, eventueel nader geclausuleerd.

Is de aanvraag gebaseerd op een geregistreerde nevenactiviteit, dan moet een onderneming uitsluitend op basis van die nevenactiviteit voldoen aan de eisen. Omzetverlies en vaste lasten die betrekking hebben op de geregistreerde hoofdactiviteit of andere nevenactiviteiten mogen niet meewegen in de aanvraag.

Ondernemingen die zich na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht hebben ingeschreven of de SBI-code hebben aangepast, komen niet in aanmerking. Alleen ondernemingen die niet in staat van faillissement verkeren en waarvoor geen verzoek tot surseance van betaling is ingediend, komen voor de TOGS in aanmerking.

Maximaal 250 werknemers
De TOGS is bedoeld voor ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (MKB), inclusief zzp’ers, omdat deze groep doorgaans het hardst getroffen wordt door omzetverlies, hoge vaste kosten heeft en weinig financiële buffer heeft. Daarom geldt als voorwaarde dat er maximaal 250 personen werkzaam mogen zijn bij de onderneming.

Vestigingsvereiste
De TOGS wordt alleen verstrekt aan ondernemingen met minimaal één vestiging buiten de woning waar zij zelf wonen (het privéadres van de eigenaar of eigenaren). Ook is toegestaan dat de onderneming in de privéwoning is gevestigd, maar dan moet die vestiging fysiek zijn afgescheiden en een eigen opgang of toegang hebben. Die fysieke afscheiding moet de ondernemer kunnen aantonen met bewijsstukken, zoals een huur- of koopovereenkomst of de aftrekpost van een werkruimte in de belastingaangifte inkomstenbelasting.

De vestigingsvereiste geldt niet voor:

  • Horecaondernemingen ingeschreven in het handelsregister onder de SBI-codes 56.10.1, 56.10.2 of 56.30 (bijvoorbeeld restaurant, café, fastfoodrestaurant, cafetaria, ijssalon, eetkraam). Wel moet een horecaonderneming ten minste één horecagelegenheid huren, pachten of in eigendom hebben.
  • Ambulante ondernemingen ingeschreven in het handelsregister onder de SBI-codes 47.81.1, 47.81.9, 47.82, 47.89.1, 47.89.2, 47.89.9, 49.39.1, 49.32, 50.10, 50.30, 85.53 of 93.21.2 (bijvoorbeeld markthandel, binnenvaartdienstverlening (passagiersvaart en veerdienst), zee- en kustvaart, auto- en motorrijschool, taxibedrijf, touringcaroperator, kermisexploitant).

Bij een groot deel van deze ondernemers komt het vestigingsadres overeen met het woonadres van die ondernemer. Aangezien deze specifieke groep van ondernemers ook hoge vaste kosten heeft, is het niet wenselijk deze groep uit te sluiten van de TOGS. 

Staatssteun
De TOGS wordt niet verstrekt als de algemene de-minimisverordening (staatssteun) zich hiertegen verzet. Dat betekent dat de onderneming moet voldoen aan het zogenoemde de-minimisplafond per onderneming. Dat is een plafond van € 200.000 aan de-minimissteun per drie belastingjaren (het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren).

Verder is van belang dat dit plafond geldt per onderneming en niet per vestiging van de onderneming. Concreet betekent dit dat de onderneming minstens € 4000 aan ruimte voor de-minimissteun moet hebben.

Private sector
Overheidsbedrijven zijn uitgezonderd van de TOGS.

Aanvraag
Aanvragen kunnen worden ingediend bij de RVO vanaf 27 maart 2020 t/m 26 juni 2020 op de website www.rvo.nl/tegemoetkomingcorona. Bij de aanvraag is een eHerkenningsmiddel niveau 1 of hoger nodig of een DigiD. Ook ondernemers kunnen inloggen met Digid.

Bij de aanvraag moet de onderneming met een aantal vinkjes een verklaring inleveren omtrent het omzetverlies (dus geen bewijs) en de vaste kosten en nog een aantal verklaringen over het voldoen aan de (voor die onderneming geldende specifieke) voorwaarden van de TOGS. In het geval van een fysiek afgescheiden vestiging thuis, moeten ook de bewijsstukken daarvan bij de aanvraag worden overgelegd.

De RVO behandelt de aanvragen op volgorde van binnenkomst. De bedoeling is dat aanvragers die voldoen aan de voorwaarden binnen twee weken na het indienen van de aanvraag de TOGS-gift ontvangen. De beslistermijn van de RVO op de aanvraag is formeel drie weken. Intermediairs moeten over een machtiging beschikken om de aanvraag namens hun klant te kunnen doen, maar die machtiging hoeft niet meegestuurd te worden met de aanvraag.

Controle
De RVO heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de aanvrager daadwerkelijk aan alle voorwaarden voldoet en eventueel noodzakelijke bewijsstukken heeft overgelegd. Als dit niet het geval is, kan de TOGS-beschikking binnen vijf jaar na verstrekking daarvan ingetrokken worden of kan de hoogte worden herzien. Er volgt dan gehele of gedeeltelijke terugvordering, eventueel met verrekening van wettelijke rente. Dit kan bijvoorbeeld wanneer de onderneming een valse verklaring over het te verwachten omzetverlies of de verwachte vaste kosten heeft aangeleverd.

Belastingvrijstelling
De eenmalige TOGS-gift is belastingvrij. De vrijstelling wordt geregeld in een apart artikel in het Belastingplan 2021. Het wetsvoorstel is op Prinsjesdag 2020 ingediend bij het parlement.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; brief minister van EZK tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 27-3-2020, nr. DGBI-O/20087452; Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19, Stcrt. 2020, 19159; brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; Regeling uitbreiding van de sectoren die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming, Stcrt. 2020, 22337; nieuwsbericht ministerie van EZK 28-4-2020; brief minister van EZK beantwoording vragen over de 2e incidentele suppletoire EZK-begroting inzake noodpakket banen en economie 4-5-2020, nr. FEZ/20127323; Regeling wijziging beleidsregel TOGS opdat ondernemers tevens met hun nevenactiviteit in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming, Stcrt. 2020, 26906; brief staatssecretaris van EZK stand van zaken Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) 12-6-2020, nr. DGBI-O/20164871; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Regeling wijziging beleidsregel TOGS in verband met enkele rechtzettingen 21-6-2020, Stcrt. 2020, 33950; wetsvoorstel Belastingplan 2021 (TK 35572); Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

7. Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)

Bijgewerkt op 17 september 2020, 13.45 uur

Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-1 per 30 juni 2020 opengesteld. In de praktijk wordt deze subsidieregeling aangeduid als de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). De TVL is de opvolger van Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona).

TVL en TOGS
De TVL richt zich op dezelfde door de coronacrisis getroffen ondernemingen en instellingen als de TOGS. De hoogte van de tegemoetkoming, de berekeningswijze als ook de systematiek van subsidieverlening wijken wel van de TOGS.

De TVL houdt, anders dan de TOGS, rekening met de hoogte van het omzetverlies en de omvang van de vaste lasten in een sector en sluit daarmee gerichter aan op de behoeften per individuele onderneming. Dit betekent ook dat TVL-subsidie voor een onderneming hoger, maar ook lager kan uitvallen dan de TOGS-tegemoetkoming.

Getroffen MKB-onderneming
Voor veel bedrijven en organisaties (hierna: ondernemingen) zijn de vaste kosten een probleem in het licht van de economische gevolgen door de coronacrisis. Een groot aantal ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (MKB) is direct getroffen door de (verplichte) sluiting of het ontmoedigen van klanten om te komen. Als na de versoepeling van de coronamaatregelen sectoren weer open gaan, zijn ondernemingen niet altijd in staat een normale omzet te draaien, laat staan het eerder geleden omzetverlies in te halen.

De TVL voorziet tegen die achtergrond in een subsidie voor deze kosten voor de hardst geraakte sectoren in het MKB, waaronder de horeca, recreatie, sportscholen, evenementen, kermissen, speelautomatenhallen, podia en theaters, waarvan een aantal sectoren ook in de zomermaanden nog gesloten blijft. Doel is dat ondernemingen hiermee over voldoende liquide middelen beschikken om de komende maanden de vaste lasten te kunnen blijven betalen en hun onderneming draaiende te houden, ook bij verminderde omzetten.

De TVL is bedoeld voor MKB-ondernemingen, waaronder ook zzp’ers, omdat deze groep doorgaans het hardst getroffen wordt door omzetverlies, hoge vaste kosten en weinig financiële buffers heeft. Ook zijn deze ondernemingen minder goed in staat op andere wijze de liquiditeitspositie te verbeteren.

De doelgroep van TVL is gelijk aan die van de TOGS: de MKB-onderneming moet een inschrijving in het handelsregister hebben (hoofd- of nevenactiviteit) met een code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) die expliciet vermeld staat op een lijst met SBI-codes. Het gaat hierbij om ondernemingen die:

  • Door overheidsingrijpen gedwongen hun deuren hebben moeten sluiten.
  • Dicht moeten vanwege het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen.
  • Direct getroffen zijn door het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
  • Omzetverlies lijden die het directe gevolg is van het wegblijven van consumenten door de overheidsmaatregelen of die hun activiteit niet meer kunnen uitoefenen als direct gevolg van de (centrale of lokale) overheidsmaatregelen.
  • Die zorg verlenen of groothandel zijn en hun omzet hebben zien dalen door de overheidsmaatregelen (vooral omdat ze toeleveren aan de direct getroffen sectoren en bedrijven).

Uitbreiding doelgroep
Vanaf 20 augustus 2020 komen ondernemers in de recreatieve vliegsector die pleziervluchten aanbieden, zoals luchtballonvaarders, ook in aanmerking voor de TVL.

Lijst met SBI-codes
Zie voor een gedetailleerde lijst met Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-codes) de website van de RVO (www.rvo.nl/vastgestelde SBI-codes).

Beoordeling bij afwijkende SBI-code
De aanduiding van de hoofd- en nevenactiviteiten met bijbehorende SBI-codes zijn in het handelsregister gebaseerd op de aanduiding van de activiteiten van de onderneming. Als blijkt dat de onderneming met de geregistreerde hoofd- en nevenactiviteit niet in aanmerking komt voor TVL, terwijl zij wel een activiteit uitvoert die op de lijst met SBI-codes staat, kan toch TVL worden verkregen. Dit moet blijken uit de aanduiding van de activiteiten zoals die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond.

Deze mogelijkheid ziet dus niet op na die datum aangepaste aanduidingen van activiteiten in het handelsregister, of om feitelijke activiteiten die afwijken van wat er in het handelsregister is opgenomen.

Tot slot ziet deze mogelijkheid alleen op het geval dat de in het handelsregister opgenomen hoofd- of nevenactiviteit met bijbehorende SBI-code van een onderneming niet in de bijlage is opgenomen en niet op het geval waarin de in het handelsregister opgenomen hoofd- of nevenactiviteit wel in de bijlage is opgenomen, maar de onderneming bijvoorbeeld van oordeel is dat de verdeling in hoofd- en nevenactiviteit ook anders gemaakt had kunnen worden.

Een onderneming die met toepassing van deze mogelijkheid de TOGS heeft ontvangen, komt automatisch ook in aanmerking voor TVL, uiteraard mits zij aan de overige criteria van de TVL voldoet.

TVL

Getroffen MKB-onderneming
De RVO verleent onder de TVL eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen in de vaste lasten in de maanden juli tot en met september 2020.

Een getroffen MKB-onderneming is een onderneming die:

  • een omzetverlies heeft van minimaal 30%; en
  • een forfaitair bepaald bedrag aan vaste kosten heeft van minimaal € 4000. Dit forfaitaire bedrag aan vaste kosten wordt berekend door het per sector bepaalde vastelastenpercentage te vermenigvuldigen met de referentieomzet (zie hierna).

De TVL geldt per onderneming en niet per vestigingseenheid. De TVL moet worden gezien als aanvulling op andere overheidsondersteuning rond de coronacrisis. Aan de besteding van de TVL worden verder geen nadere eisen gesteld.

De forfaitaire berekening van de vaste lasten van de onderneming heeft in beginsel geen relatie met het daadwerkelijk betaalde bedrag aan vaste lasten dat de onderneming betaalt in de subsidieperiode. Ondernemingen hoeven het bedrag van de vaste lasten in die periode dan ook niet aan te tonen.

Wel moet bedacht worden dat als een TVL-ontvanger gedurende de subsidieperiode stopt met zijn activiteiten en ook zijn vaste lasten tot nul brengt, de ontvanger oneigenlijk gebruik maakt van de TVL. De ontvanger handelt dan in strijd met het doel van de subsidieregeling, het bijdragen aan de financiering van de vaste lasten van getroffen MKB-ondernemingen.

Starter
Een onderneming die na 29 februari 2020 maar uiterlijk 15 maart 2020 voor de eerste keer is ingeschreven in het handelsregister, hoeft niet te voldoen aan het omzetverliesvereiste. Is de onderneming tussen 1 april 2019 en 29 februari 2020 gestart, dan geldt het omzetverliesvereiste wel, maar moet een aparte berekening daarvan gemaakt worden. Wel geldt voor starters altijd het vereiste van de vaste lasten, in die zin dat de onderneming voor TVL in aanmerking komt als minimaal € 4000 aan vaste lasten in de maanden juni tot en met september 2020 worden verwacht. Een starter kan gevraagd worden dit aan te tonen.

Getroffen MKB-onderneming met geregistreerde nevenactiviteit
Als de getroffen onderneming niet met zijn hoofdactiviteit, maar wel met een nevenactiviteit met een juiste SBI-code staat ingeschreven in het handelsregister, bestaat ook recht op TVL. Er geldt wel de voorwaarde dat het omzetverlies uitsluitend betrekking heeft op die nevenactiviteit. Omzetverliezen van andere activiteiten tellen niet mee.

Getroffen MKB-onderneming met een dorpshuis, gemeenschapshuis of wijkcentrum
Dorpshuizen, gemeenschapshuizen en wijkcentra zijn in sommige gevallen eveneens direct getroffen door de coronacrisis, namelijk wanneer zij horeca-activiteiten ontplooien of zalen verhuren voor evenementen en bijeenkomsten. Voorwaarde is dat het omzetverlies betrekking heeft op de horeca-activiteiten of de zaalverhuuractiviteiten van de onderneming.

Getroffen vervaardigende MKB-onderneming met een retailwinkel
Er zijn ondernemers die zich richten op de vervaardiging en/of het ontwerp van producten, maar daarnaast deze producten verkopen in een winkel (de zogenoemde retailwinkel). Voorbeelden zijn brood en banket, bier, kleding. In sommige gevallen staan deze ondernemingen in het handelsregister echter alleen ingeschreven onder hun vervaardigende activiteit. Voorwaarde is dat het omzetverlies betrekking heeft op de activiteiten van de onderneming voor de betreffende retailwinkel.

Getroffen MKB-onderneming in recreatieve vliegsector
Ondernemers in de recreatieve vliegsector komen vanaf 20 augustus 2020 in aanmerking voor de TVL. Voorwaarde is dat ze onder de juiste SBI-code staan ingeschreven en recreatieve vluchten aanbieden. Recreatieve vluchten zijn pleziervluchten zoals ballonvaarten en rondvluchten met sportvliegtuigen of helicopters.

Bepaling omzetverlies
Het omzetverlies wordt in beginsel bepaald door de omzet over de subsidieperiode te vergelijken met dezelfde periode in 2019. Op deze wijze wordt een reëel beeld verkregen van het omzetverlies.

Het betreft de omzet exclusief btw, na aftrek van kortingen. Tot de omzet over de subsidieperiode behoren niet subsidies, tegemoetkomingen of andere vormen van overheidssteun in het kader van de coronacrisis, zoals NOW-1 of NOW-2.

Bedacht moet worden dat de omzet over de subsidieperiode pas na afloop daarvan bekend is. Bij de TVL-aanvraag zal die omzet dan ook geschat moet worden. Met de omzetschatting wordt beoordeeld of het te verwachten omzetverlies 30% is. Als dat niet het geval is, wijst de RVO de TVL-aanvraag af. Ook de hoogte van het TVL-voorschot (80%) wordt bepaald met de omzetschatting. Hoe later de TVL wordt aangevraagd, hoe beter de inschatting van het omzetverlies, maar dat betekent ook een latere ontvangst van het voorschot.

Om te bepalen of sprake is van minimaal 30% omzetverlies moeten de volgende berekeningen worden gemaakt:

  • Eerst moeten de referentieomzet en de omzet over de subsidieperiode worden berekend.
  • De referentieomzet is de som van éénderde van de omzet in het tweede kalenderkwartaal van 2019 en de omzet in het derde kalenderkwartaal van 2019.
  • De omzet over de subsidieperiode is de som van de éénderde van omzet in het tweede kalenderkwartaal van 2020 en de omzet in het derde kalenderkwartaal van 2020.
  • Het omzetverlies afgerond op hele procenten is dan het verschil tussen de referentieomzet en de omzet over de subsidieperiode gedeeld door de referentieomzet (x 100%).

Er gelden uitzonderingen voor starters:

  • Een onderneming na 1 april 2019 maar uiterlijk op 15 november 2019 is gestart moet als referentieomzet de omzet over de eerste vier kalendermaanden volgend op de start van de activiteiten nemen.
  • Een onderneming die na 15 november 2019 maar uiterlijk op 29 februari 2020 is gestart moet als referentieomzet de omzet over de periode na de dag van de start van de activiteiten tot en met 15 maart 2020 nemen, die omzet delen door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen en die uitkomst vermenigvuldigen met vier.

Als een onderneming belastingplichtig is voor de omzetbelasting (btw), moet de omzet worden ontleend aan de btw-aangiften. De meeste ondernemingen doen per kwartaal btw-aangifte. Maar ook bij maandaangifte moet toch éénderde van de omzet over het tweede kwartaal worden genomen en mag niet de juni-aangifte genomen worden.

Als geen sprake is van btw-plicht of in ander gevallen dat geen btw in Nederland wordt afgedragen of de omzet niet uit de btw-aangifte is te herleiden (bijvoorbeeld bij een fiscale eenheid voor de btw, btw-aangifte op jaarbasis, btw-vrijstelling of nevenactiviteiten), moet de onderneming de omzet ontlenen aan de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk.

Hoogte
De hoogte van de TVL wordt met de volgende formule berekend:

TVL = referentieomzet x omzetverlies% x vastelasten% x 0,5

De referentieomzet en het omzetverliespercentage is hiervoor aan de orde gekomen.

Het vastelastenpercentage is een per sector bepaald percentage dat de vaste lasten deel uit maken van de omzet. Het voor een sector geldende percentage staat vermeld in de lijst met SBI-codes. Als meerdere sectoren van toepassing zijn, mag het hoogste percentage genomen worden.

Het kabinet wil maximaal 50% van de vaste lasten subsidiëren. Dit betekent dat de TVL maximaal 50% van de totale vaste lasten bedraagt (bij het volledig wegvallen van de omzet) en minimaal 15% van de totale vaste lasten (bij het halen van de drempel van het omzetverlies van 30%).

De TVL bedraagt minimaal € 1000 en maximaal € 50.000 over de gehele subsidieperiode van vier maanden. Voor een na 29 februari 2020 gestarte onderneming bedraagt de TVL € 1000.

Voorschot
Als de RVO op de aanvraag voor toekenning van de TVL positief beschikt, wordt een eenmalig voorschot toegekend van 80%. Dat voorschot is gebaseerd op het bij de aanvraag opgegeven geschatte omzetverlies.

Voorwaarden

Inschrijving Kamer van Koophandel
Het moet gaan om een onderneming die op peildatum 15 maart 2020 ingeschreven was in het handelsregister, met een fysieke vestiging in Nederland, met een hoofd- of nevenactiviteit met bijbehorende SBI-code zoals vermeld op de lijst met SBI-codes, eventueel nader geclausuleerd.

Is de aanvraag gebaseerd op een geregistreerde nevenactiviteit, dan moet een onderneming uitsluitend op basis van die nevenactiviteit voldoen aan de eisen. Omzetverlies en vaste lasten die betrekking hebben op de geregistreerde hoofdactiviteit of andere nevenactiviteiten mogen niet meewegen in de aanvraag.

Ondernemingen die zich na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht hebben ingeschreven of de SBI-code hebben aangepast, komen niet in aanmerking.

Alleen ondernemingen die niet op 31 december 2019 in staat van faillissement verkeren en waarvoor geen verzoek tot surseance van betaling is ingediend, komen voor de TVL in aanmerking.

Maximaal 250 werknemers
De TVL is bedoeld voor ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (MKB), inclusief zzp’ers, omdat deze groep doorgaans het hardst getroffen wordt door omzetverlies, hoge vaste kosten heeft en weinig financiële buffer heeft. Daarom geldt als voorwaarde dat er maximaal 250 personen werkzaam mogen zijn bij de onderneming. Daarnaast gelden maximumeisen aan jaaromzet en balanstotaal.

Vestigingsvereiste
De TVL wordt alleen verstrekt aan ondernemingen met minimaal één vestiging buiten de woning waar zij zelf wonen (het privéadres van de eigenaar of eigenaren). Ook is toegestaan dat de onderneming in de privéwoning is gevestigd, maar dan moet die vestiging fysiek zijn afgescheiden en een eigen opgang of toegang hebben. Die fysieke afscheiding moet de ondernemer kunnen aantonen met bewijsstukken, zoals een huur- of koopovereenkomst of de aftrekpost van een werkruimte in de belastingaangifte inkomstenbelasting.

De vestigingsvereiste geldt niet voor:

  • Horecaondernemingen ingeschreven in het handelsregister onder de SBI-codes 56.10.1, 56.10.2 of 56.30 (bijvoorbeeld restaurant, café, fastfoodrestaurant, cafetaria, ijssalon, eetkraam). Wel moet een horecaonderneming ten minste één horecagelegenheid huren, pachten of in eigendom hebben.
  • Ambulante ondernemingen ingeschreven in het handelsregister onder de SBI-codes 47.81.1, 47.81.9, 47.82, 47.89.1, 47.89.2, 47.89.9, 49.39.1, 49.32, 50.10, 50.30, 51.10, 85.53 of 93.21.2 (bijvoorbeeld markthandel, binnenvaartdienstverlening (passagiersvaart en veerdienst), zee- en kustvaart, auto- en motorrijschool, taxibedrijf, touringcaroperator, kermisexploitant).

Bij een groot deel van deze ondernemers komt het vestigingsadres overeen met het woonadres van die ondernemer. Aangezien deze specifieke groep van ondernemers ook hoge vaste kosten heeft, is het niet wenselijk deze groep uit te sluiten van de TVL.

Staatssteun
De TVL wordt niet verstrekt als het tijdelijk steunkader voor staatssteun zich hiertegen verzet. Dat betekent dat de onderneming inclusief de TVL niet meer dan € 800.000 aan tijdelijke staatssteun mag ontvangen. Voor ondernemingen die mede actief zijn in de landbouw- en visserijsector (€ 120.000) of in de verwerking van landbouwproducten (€ 100.000) en dus meer dan één hoofdactiviteit hebben, gelden vermelde lagere maxima aan tijdelijke staatssteun.

Voor ondernemingen met alleen een onder de TVL vallende nevenactiviteit geldt in alle gevallen het maximum van € 800.000. Voor die categorie wordt immers alleen de omzet van die activiteit in aanmerking genomen.

Verder is van belang dat dit plafond geldt per onderneming en niet per vestiging van de onderneming. Concreet betekent dit dat de onderneming dus minimaal het bedrag van de TVL aan ruimte voor tijdelijke staatssteun moet hebben.

Voor een onderneming in de recreatieve vliegsector geldt dat de TVL niet wordt verstrekt als de algemene de-minimisverordening (staatssteun) zich hiertegen verzet. Dat betekent dat de onderneming moet voldoen aan het zogenoemde de-minimisplafond per onderneming. Dat is een plafond van € 200.000 aan de-minimissteun per drie belastingjaren (het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren).

Verder is van belang dat dit plafond geldt per onderneming en niet per vestiging van de onderneming. Concreet betekent dit dat de onderneming minimaal het bedrag van de TVL aan ruimte voor de-minimissteun moet hebben.

Private sector
Overheidsbedrijven zijn uitgezonderd van de TVL.

Aanvraag

Voorschot
Aanvragen voor het voorschot kunnen worden ingediend bij de RVO vanaf 30 juni 2020 t/m 30 oktober 2020 (17.00 uur) op de website www.rvo.nl. Bij de aanvraag is een eHerkenningsmiddel niveau 1 of hoger nodig of een DigiD. Ook ondernemers kunnen inloggen met Digid.

Bij de aanvraag van het voorschot moet de onderneming een schatting van de omzet over de subsidieperiode indienen. In het geval van een fysiek afgescheiden vestiging thuis, moeten naast een verklaring met een vinkje, ook de bewijsstukken daarvan worden overgelegd. Als sprake is van een na 29 februari 2020 gestarte onderneming, moet verklaard worden dat voldaan wordt aan het vereiste van de minimale vaste kosten.

De RVO behandelt de aanvragen op volgorde van binnenkomst. De beslistermijn van de RVO op de aanvraag is acht weken, maar mag verlengd worden. Het voorschot wordt in een keer overgemaakt.

Subsidievaststelling
Na afloop van de subsidieperiode moet de onderneming uiterlijk 1 april 2021 een aanvraag indienen voor een definitieve subsidievaststelling.

De onderneming moet zowel bij de aanvraag van het voorschot als bij de subsidievaststelling een opgave van de omzet voegen, bestaande uit afschriften van de ingediende btw-aangiften, boekhouding, resultatenrekening, jaarrekening, jaarverslag of andere bewijsstukken. Voor na 29 februari 2020 gestarte ondernemers geldt deze verplichting niet.

De beslistermijn van de RVO op de aanvraag tot subsidievaststelling is 16 weken. Bij de afrekening kan sprake zijn van terugvordering of nabetaling.

Als het daadwerkelijke omzetverlies over de subsidieperiode minder dan 30% bedraagt, stelt de RVO de uiteindelijke TVL op nihil vast. Dit laatste geldt niet voor na 29 februari 2020 gestarte ondernemers.

Controle
De RVO heeft de mogelijkheid om achteraf te toetsen of de aanvrager daadwerkelijk aan alle voorwaarden voldoet en noodzakelijke bewijsstukken heeft overgelegd. Bij de controle kan de RVO gebruik maken van door de Belastingdienst verstrekte omzetgegevens en btw-plicht.

De TVL-ontvanger moet een zodanige administratie voeren dat daaruit altijd op een eenvoudige en duidelijke wijze kan worden vastgesteld dat aan de subsidie-eisen wordt voldaan. De administratie moet tien jaar lang worden bewaard.

Verlenging tot 1 juli 2021
Het kabinet heeft op 28 augustus 2020 aangekondigd dat de TVL drie keer met drie maanden verlengd zal worden. Ook heeft het kabinet aangekondigd dat het maximale bedrag per bedrijf per drie maanden verhoogd wordt naar € 90.000. In de op 28 augustus 2020 verschenen brief over het herstel- en steunpakket staat dat de voorwaarden voor de TVL per 1 oktober 2020 niet veranderen. Per 1 januari 2021 worden de voorwaarden voor de TVL echter aangescherpt want voor de periode 1 januari 2021 t/m 31 maart 2021 wordt de omzetdervingsgrens verhoogd naar 40% en voor de periode 1 april 2021 t/m 30 juni 2021 wordt die grens op 45% gesteld. De overige voorwaarden voor de TVL blijven ongewijzigd.

Belastingvrijstelling
De eenmalige TVL-gift is belastingvrij. De vrijstelling wordt geregeld in een apart artikel in het Belastingplan 2021. Het wetsvoorstel is op Prinsjesdag 2020 ingediend bij het parlement.

Bron: brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet noodpakket 2.0 29-5-2020, nr. 2020-0000075592; Besluit noodmaatregelen coronacrisis 16-6-2020, nr. 2020-12560, Stcrt. 2020, 33211; Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-1, Stcrt. 2020, 34295; Regeling wijziging van subsidiefinanciering vaste lasten MKB COVID-19 in verband met de toevoeging van de recreatieve vliegsector aan de lijst van getroffen sectoren 18-8-2020, nr. WJZ/20206554, Stcrt. 2020, 43859; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000; wetsvoorstel Belastingplan 2021 (TK 35572); Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

8. Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

Bijgewerkt op 1 september 2020, 16.00 uur

Door de maatregelen van het Rijk om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen derven veel zelfstandige ondernemers noodgedwongen inkomsten. Het kabinet ondersteunt deze groep, zodat zij na de coronacrisis hun bedrijf kunnen voortzetten. Het kabinet heeft daarom een tijdelijke voorziening ingesteld die met terugwerkende kracht per 1 maart 2020 is ingegaan: de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).

De Tozo is een aparte AMvB gebaseerd op de Participatiewet en geldt naast het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Zelfstandigen met financiële problemen door de coronacrisis kunnen een beroep doen op de Tozo, die uitgevoerd wordt door gemeenten.

Tozo 1 en Tozo 2
De looptijd van de Tozo was aanvankelijk tot en met 31 mei 2020, maar het kabinet heeft de regeling met vier maanden verlengd. De einddatum van deze met vier maanden verlengde zogenoemde Tozo 2 is 30 september 2020. Overigens is Tozo 2 geen nieuwe AMvB, de formele verlenging is via een ministeriële regeling ingevoerd. 

Waar hierna over Tozo 2 wordt gesproken, wordt bedoeld de specifieke en afwijkende bepalingen van de Tozo in het tijdvak 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020. Met Tozo 1 wordt de Tozo over het tijdvak 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 bedoeld. Voor het overige zijn de bepalingen van de Tozo gedurende het tijdvak 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 hetzelfde.

Tozo 3
Op 28 augustus 2020 heeft het kabinet aangekondigd dat de Tozo per 1 oktober 2020 met negen maanden zal worden verlengd. De einddatum van deze met negen maanden verlengde zogenoemde Tozo 3 is 30 juni 2021. De precieze voorwaarden voor de Tozo 3 zijn nog niet bekend gemaakt maar in de op 28 augustus verschenen brief over het herstel- en steunpakket zijn de hoofdlijnen bekend gemaakt. Hieruit blijkt het volgende:

  • Per 1 oktober 2020 komt er, naast alle toetsen die in Tozo 2 staan, een toets op beschikbare geldmiddelen. De toets op beschikbare geldmiddelen wordt zodanig vormgegeven dat zelfstandigen niet worden gedwongen onderdelen van hun bedrijf of zelfstandig beroep te liquideren. De toets houdt in dat ondernemers met meer dan € 46.520 aan direct beschikbare geldmiddelen (zoals contant geld, bank- en spaarsaldo en aandelen, obligaties en opties e.d.) niet in aanmerking komen voor de Tozo 3. Ander vermogen, waaronder dat uit de eigen woning, afgeschermd pensioen, bedrijfspand, machines, zakelijke apparatuur en voorraden, wordt buiten beschouwing gelaten.
  • Vanaf 1 januari 2021 ondersteunt het kabinet zelfstandig ondernemers waar nodig om zich voor te bereiden op een nieuwe toekomst, hetzij als zelfstandig ondernemer, hetzij als werknemer in loondienst. Gemeenten zullen samen met zelfstandig ondernemers inventariseren of en welke ondersteuning van de zelfstandig ondernemer nodig is. Dit kan bijvoorbeeld gaan om coaching, advies, bij- of omscholing en heroriëntatie. De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheden om dit maatwerk te bieden.
  • Net als in Tozo 1 en Tozo 2 zal de kostendelersnorm en levensvatbaarheidstoets niet worden toegepast bij de bepaling van de bijstand voor levensonderhoud.
  • De voorwaarden voor de verstrekking van bedrijfskapitaal zijn het zelfde als in Tozo 2.
  • Vanaf 1 juli 2021 is het reguliere Bbz van toepassing.

Bijstand
Een zelfstandige kan een aanvraag indienen voor:

  • Een aanvullende uitkering voor levensonderhoud (algemene bijstand als inkomensondersteuning), voor zaken als boodschappen en huur.
  • Een lening voor bedrijfskapitaal voor liquiditeitsproblemen.

Inkomensondersteuning
De inkomensondersteuning vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. Hierbij geldt voor gehuwden en samenwonenden dat het inkomen wordt aangevuld tot een bedrag van € 1500 netto en voor alleenstaanden vanaf 21 jaar tot € 1050 netto per maand. De gebruikelijke lagere bijstandsnormen gelden voor jongeren van 18 tot 21 jaar.

Voor een echtpaar of samenwonenden (met kinderen) waarvan beide partners zelfstandige ondernemer zijn, is € 1500 netto het maximumbedrag dat wordt uitgekeerd.

De inkomensondersteuning wordt in één keer toegekend voor een periode van maximaal zeven (onder Tozo 1 was dit maximaal drie) aaneengesloten maanden, gelegen in de periode tussen 1 maart 2020 en 1 oktober 2020. De inkomensondersteuning onder Tozo 2 kan alleen worden toegekend over de maanden juni, juli, augustus en september 2020. Een overlappende maand onder Tozo 1 en Tozo 2 is niet toegestaan. 

De inkomensondersteuning wordt maandelijks als gift uitbetaald en hoeft dus niet te worden terugbetaald.

De inkomensondersteuning telt mee voor het toetsingsinkomen van de inkomensafhankelijke toeslagen als huurtoeslag en zorgtoeslag en bij de bepaling van de hoogte van inkomensafhankelijke bijdragen in de zorg.

Lening
Zelfstandigen kunnen per onderneming een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157 krijgen om liquiditeitsproblemen op te lossen in de maanden maart, april of mei 2020 of onder Tozo 2 juni, juli, augustus of september 2020.

Als zelfstandigen deze leningsmogelijkheid van € 10.157 nog niet volledig hebben benut, kunnen zij onder Tozo 2 de nog niet benutte ruimte met een tweede lening bijlenen.

Gehuwden die beide zelfstandige met een eigen onderneming zijn, kunnen ieder voor hun eigen onderneming een lening aanvragen.

Het rentepercentage is 2% en de maximale looptijd is drie jaar. Tot 1 januari 2021 is de lening aflossingsvrij, de renteberekening start vanaf het moment dat de lening is verstrekt. Vanaf 1 januari 2021 moet de zelfstandige rente en aflossing daadwerkelijk gaan betalen.

Voorwaarden
De Tozo bevat de volgende elementen en voorwaarden:

  • Geen toets op levensvatbaarheid van de onderneming. De zelfstandige moet bij de aanvraag van inkomensondersteuning verklaren dat zijn onderneming financieel is geraakt door de coronacrisis. Wanneer dit achteraf anders blijkt te zijn, moet de zelfstandige dit uit eigen beweging doorgeven aan de gemeente. Bij de aanvraag voor een lening moet de zelfstandige verklaren en aannemelijk maken dat sprake is van liquiditeitsproblemen veroorzaakt door de coronacrisis en aanvullend onder Tozo 2 dat geen sprake is van surseance of faillissement.
  • Geen vermogenstoets (zoals spaargeld, eigen huis).
  • Geen toets op het inkomen van de echtgenoot/partner. Ook een teruggave van inkomstenbelasting telt niet mee als inkomen. Onder Tozo 2 geldt wel een toets op het inkomen van de partner. Bij de aanvraag van Tozo 2 moeten de ondernemer en diens partner verklaren dat er sprake is van een situatie waarin het huishoudinkomen onder het sociaal minimum terecht is gekomen door de coronacrisis.
  • Geen toepassing van de kostendelersnorm. Het niet toepassen van de kostendelersnorm is overigens in strijd met de Participatiewet. Het kabinet komt zo snel mogelijk met een reparatiewet.
  • Zelfstandigen die over de periode dat de inkomensondersteuning wordt gevraagd meer verdienen dan de bijstandsnorm of naast hun onderneming meer loon ontvangen uit een regulier dienstverband dan de bijstandsnorm, krijgen geen inkomensondersteuning. Alleen inkomen dat betrekking heeft op de periode waarover Tozo wordt aangevraagd wordt in aanmerking genomen. Betalingen van facturen voor eerder verricht werk blijven buiten beschouwing. 
  • De zelfstandige die al algemene bijstand op grond van het Bbz ontvangt, heeft geen recht op inkomensaanvulling op grond van de Tozo. Samenloop met een lening kan wel.
  • De eenmalige gift van € 4000 die via Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) kan worden verstrekt aan zelfstandigen wordt niet verrekend met de inkomensondersteuning. De TOGS telt wel mee bij de beoordeling van de aanvraag van de lening. Het voorgaande zal waarschijnlijk ook voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB (TVL) gaan gelden.
  • De regeling geldt alleen voor Nederlanders (en daarmee gelijkgestelden) vanaf 18 jaar tot de AOW-leeftijd, die wonen en rechtmatig verblijven in Nederland (zie hierna voor grensoverschrijdende zelfstandigen). Een uitzondering op de leeftijdsgrens geldt voor AOW-gerechtigde zelfstandigen: zij kunnen ook de lening voor bedrijfskapitaal aanvragen.
  • De gevestigde zelfstandige voldoet aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek uit de inkomstenbelasting (minimaal 1225 uur per jaar gewerkt als zelfstandige). Als nog geen jaar geleden de onderneming gestart is, dan geldt het urencriterium naar rato van het aantal maanden of weken dat is gewerkt.
  • Het bedrijf of zelfstandig beroep wordt hoofdzakelijk in Nederland uitgeoefend (zie hierna voor grensoverschrijdende zelfstandigen), voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van het eigen bedrijf en was op 17 maart 2020 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
  • Bij ondernemers die samenwerken in een maatschap, vennootschap onder firma (VOF), commanditaire vennootschap, BV of coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid wordt de lening alleen verleend als iedere compagnon respectievelijk de BV of coöperatie zich hoofdelijk aansprakelijk stelt. Een uitzondering geldt voor de stille vennoot of maat die alleen arbeid inbrengt.
  • De lening wordt niet verstrekt als de algemene de-minimisverordening (staatssteun) zich hiertegen verzet.
  • Als de zelfstandige zich niet houdt aan de betalingsverplichtingen van de lening, kan de gemeente de lening onmiddellijk opeisen. Dat geldt ook in gevallen als verkoop, beëindiging of faillissement. De gemeente kan zekerheden van de zelfstandige verlangen.

Grensoverschrijdende zelfstandigen
De zelfstandige die in Nederland woont, maar buiten Nederland zijn bedrijf heeft of zijn zelfstandig beroep uitoefent, kan ook aanspraak maken op bijstand voor levensonderhoud. De grensoverschrijdende zelfstandige moet dit kunnen aantonen met een inschrijving in een register dat vergelijkbaar is met het Nederlandse handelsregister. De aanvraag kan vanaf 8 mei 2020 worden ingediend in de gemeente waar de zelfstandige woont. Deze zelfstandige is voor de financiële ondersteuning voor zijn bedrijf aangewezen op de regeling van het land waar het bedrijf gevestigd is.

Voor de omgekeerde situatie (wonen buiten Nederland, maar bedrijf/beroep in Nederland) bestaat aanspraak op bijstand voor bedrijfskapitaal. Als extra eis wordt gesteld dat deze grensoverschrijdende zelfstandige premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Voor levensonderhoud is deze zelfstandige aangewezen op de sociale bijstand in het woonland. Deze zelfstandigen kunnen hun aanvraag vanaf 18 mei 2020 indienen bij de gemeente Maastricht en dus niet bij de Nederlandse gemeente waar het bedrijf of zelfstandig beroep gevestigd is.

Onder “buiten Nederland” is voor de Tozo beperkt tot alle lidstaten van de Europese Unie (inclusief het Verenigd Koninkrijk), Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland.

Directeur/grootaandeelhouder (dga)
Ook een directeur/grootaandeelhouder van een BV (dga) kan een beroep doen op de Tozo. De dga moet dan aan het urencriterium voldoen. Er moet sprake zijn van volledige zeggenschap en van het dragen van de financiële risico’s. Ook dient de dga naar waarheid te verklaren en aannemelijk maken dat zijn BV nu geen salaris kan uitbetalen.

De nettowinst uit een BV na aftrek van vennootschapsbelasting moet naar rato van het aantal aandeelhouders als inkomen worden beschouwd.

Aanvraag
De aanvraag voor de Tozo moet digitaal bij de gemeente waar de zelfstandige woont worden ingediend. Voor Tozo 1 eindigde de aanvraagtermijn op 31 mei 2020. Tozo 2 kan worden aangevraagd vanaf 1 juni 2020. Binnenvaartschippers moeten de Tozo aanvragen in de gemeente waar zij op het aanvraagmoment liggen. In het buitenland wonende zelfstandigen moeten de aanvraag indienen bij de gemeente Maastricht. De aanvraag voor Tozo 1 krijgt automatisch terugwerkende kracht naar 1 maart 2020, die voor Tozo 2 naar 1 juni 2020.

In de aanvraag moet de zelfstandige gemotiveerd verklaren dat zijn bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt door de coronacrisis. Ook moet hij over de periode dat inkomensondersteuning wordt gevraagd het verwachte of daadwerkelijke inkomen opgeven.

Gemeenten streven ernaar binnen vier weken op een aanvraag te beslissen. Als dat niet lukt moet de gemeente binnen vier weken een voorschot op de inkomensaanvulling te verstrekken, tenzij uit de aanvraag al duidelijk blijkt dat geen recht bestaat op de inkomensaanvulling. Een voorschot op de lening is niet mogelijk.

Controle
Het kabinet doet een oproep aan zelfstandigen om slechts gebruik te maken van de regeling indien dat echt nodig is. Gemeenten gaan achteraf controleren of de Tozo rechtmatig is aangevraagd en bij fraude terugvorderen met boetes. De inlichtingenplicht van de Participatiewet is onverkort van toepassing.

Tozo, NOW en andere financiële ondersteuning
De Tozo-regeling is bedoeld als ondersteuning voor de zelfstandige zelf, zowel voor de zelfstandige met personeel als voor de zzp’er. Een zelfstandige met personeel kan voor zijn loonkosten een tegemoetkoming aanvragen onder de Eerste en Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1 en NOW-2).

Zorgaanbieders die in de financiële problemen zijn gekomen door de coronacrisis, kunnen terecht bij zorgverzekeraars en gemeenten voor een beroep op financiële ondersteuning in de vorm van een continuïteitsbijdrage of een voorschot daarop (zie Financiële maatregelen voor ondernemers in dit dossier). Pas als zij daar geen of onvoldoende financiële ondersteuning krijgen, kunnen zelfstandige zorgaanbieders een beroep doen op de Tozo.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098; brief staatssecretaris van SZW Antwoorden naar aanleiding van schriftelijk overleg Kamerbrief Tozo 10-4-2020, nr. 2020-0000052676; Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers, Stb. 2020, 118; brief staatssecretaris van SZW uitbreiding doelgroep Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 24-4-2020, nr. 2020-0000058604; Tijdelijke regeling overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers, Stcrt. 2020, 24833; brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; nieuwsbericht ministerie van SZW 20-5-2020; Regeling verlenging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-5-2020, Stcrt. 2020, 29395; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; brief kabinet noodpakket 2.0 29-5-2020, nr. 2020-0000075592; formele verlenging van de Tozo met de maand september 2020 in Stb. 2020, 212 en Stcrt. 2020, 34388; Kamer van Koophandel; Vereniging Nederlandse Gemeenten; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000

9. Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA)

Bijgewerkt op 17 september 2020, 14.05 uur

Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer een tijdelijke regeling getroffen voor mensen die door de coronacrisis substantieel in hun inkomen zijn getroffen, maar geen aanspraak kunnen maken op WW-uitkering, bijstand of een andere socialezekerheidsuitkering, en onvoldoende middelen van bestaan hebben om rond te komen. Het gaat daarbij vooral om flexwerkers – met name oproepkrachten en uitzendkrachten – die, door hun flexibele arbeidscontract, minder beschermd zijn dan werknemers met een vast contract.

De Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA) is bedoeld als vangnet en biedt een tegemoetkoming als bijdrage in de kosten voor het levensonderhoud. Het UWV voert de TOFA uit.

Doelgroep
De groep flexwerkers is zeer divers en omvat jongeren met een bijbaan, oproep- en uitzendkrachten, studenten met een oproepcontract, enzovoorts. TOFA-gerechtigden hoeven niet per se werkloos te zijn. Ook oproepkrachten die in thuisquarantaine zaten vanwege een zieke huisgenoot of zelf verkoudheidsklachten hadden maar geen recht op een Ziektewetuitkering, kunnen bijvoorbeeld TOFA krijgen.

Hoogte
De TOFA wordt toegekend over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 en bedraagt per kalendermaand € 550 bruto.

Voorwaarden
Recht op de TOFA heeft degene die:

  • Als werknemer in februari 2020 minimaal € 400 aan brutoloon heeft genoten. Deze inkomensdrempel correspondeert met ongeveer 10 uur werken per week tegen het wettelijk minimumloon.
  • Als werknemer in maart 2020 ten minste € 1 aan loon heeft genoten.
  • Op 1 april 2020 18 jaar of ouder was en de AOW-leeftijd nog niet had bereikt.
  • In april 2020 minimaal 50% (op hele procenten naar boven afgerond) minder loon heeft genoten in vergelijking met het genoten loon in februari 2020. Maximaal mag in april 2020 € 550 bruto loon zijn genoten. Een inkomensverlies na april 2020 leidt niet tot recht op TOFA.
  • Schriftelijk verklaart de TOFA nodig te hebben als bijdrage in de gebruikelijke kosten van zijn levensonderhoud. Deze verklaring is subjectief: er is geen beoordelingskader voor de vraag wanneer iemand de tegemoetkoming wel of niet voor het beschreven doel nodig heeft. Dat is ter beoordeling door de aanvrager zelf. Op grond van deze verklaring zal het UWV niet terugvorderen.
  • Schriftelijk verklaart over april 2020 geen loondervingsuitkering (zoals WW, Ziektewet, WIA, WAO, Wajong, WAZ, Anw, IOAW, IOAZ en IOW) en geen algemene bijstand of bijstand voor zelfstandigen (BBZ of Tozo) toegekend te hebben gekregen. Ook een vergelijkbare uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke regeling valt hieronder. Voor een persoon die al aanspraak heeft op sociale zekerheid is de TOFA als vangnet niet bedoeld. Het principe dat een andere uitkering voorgaat geldt ongeacht de hoogte van die uitkering, dus ook als de uitkering of inkomensvoorziening lager is dan de TOFA.
  • In april 2020 niet in detentie zat.

In kennelijk onredelijke gevallen wanneer het uitbetalingsmoment van het loon door omstandigheden zodanig valt, dat formeel geen recht bestaat op de TOFA, kan via een bezwaarprocedure bij het UWV toch recht op de TOFA worden geclaimd. Een voorbeeld is dat mensen in april 2020 een hoger loon hebben dan € 550 door uitbetaling van het vakantiegeld en daardoor géén recht hebben op de TOFA. Men moet dan wel aan alle overige voorwaarden van de TOFA voldoen.

Loon/werknemer
Als loon geldt het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking dat iemand als werknemer heeft genoten. Daarbij wordt aangesloten bij het werknemersbegrip van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen – Wfsv).

Het werknemersbegrip omvat alle werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben en alle werkenden die op grond van een fictieve dienstbetrekking verzekerd zijn voor de WW, ZW en/of WIA. Ook stagiairs, die niet verzekerd zijn voor de WW of WIA maar wel voor de ZW, vallen onder dat begrip.

Mensen die een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen ontvangen (ZW, WW, WIA, WAO) komen niet in aanmerking voor TOFA. Zij zijn formeel wel werknemer, maar hun uitkering is doorgaans geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Ook loonbetalingen na afloop van de dienstbetrekking, zoals transitievergoeding, ontslagvergoeding, zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.

Huishoudelijke hulpen, die doorgaans op minder dan vier dagen in de week werkzaam zijn in het huishouden van een natuurlijk persoon, zijn niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen en hun loon wordt niet in de polisadministratie geregistreerd. Zij komen daarom niet in aanmerking voor TOFA.

Directeur-grootaandeelhouder (dga)
Werkenden voor wie wel loonbelasting wordt afgedragen, maar die niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen vallen niet binnen de doelgroep van de TOFA. Het grootste deel van deze groep betreft de directeur-grootaandeelhouder (dga). Een dga kan mogelijk in aanmerking komen voor de Tozo (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona).

Polisadministratie
Voor de vaststelling van het loon maakt het UWV gebruik van gegevens in de polisadministratie.

Het is mogelijk dat er geen loongegevens in de polisadministratie aanwezig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de werknemer geen loon heeft genoten in die betreffende maand. Indien dat het geval is voor de maanden februari of maart 2020, bestaat geen recht op TOFA. Maar als dit door toerekening van het loon aan loontijdvakken veroorzaakt wordt, kan alsnog recht op TOFA bestaan. Men moet dan bezwaar maken tegen de afwijzende beschikking van het UWV.

Als voor iemand geen inkomensgegevens over april 2020 in de polisadministratie aanwezig zijn, gaat het UWV uit van 100% inkomensverlies.

Het is voor het UWV binnen de TOFA niet uitvoerbaar om andere inkomensvormen mee te nemen in de toetsing. Zo telt inkomen genoten als zelfstandige of in het buitenland niet mee. In sommige gevallen kan dat nadelig uitpakken voor de aanvrager.

Als een werkgever loonaangifte doet per tijdvak van vier weken, wordt het loon toegerekend aan de maand waarin de laatste dag van het vierwekentijdvak valt. Voor februari 2020 wordt bijvoorbeeld het loon zoals aangegeven over het tweede vierwekentijdvak van 2020 (27 januari tot en met 23 februari) in aanmerking genomen.

Geen sollicitatieplicht/geen verwijtbaarheidstoets
Aan het ontvangen van TOFA zijn verder geen formele voorwaarden verbonden. Er geldt bijvoorbeeld geen sollicitatieplicht of plicht om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Er is ook geen toets op reden of de verwijtbaarheid van het inkomensverlies.

Fiscale behandeling
De TOFA is een tegemoetkoming in de kosten van het levensonderhoud na geleden inkomensverlies en daarmee een vervanging van gederfd of te derven loon. Daardoor wordt de TOFA voor de inkomstenbelasting beschouwt als belastbaar loon uit vroegere dienstbetrekking.

Het UWV houdt loonheffing in over de TOFA en maakt het nettobedrag over. In afwijking van de wettelijke bepalingen past het UWV automatisch de algemene heffingskorting toe, tenzij het UWV van een andere uitkering aan de gerechtigde weet dat het niet de heffingskorting moet toepassen. Het in beginsel toepassen van de algemene heffingskorting kan ertoe leiden dat een gerechtigde moet bijbetalen op de aanslag inkomstenbelasting 2020, als blijkt dat de algemene heffingskorting ook nog bij een andere inhoudingsplichtige is toegepast.

Daarnaast geldt dat de loonheffing een voorheffing is van de inkomstenbelasting. Ook om die reden kan de TOFA nog leiden tot een additionele heffing bij de aanslag inkomstenbelasting 2020. Dit is afhankelijk van de individuele situatie van de ontvanger.

De TOFA telt mee voor de hoogte van de inkomensafhankelijke toeslagen zoals de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag.

De fiscale behandeling van de TOFA is geregeld in een apart artikel in het Belastingplan 2021. Het wetsvoorstel is op Prinsjesdag 2020 ingediend bij het parlement. Het UWV houdt in de uitvoering van de TOFA al rekening met deze fiscale behandeling. 

Sociale verzekeringen
De TOFA vormt geen loon voor de werknemersverzekeringen. De TOFA leidt daardoor niet tot recht op een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen en telt ook niet mee bij de bepaling van het dagloon voor eventuele uitkeringen.

Aanvraag
Een aanvraag kan digitaal of schriftelijk vanaf 22 juni 2020 bij het UWV worden ingediend.

Bij de aanvraag moeten in ieder geval het burgerservicenummer (BSN), de geboortedatum, een telefoonnummer en een bankrekeningnummer van de aanvrager worden opgegeven. Daarnaast moet de aanvrager de twee verklaringen naar waarheid aanvinken.

Digitaal
Het UWV stelt een digitaal aanvraagformulier beschikbaar via de website www.uwv.nl. De aanvrager doorloopt eerst een voorportaal met enkele vragen die bedoeld zijn om een indicatie te geven of de (potentiële) aanvrager recht heeft op TOFA. Nadat het voorportaal is doorlopen, kan het digitale aanvraagformulier worden ingevuld.

De aanvrager kan het aanvraagformulier invullen door in te loggen met zijn DigiD. Een aanvraag kan tot en met 26 juli 2020 worden ingediend. Daarna sluit het digitale aanvraagportaal.

Schriftelijk
Het is ook mogelijk om een schriftelijk aanvraagformulier op te vragen bij het UWV en in te dienen. Het UWV kan bij dat verplicht te gebruiken aanvraagformulier nadere bewijsstukken opvragen om de identiteit en het rekeningnummer van de aanvrager vast te stellen.

Nadat de aanvraag is ingediend, controleert het UWV op grond van het aanvraagformulier en de polisadministratie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden.

Toekenning en betaling
Het UWV geeft binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag een beschikking af. De TOFA wordt grotendeels geautomatiseerd uitgevoerd. Dat maakt het mogelijk om de beschikkingen binnen korte termijn te geven, in beginsel binnen acht weken, maar het UWV streeft naar binnen vier weken. Bij een positieve beschikking volgt dan uitbetaling binnen 10 kalenderdagen.

De TOFA kan per aanvrager eenmalig worden toegekend. Dat betekent dat de aanvraag wordt afgewezen als de aanvrager al TOFA heeft ontvangen. Het is dus niet mogelijk om TOFA voor een tweede keer toe te kennen aan dezelfde aanvrager.

Informatieplicht
Het UWV kan bij de beoordeling van een aanvraag nadere informatie en bewijsstukken opvragen bij de aanvrager als dat nodig is om een besluit te nemen tot toekenning of afwijzing van een aanvraag. De aanvrager is verplicht om hieraan mee te werken.

Na toekenning van de TOFA kan het UWV desgewenst nadere informatie en bewijsstukken opvragen. Het doel hiervan is om de rechtmatigheid van de toekenning vast te stellen.

Als blijkt dat de TOFA op basis van verkeerde informatie is toegekend, kan het UW het toekenningsbesluit intrekken en de TOFA terugvorderen.

Degene aan wie de TOFA is toegekend, moet meewerken aan de informatieplicht. Deze verplichting geldt tot vijf jaar na de datum van toekenning. Als men niet meewerkt aan deze informatieplicht, kan de TOFA worden ingetrokken en teruggevorderd.

Ook moeten aanvragers tot vijf jaar na toekenning meewerken aan onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.

Internationale aspecten
De TOFA moet op grond van regelgeving van de Europese Unie (EU) ook worden toegekend aan werknemers die in februari en maart 2020 in Nederland in loondienst werkten en in een andere EU-lidstaat wonen. Grensarbeiders of arbeidsmigranten die in februari en maart 2020 in Nederland in loondienst werkten en aan de overige voorwaarden voldoen, kunnen dus aanspraak maken op de TOFA.

De TOFA bevat geen exportbeperking. Dit betekent dat de TOFA in voorkomende gevallen ook kan worden geëxporteerd naar landen buiten de EU.

Financiering
De TOFA wordt door het Rijk gefinancierd uit de algemene middelen. Het kabinet raamt de budgettaire effecten op circa € 200 miljoen (inclusief uitvoeringskosten).

Inwerkingtreding
De TOFA is op 12 juni 2020 in werking getreden en vervalt op 1 oktober 2020.

Bron: brief minister van SZW extra vangnet voor flexwerkers in verband met de coronamaatregelen 20-5-2020, nr. 2020-0000066080; brief minister van SZW invoering tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten 3-6-2020, nr. 2020-0000076315; Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten, Stcrt. 2020, 31395; nieuwsbericht ministerie van SZW 21-6-2020; nieuwsbericht ministerie van SZW 10-7-2020; brief minister van SZW antwoorden op kamervragen over werknemers die buiten het flexvangnet vallen 10-7-2020, nr. 2020-0000096311; wijziging Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten in verband met een verlenging van de aanvraagperiode, Stcrt. 2020, 38760; wetsvoorstel Belastingplan 2021 (TK 35572)

10. Premiedifferentie WW/Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

Bijgewerkt op 14 september 2020, 15.30 uur

Geen 30%-toets
Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers, als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. In die regeling is ook opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt.

Deze bepaling kan nu tot onbedoelde effecten leiden in sectoren waar door het coronavirus veel extra overwerk nodig is (bijvoorbeeld de zorg).

Het kabinet heeft besloten dat alle werkgevers de 30%-toets in 2020 niet hoeven toe te passen. Geen enkele werkgever hoeft dus over het jaar 2020 de WW-premie op grond van die situatie te herzien.

Coulanceperiode verlengd tot 1-7-2020
Werkgevers hebben op basis van een coulanceregeling van de minister van SZW tot 1 april 2020 de tijd kregen om een vaste arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, om te voldoen aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. Omdat het niet voor alle werkgevers praktisch mogelijk is om aan die voorwaarde te voldoen, is deze coulanceperiode verlengd tot 1 juli 2020. Het coulanceregime zoals dat geldt voor werknemers die uiterlijk 31 december 2019 voor onbepaalde tijd in dienst waren, geldt dus tot en met 30 juni 2020.

Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; brief minister van SZW Moties en toezeggingen 22-4-2020, nr. 2020-0000057033; Stb. 2020, 333

11. Sociale verzekering bij wonen of werken in ander land blijft voorlopig onveranderd

Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur

Door de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan zijn de werktijden en de plaats van werken voor veel mensen tijdelijk anders. Veel mensen werken vanwege de coronacrisis tijdelijk thuis. Dat kan in een ander land zijn dan waar normaal gesproken wordt gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft aangegeven dat dit voorlopig geen gevolgen heeft voor de sociale verzekering voor iemand die normaal over de grens woont of werkt in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland. Men hoeft hiervoor verder niets te regelen.

Bron: nieuwsbericht SVB 20-3-2020

12. Versnelde aanspraak jongeren tot 27 jaar op bijstand

Bijgewerkt op 2 juni 2020, 10.45 uur

Gemeenten krijgen door de coronacrisis te maken met extra aanvragen voor bijstand. Jongeren van 18 tot 27 jaar die een beroep doen op bijstand hebben formeel volgens de Participatiewet te maken met een zoektermijn van vier weken voordat een aanvraag ingediend mag worden. Gedurende die vier weken mag de gemeente geen bijstand toekennen of een voorschot verstrekken. Door het plotseling wegvallen van inkomen kunnen financiële problematiek ontstaan, terwijl ander werk of scholing door de coronacrisis op dit moment lang niet overal beschikbaar is.

Gemeenten krijgen daarom de ruimte om in de periode 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020 af te wijken van de wettelijke regels rond de verplichte zoektermijn van vier weken. Daardoor kunnen zij individueel maatwerk toepassen bij het hanteren van die zoektermijn en daarmee financiële problemen bij jongeren die plotseling door de coronacrisis zonder werk en inkomsten komen te zitten voorkomen.

Bron: brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098; gemeentenieuws van SZW 2020-extra 2 29-5-2020

13. Versoepeling loonwaardebepaling bij berekening loonkostensubsidie

Bijgewerkt op 2 juni 2020, 11.00 uur

Uitvoerders van loonwaardebepaling mogen tot 1 oktober 2020 op een versoepelde wijze de loonwaarde voor het berekenen van loonkostensubsidie uitvoeren. De versoepeling draagt bij aan baanbehoud van mensen met een arbeidsbeperking.

Loonwaardebepaling
Door de coronacrisis dreigen vertragingen bij de loonwaardebepaling voor het berekenen van loonkostensubsidie. Dit geldt zowel voor de Participatiewet als de Wajong. Zowel loonwaardebepalers als werknemers kunnen niet altijd op de werkplek aanwezig zijn vanwege het besmettingsrisico met het coronavirus. Voor een zorgvuldige beoordeling van de arbeidsprestatie van een werknemer is een bezoek aan de werkplek echter essentieel.

Vertraging van de loonwaardebepaling belemmert mensen met een arbeidsbeperking om aan het werk te komen. Als de forfaitaire loonkostensubsidie is ingezet, kan het zelfs betekenen dat mensen met een arbeidsbeperking hun baan kwijtraken. Forfaitaire loonkostensubsidie kan op grond van de Participatiewet voor maximaal zes maanden aan een werkgever worden verleend en binnen die zes maanden moet een loonwaardebepaling plaatsvinden.

Versoepeling
De versoepeling betekent concreet dat interviews voor de loonwaardebepaling telefonisch mogen worden uitgevoerd voor de periode 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020. Voorwaarde daarbij is dat de telefonisch vastgestelde loonwaarde voor maximaal zes maanden geldt en dat – zodra de omstandigheden zijn genormaliseerd – zo spoedig mogelijk een werkplekbezoek plaatsvindt.

De instanties die de meeste loonwaardebepalingen uitvoeren voor gemeenten (UWV en Dariuz) hebben al besloten om de interviews telefonisch uit te voeren. Andere aanbieders mogen dat dus ook.

Daarnaast mogen gemeenten, wanneer zij de forfaitaire loonkostensubsidie hebben ingezet in de periode van 1 maart 2020 tot 1 oktober 2020, de duur stilzwijgend verlengen voor een periode van maximaal zes maanden, als er geen tijdige loonwaardebepaling kan plaatsvinden. Ook hierbij geldt de voorwaarde van een zo spoedig mogelijk werkplekbezoek nadien.

Geen anticumulatie met de NOW-subsidie
Het kabinet verzoekt gemeenten – gelet op het belang van baanbehoud – de loonkostensubsidie door te laten lopen. Verrekening van de loonkostensubsidie met de NOW-subsidie stuit op uitvoeringstechnische bezwaren en is niet nodig. Deze dubbele financiering van werkgever is echter volgens het kabinet acceptabel, gelet op de huidige bijzondere omstandigheden.

Bron: brief staatssecretaris van SZW Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 27-3-2020, nr. 020-0000046098; brief staatssecretaris van SZW Antwoorden naar aanleiding van schriftelijk overleg Kamerbrief Tozo 10-4-2020, nr. 2020-0000052676; gemeentenieuws van SZW 2020-extra 2 29-5-2020

14. Coulance aanvraag doelgroepverklaring loonkostenvoordeel

Bijgewerkt op 2 juli 2020, 11.40 uur

UWV
Wegens de coronacrisis heeft het UWV de aanvraagtermijn voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel (LKV) tijdelijk met drie maanden verlengd. Voor alle doelgroepverklaringen die worden aangevraagd voor dienstverbanden die zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 oktober 2020, geldt nu een aanvraagtermijn van zes maanden.

Gemeente
Aan gemeenten die een doelgroepverklaring LKV oudere werknemer moeten afgeven is door de staatssecretaris van SZW gevraagd voor dienstverbanden die zijn gestart tussen 1 januari 2020 en 1 oktober 2020 een termijn van zes maanden na indiensttreding te hanteren.

Doelgroepverklaring LKV
Om een LKV oudere werknemer, arbeidsgehandicapte werknemer, herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer of doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden te ontvangen heeft de werkgever een doelgroepverklaring LKV van de desbetreffende werknemer nodig.

De werknemer moet deze doelgroepverklaring bij het UWV of de gemeente aanvragen binnen drie maanden nadat hij bij de werkgever in dienst is gegaan of zijn werk heeft hervat. Door de coronacrisis lukt het soms niet om de aanvraag op tijd te doen. Bijvoorbeeld omdat kantoren dicht zijn of omdat werknemers geen handtekening kunnen zetten onder een machtiging voor de werkgever om de doelgroepverklaring aan te vragen.

Bron: UWV nieuwsbrief werkgevers april 2020; gemeentenieuws van SZW 2020-extra 2 29-5-2020; bijlage Stand van de uitvoering sociale zekerheid juni 2020 bij brief minister van SZW stand van de uitvoering 29-6-2020, nr. 2020-0000086526; Belastingdienst; UWV

 

15. Geen boete voor kennismigrant die door werktijdverkorting niet aan salariscriterium voldoet

Bijgewerkt op 22 april 2020, 17.00 uur

Een klein aantal werkgevers heeft met toepassing van de werktijdverkorting-regeling (wtv-regeling) wegens de coronacrisis een ontheffing verkregen. De wtv-regeling is inmiddels ingetrokken (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona).

Bij de wtv-regeling blijven werknemers in dienst. Het aantal uren dat zij werkzaam zijn kan met de ontheffing tijdelijk worden verlaagd. De werkgever kan vervolgens voor de niet gewerkte uren namens de werknemers WW-uitkeringen aanvragen.

Alhoewel het inkomen dat de werknemer van de werkgever ontvangt in de meeste gevallen gelijk zal blijven, gaat het loon feitelijk gezien omlaag. Dit levert een probleem op als de minimale hoogte van het salaris een voorwaarde is waaronder een vreemdeling in Nederland zonder tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning arbeid mag verrichten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een kennismigrant.

Bij een loondaling door de wtv-regeling kan de situatie ontstaan dat de werkgever niet voldoet of kan voldoen aan het salariscriterium, waardoor de uitzondering op de vergunningplicht niet meer van toepassing is. Dit leidt formeel tot illegale tewerkstelling die beboet kan worden.
Gelet op de coronacrisis en het beperkte aantal gevallen dat het betreft, heeft het kabinet besloten dat in deze situatie niet wordt opgetreden door de Inspectie SZW.

Bron: brief minister van SZW Moties en toezeggingen 22-4-2020, nr. 2020-0000057033

16. Herleving AOW-partnertoeslag na coronacrisis

Bijgewerkt op 2 juli 2020, 11.40 uur

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) afgesproken dat als een jongere partner van een AOW-gerechtigde door de coronacrisis (meer) is gaan werken in een cruciaal beroep en deze werkzaamheden langer dan drie maanden voortduren, het recht op partnertoeslag na de beëindiging van de werkzaamheden herleeft. Dit in afwijking van het huidige beleid rond de AOW-partnertoeslag.

Deze versoepeling van het beleid geldt zolang de coronanoodmaatregelen van het kabinet van kracht zijn.

Bron: brief minister van SZW kamervragen van het lid van Kent 11-5-2020, nr. 2020Z07039; bijlage Stand van de uitvoering sociale zekerheid juni 2020 bij brief minister van SZW stand van de uitvoering 29-6-2020, nr. 2020-0000086526

17. Nederland leert door

Bijgewerkt op 4 september 2020, 15.30 uur

Het kabinet vraagt van werkgevers hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen. De fundamentele veranderingen die onze samenleving en economie ondergaan vragen om andere bedrijfsmodellen, met een andere inzet van mensen en middelen. Veel werknemers werken door de coronacrisis minder uren of zelfs helemaal niet en zullen zich moeten voorbereiden op een andere manier van werken of zelfs ander werk.

Omscholing, bijscholing en opleiding
Werknemers moeten dan wel de kans krijgen om zich op deze nieuwe omstandigheden voor te bereiden en een ontwikkeladvies aan te vragen of zich bij te scholen voor behoud van werk. Werkgevers kunnen werknemers hierin stimuleren door bijvoorbeeld (vrijvallende) tijd beschikbaar te stellen en middelen te verschaffen via een opleidings- en ontwikkelingsfonds (O&O-fonds). Werknemers worden hierdoor in staat gesteld gemakkelijker te kunnen anticiperen op de veranderde arbeidsmarkt.

NL leert door
Ter ondersteuning heeft het kabinet een flankerend crisispakket onder de noemer “NL leert door” samengesteld.

Doel is mensen te ondersteunen die hun werk als gevolg van de crisis dreigen te verliezen of al verloren hebben en de transitie naar ander kansrijk werk zullen moeten maken. Dat betreft naast werknemers in getroffen sectoren ook flexwerkers en zzp’ers die geen opdrachten meer krijgen.

Ontwikkeladvies en online scholing
Het pakket bestaat uit ontwikkeladviezen en online scholing, met een focus op arbeidsmarktrelevante loopbaanstappen. Gekwalificeerde loopbaanadviseurs kunnen mensen ondersteunen met ontwikkeladvies gericht op kansen op de arbeidsmarkt.

Om richting ander soort werk te bewegen is vaak scholing nodig. Dat zal in deze tijd online scholing betreffen, die mensen vanuit huis kunnen volgen. Het kabinet streeft naar variatie in zowel het niveau als de duur van de scholing, zodat het voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is.

Het pakket is niet bedoeld om omvangrijke omscholing of “van-werk-naar-werk”-trajecten te financieren.

Onder het pakket NL Leert Door vallen twee subsidieregelingen:

  • De “Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies” is inmiddels gepubliceerd. Via deze regeling zijn ontwikkeladviezen vanaf 1 augustus 2020 beschikbaar. Deelnemers kunnen dan starten met hun (her)oriëntatie op de arbeidsmarkt onder begeleiding van een gekwalificeerde loopbaanadviseur.
  • De “Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing” waarmee mensen kosteloos online scholingsactiviteiten kunnen krijgen bij een aantal publieke en private opleiders is op 4 september 2020 gepubliceerd. Deze opleiders kunnen – desgewenst in een samenwerkingsverband met andere opleiders of met andere bij scholing betrokken partijen – een aanvraag indienen om de kosten van die online scholingsactiviteiten vanuit de subsidieregeling te dekken. Gezien de tijd die nodig is voor het kunnen maken en indienen van deze aanvragen en de beoordeling ervan, zullen deelnemers uiterlijk in het vierde kwartaal gebruik kunnen maken van het online scholingsaanbod.

Tijdelijke regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies
Voordat mensen aan scholing beginnen, moeten mensen eerst hebben nagedacht over hoe ze hun eigen toekomst voor zich zien. Waar liggen voor hen de mogelijkheden, waar zijn vacatures of is ondernemerschap een optie, en hoe zijn zij daarop voorbereid? Voor een deel van de mensen is het vanzelfsprekend om daar mee bezig te zijn. Maar voor een ander deel is het lastiger om daar tijdig over na te denken en tot handelen over te gaan. Om hen te ondersteunen, gaat het kabinet ontwikkeladviezen kosteloos beschikbaar stellen. Deelnemers volgen een traject bij een gekwalificeerd loopbaanadviseur.

Iedereen vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt komt in aanmerking voor dit ontwikkeladvies (conform de zogenoemde STAP-regeling). Dat zijn dus zowel mensen die (nog) aan het werk zijn, inclusief zzp’ers en zelfstandig ondernemers, als mensen die geen werk meer hebben.

Gezien het belang van goede informatie over iemands kansen op de huidige onzekere arbeidsmarkt, zal een arbeidsmarktscan onderdeel zijn van het ontwikkeladvies. Met deze arbeidsmarktscan wordt inzichtelijk gemaakt welke arbeidsmarktkansen er nu zijn, gegeven iemands ervaring en ontwikkelwensen. De verplichte minimale inhoud van het ontwikkeladviestraject is nader beschreven in een bijlage bij de subsidieregeling.

Het beschikbare bedrag per ontwikkeladvies bedraagt € 700 per traject.

De loopbaanadviseur moet voorafgaand aan de subsidieaanvraag de deelnemer aan een ontwikkeladviestraject registeren op een speciale website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Daarbij moet hij de naam, het e-mailadres en de geboortedatum van de deelnemer opgeven. Na de registratie gaat er een mail naar de deelnemer, die de registratie moet bevestigen. Na deze bevestiging krijgt de loopbaanadviseur een registratiecode. Deze code is bedoeld om bij te houden hoeveel lopende trajecten er zijn aangemeld.

Op 2 september 2020 werd bekend dat deze registratie niet meer mogelijk is omdat het maximum aantal registraties al was bereikt.

Om de drempel voor deelnemers zo laag mogelijk te maken, loopt de aanvraag van de subsidie en de betaling ervan via de loopbaanadviseurs. Om administratieve lasten voor de loopbaanadviseurs te beperken wordt de mogelijkheid geboden om maximaal vijf aanvragen te bundelen en in één keer in te dienen.

Aanvragen voor afgeronde trajecten kunnen worden ingediend bij Uitvoering van Beleid (UVB) van het ministerie van SZW, vanaf 1 oktober 2020 tot 1 maart 2021. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst. Bij de subsidieaanvraag moet de loopbaanadviseur ook de registratiecodes opgeven van de trajecten waarvoor hij subsidie aanvraagt. Gelet op de hoogte van het subsidiebedrag wordt de subsidie direct vastgesteld, zonder voorafgaande verlening.

De subsidieaanvrager moet voor elk loopbaanadviestraject waarvoor subsidie wordt aangevraagd een administratie bijhouden, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of voldaan is aan de voorwaarden voor subsidieverstrekking, of het ontwikkeladviestraject gegeven is en of het traject voldoet aan de inhoudelijke voorwaarden.

Het doel is om op deze manier vanaf 1 augustus 2020 20.000 ontwikkeladviezen mogelijk te maken.

Tijdelijke regeling NL leert door met inzet van scholing
Door de coronacrisis bestaat veel onzekerheid over de mogelijkheden om te blijven werken. Daarnaast is voor een deel van de mensen geen werk meer. Deze tijd vraagt een groot aanpassingsvermogen van mensen en de bereidheid te blijven investeren in de eigen ontwikkeling. Daarbij kan enige bijscholing of soms ook meer omvangrijke omscholing nodig zijn.

Het volgen van (online) scholing kan bijdragen aan het up to date houden van de kennis en vaardigheden van individuen en daarnaast zorgen voor betere kansen op de arbeidsmarkt. Met de “tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing” wordt het mogelijk subsidie aan te vragen voor het aanbieden van (online) scholing die bijdraagt aan het behouden van werk of het versterken van de arbeidsmarktpositie. De subsidie wordt beschikbaar gesteld aan opleiders, opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden. Het is de bedoeling dat zij vervolgens kosteloos scholing aanbieden voor iedereen vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt (conform de STAP-regeling). Dat zijn dus zowel mensen die (nog) aan het werk zijn, inclusief zzp’ers en zelfstandig ondernemers, als mensen die geen werk meer hebben. De nadruk van de regeling ligt op online scholing, maar fysiek onderwijs wordt niet expliciet uitgesloten.

Met de “tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing” worden verschillende soorten scholingsactiviteiten gesubsidieerd. Zo kunnen deelnemers straks gratis kortdurende trainingen en cursussen volgens bij verschillende opleiders om hun vaardigheden verder te ontwikkelen. Deelnemers kunnen zo op een laagdrempelige manier ervaren of een bepaalde cursus of training past bij hun interesse en bij een eventueel volgende loopbaanstap. Ook is het mogelijk voor samenwerkingsverbanden om een aanvraag in te dienen voor meer omvangrijke scholing, zoals omscholing richting tekortsectoren. Op de website www.hoewerktnederland.nl wordt het beschikbare aanbod geplaatst

Deelnemers kunnen zich individueel aanmelden voor de scholing bij de aanbieders die voor de subsidie in aanmerking komen. Welke aanbieders kwalificeren wordt via een communicatiecampagne en website gecommuniceerd.

De subsidie is bedoeld voor de bekostiging van de online scholingsactiviteiten van de deelnemers en wordt via de aanvrager verstrekt ter dekking van de kosten van de opleider voor de betreffende scholingsactiviteit. De last van het aanvragen van de subsidie komt zo niet terecht bij de deelnemers.

Dit betekent dat de subsidieregeling wordt opengesteld voor aanvragen van individuele opleiders, een groep samenwerkende opleiders en voor samenwerkingsverbanden waarbij naast opleiders ook andere bij scholing betrokken partijen kunnen participeren. Hierbij worden kwaliteitseisen gesteld aan de opleiders (conform de STAP-regeling).

Om de kwaliteit van de scholingsactiviteiten te garanderen en mogelijk misbruik of oneigenlijk gebruik via de kant van de opleider te voorkomen moet het scholingsaanbod aan diverse criteria voldoen. Het aanbod moet bijvoorbeeld arbeidsmarktrelevant zijn. Ook moet de scholing in ieder geval gedeeltelijk online worden gegeven. Verder moet elk scholingstraject worden afgesloten met een bewijs van afronding (bewijs van deelname, diploma, certificaat of getuigschrift).

Subsidie mag alleen worden aangevraagd voor scholingsactiviteiten die voor 5 september 2020 voor een vergelijkbaar of hoger bedrag is aangeboden. Met vergelijkbaar wordt bedoeld dat de scholing bij de subsidieaanvraag niet meer mag kosten van 102% van het bedrag waarvoor de scholing vóór 5 september 2020 werd aangeboden.

De eisen in de regeling zijn bedoeld om te komen tot een relevant, divers en kwalitatief hoogstaand aanbod voor de deelnemers. Het aanbod zal in drie groepen worden verdeeld, afhankelijk van de duur en studiebelasting, waarbij per groep met een vaste tegemoetkoming per scholingsactiviteit wordt gewerkt:

  • De eerste groep omvat kortdurende trainingen via leerpakketten en abonnementen om mensen op een laagdrempelige manier hun kennis en vaardigheden (verder) te laten ontwikkelen en te laten ervaren dat scholing en ontwikkeling zinvol en leuk is. De tegemoetkoming in de kosten van scholing in deze categorie bedraagt € 150 per activiteit.
  • De tweede groep is bedoeld voor iets omvangrijkere cursussen en trainingen, naast het verbeteren van vaardigheden ook gericht op vakgerichte bijscholing. De tegemoetkoming in de kosten in deze categorie bedraagt € 500.
  • De derde groep is bedoeld voor het kunnen volgen van vakgerichte modules, bijvoorbeeld als eerste stap of oriëntatie op eventuele omscholing. De tegemoetkoming in de kosten in deze categorie bedraagt € 1000. Het kabinet vraagt sociale partners, sectoren en O&O-fondsen om met cofinanciering bij te dragen en daarmee meer kostbare trajecten mogelijk te maken zodat mensen die willen omscholen hiervoor ook de benodigde middelen krijgen.

Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend bij Uitvoering van Beleid (UVB) van het ministerie van SZW. Er worden twee aanvraagtijdvakken opengesteld, waarin een subsidieaanvraag kan worden ingediend.

Het eerste aanvraagtijdvak loopt van 1 oktober 2020 t/m 15 oktober 2020, 17.00 uur en wordt opengesteld voor individuele opleiders en opleiderscollectieven. Een individuele opleider of een opleiderscollectief kan voor maximaal € 1,5 miljoen subsidie aanvragen.

Het tweede aanvraagtijdvak loopt van 2 november 2020 t/m 16 november 2020, 17.00 uur en wordt opengesteld voor samenwerkingsverbanden. Een samenwerkingsverband kan voor maximaal € 2 miljoen subsidie aanvragen. Per aanvraagtijdvak is € 17 miljoen beschikbaar.

Een opleider, opleiderscollectief of een samenwerkingsverband mag maar één subsidieaanvraag per aanvraagtijdvak indienen.

De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst. De beslissing over een subsidieaanvraag wordt binnen 13 weken genomen. Als de subsidie wordt verleend, ontvangt de subsidieontvanger een voorschot ter hoogte van 60% van het toegekende subsidiebedrag.
De subsidieaanvrager moet voor 1 oktober 2021, 17.00 uur een formele vaststelling van de subsidie aanvragen.

Het doel is om met deze regeling tussen de 50.000 en 80.000 (online)scholingsactiviteiten plaats te laten vinden. Voor de deelnemers is het aanbod uiterlijk in het vierde kwartaal van 2020 beschikbaar.

Communicatiecampagne
Om het pakket gericht onder de aandacht te brengen, komt er een campagne. In die campagne wordt samenwerking gezocht met partijen die in contact staan met de mensen die baat hebben bij dit pakket, zoals werkgevers, sociale partners, O&O-fondsen, leerwerkloketten, branche-organisaties, opleiders, UWV en andere uitvoeringsinstellingen en onderwijsinstellingen.

In de communicatiecampagne zal gefaseerd aandacht worden besteed aan de verschillende onderdelen. Vanuit de overheid zal de campagne aanhaken bij de lopende campagne Hoewerktnederland.nl die als landingspagina voor NL Leert Door zal fungeren en rijksoverheid.nl als informatiebron.

Met de samenwerkingspartners wordt daarnaast een “multi-channel”-aanpak gerealiseerd, waarbij deze organisaties ook hun eigen communicatiekanalen inzetten.

Het daadwerkelijk aanmelden van een individuele gebruiker voor een traject gaat via de loopbaanadviseurs en de aanvragers die voor online scholing subsidie ontvangen.

Budget
Voor “NL leert door” heeft het kabinet € 50 miljoen (inclusief uitvoeringskosten) beschikbaar gesteld.

Bron: brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; schriftelijk verslag op 3e incidentele suppletoire begroting inzake noodpakket banen en economie 2.0 15-6-2020 (TK 35473); brief minister van SZW hoofdlijnen NL Leert Door 2-7-2020, nr. 2020-0000088990; Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies, Stcrt. 2020, 39785; nieuwsbericht Ministerie van SZW 2-9-2020; Regeling tot wijziging van Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies in verband met het verduidelijken van de arbeidsmarktscan 31-8-2020, Stcrt. 2020, 46186; Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing, Stcrt. 2020, 46170;  Uitvoering Van Beleid (UVB) 

18. Niet-wetsconforme uitvoering sociale zekerheid door UWV en SVB

Bijgewerkt op 2 september 2020, 09.40 uur

De uitbraak van het coronavirus raakt de manier van werken voor vele Nederlanders, zo ook voor de medewerkers van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Door de coronabeperkingen kunnen en konden activiteiten in de dienstverlening en de handhaving niet uitgevoerd worden, soms buiten de kaders van wet- en regelgeving.

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het UWV heeft de volgende maatregelen genomen.

Uitvoering en handhaving WW
Om de grote toestroom aan aanvragen Werkloosheidswet (WW) af te kunnen handelen en de tijdigheid van WW-uitkeringen te kunnen garanderen, heeft het UWV maatregelen getroffen die de WW-uitvoering raken. De maatregelen zijn zo vormgegeven dat er alleen sprake is van geen of een begunstigend effect voor uitkeringsgerechtigden (en niet nadelig voor hun voormalig werkgevers) en de maatregelen zijn beperkt in tijd. Het kabinet heeft in de op 28 augustus 2020 verschenen brief over het steun- en herstelpakket het UWV verzocht om zo snel mogelijk met maatregelen te stoppen die niet langer noodzakelijk zijn, zolang daardoor geen onacceptabele bedrijfsrisico's ontstaan.

De maatregelen betreffen de volgende controles en handhavingstaken:

  • WW-gerechtigden kunnen kleine uitkeringen zelf stopzetten. Normaliter controleert het UWV of de uitkeringsgerechtigde minder dan vijf uur arbeidsurenverlies heeft. Deze controle is arbeidsintensief en daarom tijdelijk vervallen.
  • Als werkzoekenden niet aan hun sollicitatie- of verschijningsplicht kunnen voldoen vanwege de coronabeperkingen, heeft dat tijdelijk geen gevolgen voor de uitkering. Het UWV blijft werkzoekenden stimuleren om te solliciteren, binnen de geldende beperkingen.
  • Het UWV moet een maatregel opleggen als WW-gerechtigden te laat hun inkomstenopgave (IKO) indienen. Deze maatregel legt het UWV tijdelijk niet op.
  • Met een WW-uitkering heeft een WW-gerechtigde recht op een vast aantal vakantiedagen als aan voorwaarden voldaan wordt. Het UWV toetst de vakantieaanvragen minimaal. De doorgegeven vakantieperiode wordt niet geregistreerd in het uitkeringssysteem (zolang de doorgegeven periode niet meer dan 20 dagen omvat). Wel ontvangt de WW-gerechtigde een brief dat hij met behoud van WW op vakantie kan.
  • Er bestaat recht op WW als iemand onvrijwillig arbeidsurenverlies heeft en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Het UWV controleert of voor de werkloze werknemer van rechtswege recht is op een (vast) dienstverband. Deze toets op de ketenbepaling vervalt tijdelijk om capaciteit vrij te spelen.
  • Indien een WW-aanvraag te laat wordt ingediend, beoordeelt het UWV of er een maatregel moet worden opgelegd. Tijdelijk wordt deze beoordeling niet uitgevoerd, waardoor tijdelijk geen maatregelen worden opgelegd als de aanvraag niet later dan een half jaar na de vermoedelijke eerste werkloosheidsdag is gedaan.
  • Indien er geen handtekening op de papieren IKO staat, valt deze uit in het automatische proces. Tijdelijk wordt geen handmatige controle uitgevoerd bij uitval door het ontbreken van een handtekening, waardoor papieren IKO’s waar de handtekening ontbreekt, tijdelijk wel worden geaccepteerd en verwerkt.
  • Als een betrokkene voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag in het buitenland verblijft en vanwege de coronacrisis niet kan terugkeren naar Nederland, wordt de vakantieregeling en/of de uitsluitingsgrond tijdelijk niet toegepast. Het WW-recht wordt vastgesteld alsof de uitkeringsgerechtigde op de eerste werkloosheidsdag in Nederland zou zijn. Deze maatregel is in de op 28 augustus 2020 verschenen brief over het herstel- en steunpakket per direct stopgezet.
  • Bij de WW is sprake van inkomstenverrekening, wanneer een WW-gerechtigde bijverdient. De berekening vindt in eerste instantie plaats met de IKO van de WW-gerechtigde. Definitieve vaststelling gebeurt op basis van de gegevens in de polisadministratie, die na twee maanden beschikbaar zijn. Tijdelijk wordt wanneer de inkomsten op de IKO lager zijn dan de inkomsten uit de polisadministratie, een marge van € 40 aangehouden. Bij een verschil kleiner dan € 40, gaat het UWV uit van het IKO-bedrag en vindt geen terugvordering plaats. De terugvordering zou normaal gesproken het bedrag aan inkomstenverrekening zijn (70% van het verschil). Dit is dus in het voordeel van de WW-gerechtigde. Het UWV stelt geen marge in wanneer de IKO-inkomsten hoger zijn dan uit de polisadministratie blijkt.

Sociaal-medisch beoordelen
De uitbraak van het coronavirus maakt dat sommige mensen tijdelijk minder goed of niet meer kunnen werken of re-integreren, terwijl sociaal-medische beoordelingen nu niet op de reguliere wijze kunnen plaatsvinden.

Het UWV heeft de volgende tijdelijke maatregelen genomen:

  • Het verrichten van sociaal-medische beoordelingen verloopt tijdens de coronacrisis zoveel als mogelijk op basis van dossierinformatie, telefonisch spreekuur en beeldbellen. Sinds begin juni 2020 breidt het UWV het aantal fysieke spreekuren weer stap voor stap uit. Het UWV werkt toe naar een situatie waarin verantwoordelijke teams op basis van maatwerk bepalen of zij spreekuren telefonisch, via beeldbellen of fysiek laten plaatsvinden. Door die combinatie van communicatievormen kan UWV de kwaliteit van sociaal-medische beoordelingen zo goed mogelijk blijven borgen, met inachtneming van de richtlijnen van het RIVM.
  • Voor het inwinnen van medische informatie werkt het UWV ook tijdens de coronacrisis via het standaardproces, maar houdt daarbij wel rekening met de omstandigheid dat bepaalde curatieve artsen mogelijk belast zijn met de zorg voor coronapatiënten.
  • Het UWV verricht waar mogelijk een sociaal-medische beoordeling, gevolgd door een inhoudelijke besluit. Lukt dit echter niet, dan stelt het UWV de beoordeling uit tot het moment dat een fysiek spreekuur weer mogelijk is. Het UWV volgt daarbij ook in de crisisperiode het regulier beleid voor het verstrekken van voorschotten. Dat betekent dat het UWV bij uitstel van een claimbeoordeling Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een voorschot verstrekt tot het moment dat de beoordeling plaats kan vinden.
  • Bij de toekenning van uitkeringen Ziektewet (ZW) geldt dat het UWV in het reguliere proces in uitzonderingsgevallen overgaat tot een fysiek spreekuur, op het moment dat er twijfel is over de plausibiliteit van een ziekmelding. Tijdens de coronacrisis accepteert het UWV in die situaties de ziekmelding en gaat het over tot monitoring van de uitkeringsgerechtigde, tot het moment waarop uitstroom wegens herstel volgt.
  • Ook de eerstejaars ZW-beoordeling verricht het UWV gedurende de coronacrisis waar mogelijk op basis van dossierinformatie, telefonisch spreekuur en/of beeldbellen. Als het UWV op basis daarvan niet tot een goed gewogen oordeel kan komen, geeft het UWV tot 1 juli 2020 toch een beschikking af: de betrokkene behoudt dan zijn ZW-uitkering. Vanaf 1 juli 2020 geeft het UWV in de genoemde situatie geen beschikking meer af. Betrokkenen krijgen in dat geval een brief met het bericht dat de beoordeling is uitgesteld totdat een fysieke beoordeling weer mogelijk is en de informatie dat zij tot dat moment hun ZW-uitkering behouden.
  • Bij de toets op re-integratie-inspanningen houdt het UWV rekening met de impact die de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen hebben op de re-integratie van zieke werknemers. Uitgangspunt is dat de re-integratie van werknemers ook tijdens deze crisis zo goed mogelijk doorgang moet vinden.
  • Landelijk adviseurs verzekeringsartsen houden zich onder andere bezig met het adviseren, instrueren, coachen en bij- en nascholen van verzekeringsartsen. Om de beschikbaarheid van deze adviseurs voor de lastigste en belangrijkste afwegingen te garanderen, hanteert het UWV tijdens de coronacrisis niet de reguliere beleidslijn dat verzekeringsartsen een voorgenomen beschikking Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) altijd moeten afstemmen met een van deze adviseurs.

Aanpassingen in internationale dienstverlening
Bij de uitvoering van de Europese sociale zekerheidsverordening 883/2004 past het UWV wegens de coronacrisis eveneens in een aantal situaties een aangepaste werkwijze of coulance toe.

  • Een WW-gerechtigde kan zijn of haar uitkering drie maanden meenemen naar een andere lidstaat om daar naar werk te zoeken. In het begin van de coronacrisis kon het voorkomen dat WW-gerechtigden als gevolg van overmacht niet voor het verstrijken van de termijn van drie maanden naar Nederland konden terugkeren. Het UWV heeft op basis van Verordening 883/2004 de mogelijkheid om in dergelijke situaties op verzoek van de gerechtigde de exporttermijn te verlengen.
  • In sommige gevallen is het nodig om de aanvrager van een ZW-uitkering die in het buitenland woont op te roepen. Omdat fysiek oproepen tijdens de coronacrisis tijdelijk niet mogelijk is, heeft het UWV de internationale werkprocessen aangepast om ook in die gevallen de plausibiliteit van de ziekte te kunnen vaststellen via telefonisch contact. Als de plausibiliteit alsnog niet kan worden vastgesteld wordt de ziekmelding voorlopig geaccepteerd en kent het UWV een voorschot toe.
  • Door de coronamaatregelen in andere landen is het niet in alle gevallen mogelijk om post naar het buitenland te versturen of vanuit het buitenland te ontvangen. Om toch het recht op een uitkering te kunnen beoordelen, mailt het UWV in deze gevallen met uitkeringsgerechtigden en zusterorganisaties in het buitenland. In het begin van de coronacrisis zijn sommige contacten niet via een beveiligd mailprogramma gelegd. Om te borgen dat de communicatie in lijn is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) mailt het UWV sinds eind mei 2020 alleen nog via een beveiligd mailprogramma dat versneld is uitgerold. Medische gegevens worden nooit via de mail gedeeld.

Overige aanpassingen

  • Tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) worden ruim een maand eerder uitbetaald. Het gaat om het lage-inkomensvoordeel (LIV), het jeugd-LIV en de loonkostenvoordelen (LKV). In plaats van augustus 2020 worden de gelden begin juli 2020 aan de werkgevers overgemaakt. Bovendien zullen de gelden, in tegenstelling tot de huidige werkwijze, niet verrekend worden met openstaande vorderingen bij de Belastingdienst, mits er uitstel van betaling is aangevraagd bij de Belastingdienst (zie het deel Maatregelen belastingheffing – formeel van dit Dossier Corona).
  • Er geldt een coulanceregeling rond de doelgroepverklaring van de loonkostenvoordelen. Zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona.
  • Tijdens de coronacrisis kunnen tijdelijk geen controlebezoeken worden afgelegd.

Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Het uitgangspunt van de SVB is dat de dienstverlening tijdens de coronacrisis zo goed mogelijk wordt gecontinueerd. Hoewel de coronacrisis een opdrijvend effect heeft op de behandeltermijnen, zijn de gevolgen daarvan beperkt. Op een aantal punten treden wel effecten op.

De SVB heeft de volgende maatregelen genomen.

Aanpassingen in de uitvoering

  • De SVB rekent tijdelijk en onder voorwaarden termijnoverschrijdingen niet aan bij burgers, die vooraf hebben aangegeven dat zij termijnen niet halen vanwege de coronamaatregelen. Hetzelfde geldt tijdelijk en zonder nadere verificatie voor burgers die achteraf een termijnoverschrijding op een geloofwaardige wijze kunnen rechtvaardigen. Het gaat daarbij om de tijdige aflossing van boete- of terugvorderingsschulden, het terugsturen van levensbewijzen of andere gevraagde informatie dan wel documenten, voldoen aan de meldingsplicht (daklozen) en de indiening van bezwaarschriften. Er wordt zoveel mogelijk een voorschot verstrekt als een pensioen of uitkering niet tijdig definitief vastgesteld kan worden.
  • Bij belastende besluiten (zoals terug- en-invorderingen) levert de SVB maatwerk indien nodig. Dit om te voorkomen dat mensen (verder) in financiële problemen komen of niet meer in de gelegenheid zijn om bezwaar aan te tekenen.
  • Voor personen die in een ander land werken dan ze wonen, kan het (verplichte) thuiswerken van invloed zijn op het feit of zij verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. De SVB heeft besloten dat het thuiswerken vanwege de maatregelen rond de coronacrisis in beginsel geen gevolgen heeft voor de verzekeringspositie van deze personen (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona). Buurlanden hebben een soortgelijk standpunt in genomen.

Aanpassingen in de handhaving

  • De maandelijkse mailing "onderzoek levensbewijs", waarmee het in leven zijn van gerechtigden op een uitkering Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw) in het buitenland wordt vastgesteld, is opgeschort tot 1 oktober 2020. Voor veel uitkeringsgerechtigden in het buitenland is het onmogelijk het levensbewijs tijdig te retourneren, omdat ze hun huis niet uit mogen en/of de bevoegde instanties om het levensbewijs af te tekenen niet bereikbaar zijn. Daarnaast lopen er onderzoeken die al in maart 2020 of eerder zijn gestart, waarvan het levensbewijs nog niet is ontvangen. Hiervoor wordt de reactietermijn om dezelfde reden opgeschoven naar 1 oktober 2020.
  • Huisbezoeken en bezoeken aan instanties in het kader van handhaving (controles en vermogensonderzoeken) in de ‘attaché-landen’ en in overige buitenlanden zijn door de ingezette maatregelen niet uitvoerbaar en daardoor tijdelijk stopgezet.
  • Huisbezoeken in Nederland in het kader van handhaving zijn sinds 12 maart 2020 tijdelijk stopgezet. Controles via deskresearch worden voortgezet. Bij onderzoeken waar een huisbezoek noodzakelijk is, geeft de toezichthouder op basis van de verzamelde informatie een inschatting van de leefsituatie (zoals die bij een huisbezoek zou worden aangetroffen) zodat de SVB een passende tussentijdse beslissing kan nemen.

Bezwaar en beroep

  • Hoorzittingen in het kader van bezwaar- en beroepsprocedures worden opgeschort. Als de betrokkene ermee instemt, wordt hij telefonisch gehoord. Als hij niet instemt, worden de geldende termijnen opgeschort op grond van overmacht.

Keuringen

  • Het medisch bureau van de SVB/V&O (Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen) heeft medische keuringen voor aanspraken op V&O-uitkeringen tijdelijk niet kunnen uitvoeren. Om die reden is een beroep op overmacht gedaan om de beslistermijn op te schorten.
  • In het kader van de Anw verricht het UWV medische beoordelingen voor de SVB. Zolang het voor het UWV niet mogelijk is om mensen fysiek op te roepen, zal het UWV op basis van een telefonisch consult een advies uitbrengen aan de SVB. Daar waar dit niet mogelijk is, zal het UWV dit met de SVB afstemmen, zodat de SVB-medewerker zo nodig maatwerk kan leveren. Het UWV verwacht in de meeste gevallen tot een weloverwogen advies te kunnen komen. Daar waar nodig volgt later een herbeoordeling en zal iemand alsnog fysiek worden opgeroepen. Deze tijdelijke werkwijze voorkomt dat deze kwetsbare groep tijdens de coronacrisis te lang in onzekerheid blijft.

Herleving AOW-partnertoeslag

Bron: bijlage Stand van de uitvoering sociale zekerheid juni 2020 bij brief minister van SZW stand van de uitvoering 29-6-2020, nr. 2020-0000086526; brief kabinet steun- en herstelpakket 28-8-2020, nr. 00000001003214369000