In het Oud- en Nieuwnummer van Vakstudie Nieuws, V-N 2026/1, geven de redactieleden van Vakstudie Nieuws in het ‘woord vooraf’ hun blik op de fiscaliteit, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise of achtergrond. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van Vakstudie Nieuws publiceert TaxLive de komende dagen dagelijks een bijdrage van een redactielid uit het Oud- en Nieuwnummer. Vandaag is dat de bijdrage van Ronald den Ouden: ‘Adjunct-belastingrechters’.
De rechtspraak piept en kraakt al jaren. Door een continue hoge instroom van zaken (in 2024 ging het ‘rechtspraak-breed’ om 1,47 mln. zaken) zijn in de loop van de jaren bij verschillende gerechten forse achterstanden in de behandeling van zaken ontstaan. Hierdoor zijn de doorlooptijden van de zaken toegenomen. Zowel in de strafrechtspraak als in de belastingrechtspraak komt het met enige regelmaat voor – zelfs in cassatie – dat de in de jurisprudentie op basis van art. 6 EVRM bepaalde redelijke behandeltermijn niet wordt gehaald met als gevolg dat straffen en boeten moeten worden verminderd en dat immateriëleschadevergoedingen voor (veronderstelde) spanning en frustratie moeten worden toegekend. Ondanks de verstopping probeert de rechtspraak zich staande te houden. Met ‘slechts’ 2714 rechters (raadsheren) is de rechtspraak erin geslaagd in 2024 1,4 mln. zaken af te doen. Dat verdient, denk ik, een compliment, ervan uitgaande dat aan de kwaliteitsnormen is voldaan. Uiteraard komt dat compliment niet louter toe aan de rechters/raadsheren maar aan alle medewerkers van de rechtspraak, waaronder de juridisch medewerkers en de griffiemedewerkers. Zonder hen is het voor de rechtspraak onmogelijk het hoofd boven water te houden.
In het kader van het terugdringen van de achterstanden en de doorlooptijden probeert de rechtspraak creatief te zijn en wordt (ook) gezocht naar praktische oplossingen. De afdeling strafrecht van Hof Arnhem-Leeuwarden was in dat verband een pilot gestart waarbij getuigen niet door de raadsheer-commissaris zelf werden gehoord maar door ervaren senior juridisch medewerkers van dat hof. Dit met goedvinden van de verdediging en het Openbaar Ministerie en onder leiding van een raadsheer-commissaris. De Hoge Raad heeft echter een juridische streep door deze pilot gezet, omdat het Wetboek van Strafvordering geen grondslag biedt om getuigen te laten horen door juridisch medewerkers (HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1434, V-N 2025/44.20).
Deze ‘tegenslag’ betekent, wat mij betreft, niet dat de rechtspraak zich moet onthouden van het zoeken naar mogelijkheden om de grote zaakstromen het hoofd te bieden. Eerder opperde ik voor de belastingrechtspraak de suggestie dat de (destijds gemaakte) keuze om alle geschillen in belastingzaken te kunnen ‘uitvechten’ in drie instanties heroverweging verdient (‘Mag het een onsje minder zijn?’, V-N 2024/1.0.4) en de suggestie om te bezien of in bepaalde – relatief eenvoudige – belastingzaken bij de rechtbank het ‘politierechtermodel’ zou kunnen worden gehanteerd (‘Naar een ‘politierechtermodel’ in belastingzaken?’, V-N 2025/1.0.4). Thans zou ik in dat kader een derde duit in het zakje willen doen waarbij twee (of meer) vliegen in een klap worden geslagen. Het gaat om de introductie van de adjunct-belastingrechter.
In dat kader moet worden benadrukt dat de verstopping van de (belasting)rechtspraak niet alleen een gevolg is van de voortdurende grote instroom van zaken. Er is ook een personeelsprobleem. Het is gebleken dat het voor de rechtspraak, met name voor de belastingrechtspraak, lastig is om nieuwe rechters en juridisch medewerkers aan te trekken. De drempel van de selectieprocedure voor belastingrechters en het opleidingstraject blijkt in de praktijk regelmatig te hoog. Verder is het voor de belastingrechtspraak wat betreft de financiële arbeidsvoorwaarden lastig om te concurreren met de belastingadvieskantoren en de fiscale advocatuur. Dat laatste aspect van de financiële arbeidsvoorwaarden geldt overigens ook voor het aantrekken en behouden van juridisch medewerkers (naast de advieskantoren biedt ook de Belastingdienst hen betere financiële arbeidsvoorwaarden). Voor de (jonge) juridisch medewerkers speelt voorts het gebrek aan carrièreperspectief binnen de rechtspraak een rol. Zij hebben binnen de rechterlijke organisatie weinig doorgroeimogelijkheden en de (directe) stap naar het rechterschap is groot. Deze omstandigheden treffen overigens niet alleen de rechtspraak. Bij het Openbaar Ministerie speelde dezelfde problematiek. Binnen die organisatie is daarvoor echter jaren geleden een oplossing gevonden. De functie van adjunct-officier van justitie werd namelijk geïntroduceerd en in de Wet RO (met de omschrijving ‘de officier enkelvoudige zittingen’) verankerd. Deze functionaris is, naast het verlenen van ondersteuning aan de officier van justitie, zelfstandig – als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie – bevoegd politierechterzittingen te doen. Hierdoor is het Openbaar Ministerie in staat om meer strafzaken te behandelen, kunnen officieren van justitie zich richten op de zware strafzaken, krijgen jonge juridisch medewerkers binnen de organisatie de kans zich te ontwikkelen en mogelijk door te groeien naar het volwaardige officierschap, en ontvangen zij een hoger salaris.
Gelet op deze positieve aspecten, is het wat mij betreft – ondanks alle ‘mitsen en maren’ – de moeite waard om te onderzoeken of een vergelijkbare functie binnen de belastingrechtspraak zou kunnen worden geïntroduceerd. Adjunct-rechters die in de eerste lijn (bij de rechtbank) zelfstandig worden belast met de behandeling van – en beslissing in – relatief eenvoudige belastingzaken waarin het financiële belang onder een bepaalde grens blijft (bijvoorbeeld € 1000). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan zaken over WOZ-beschikkingen van woningen, parkeerbelastingzaken en andere lokale heffingen en zaken over de motorrijtuigenbelasting. De rechters kunnen zich daardoor concentreren op de zwaardere fiscale zaken. Dit kan bijdragen aan de ontstopping van de belastingrechtspraak in eerste aanleg en het biedt jonge talentvolle juridisch medewerkers carrièreperspectief en een beter salaris binnen de belastingrechtspraak. Daardoor zal de aantrekkingskracht van de rechterlijke organisatie op hen als werkgever worden vergroot.
Bron: Redactie Vakstudie Nieuws
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Belastingrecht algemeen, Strafrecht