In 2025 ontving de belastingkamer van de Hoge Raad 1263 nieuwe zaken, waarvan maar liefst 235 werden ingediend door buitenlandse beleggingsfondsen over de inhouding van dividendbelasting. Dat blijkt uit het jaarverslag van het hoogste rechtscollege. De belasting van personenauto’s en motorrijwielen eindigde op de tweede plaats met 224 nieuwe zaken. Dit ondanks de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm.

Het overgrote deel van de ingekomen zaken betrof rijksbelastingen (928; 73,5 procent) en belastingen van lokale overheden (264; 21 procent; daarvan 167 of 63 procent WOZ-zaken). Het grootste aandeel bij de rijksbelastingzaken had dus de dividendbelasting (25 procent van de rijksbelastingzaken), direct gevolgd door de BPM (24 procent van alle rijksbelastingzaken). Daarna volgden de inkomstenbelasting (20 procent), de omzetbelasting, accijnzen en douanerechten (samen 8 procent) en de vennootschapsbelasting (4 procent). Ook in 2025 bleef de instroom van BPM- en WOZ-zaken dus hoog.

De uitstroom beliep 759 zaken. In 667 van deze zaken werd vorig jaar uitspraak gedaan tegen 677 in 2024. De werkvoorraad steeg van 1.007 naar 1.509 zaken. De gemiddelde doorlooptijd steeg ten opzichte van 2024 met 107 dagen van 286 naar 393 dagen.

In belastingzaken is een conclusie door het parket facultatief. In 2025 concludeerden de vier fiscale advocaten-generaal (A-G) in 131 belastingzaken, hetzelfde aantal als in 2024.

Het jaarverslag staat op de website van de Hoge Raad.

Bron: Hoge Raad

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

30

Gerelateerde artikelen