In het Oud- en Nieuwnummer van Vakstudie Nieuws, V-N 2026/1, geven de redactieleden van Vakstudie Nieuws in het ‘woord vooraf’ hun blik op de fiscaliteit, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise of achtergrond. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van Vakstudie Nieuws verschijnt de komende dagen dagelijks op TaxLive een bijdrage van een redactielid. Vandaag is dat de bijdrage van Bart van der Burgt:'De Hoge Raad had duidelijker moeten zijn'
2025 gaat op wetgevingsgebied wat betreft de vennootschaps- en dividendbelasting niet de geschiedenisboeken in als een jaar van grote ontwikkelingen. Een vermeldenswaardig wapenfeit is de ‘Consultatie fiscaal flankerende maatregelen grensoverschrijdende verrichtingen’. Deze titel had overigens concreter gekund: het voorstel bevat namelijk alleen fiscale regels voor omzettingen van rechtspersonen. In V-N 2025/49.5 hebben wij (vraag)punten opgeworpen, die in het verdere wetgevingsproces aandacht verdienen. Ook was het aantal inhoudelijk relevante arresten van de Hoge Raad op het terrein van de vennootschaps- en dividendbelasting beperkt in 2025. De meest belangwekkende arresten gaan over misbruik(bestrijding). Mijns inziens had de Hoge Raad in de hierna te bespreken arresten duidelijker moeten zijn.
In de ‘brillenzaak’, V-N 2025/39.5, was sprake van een private-equity-overnamestructuur. Bovenin, bij (sub)fondsen en CV’s, was eigen vermogen beschikbaar. Dit werd via een Luxemburgse vennootschap als lening verstrekt aan de Nederlandse belanghebbende, een moedermaatschappij van een fiscale eenheid. Dit ingeleende geld werd door belanghebbende gebruikt voor de verwerving van het ‘brillenconcern’. De schuld van belanghebbende viel onder het toepassingsbereik van art. 10a Wet VPB 1969. Omdat een ‘onzakelijke omleiding’ ontbrak, lagen aan de schuld in beginsel zakelijke overwegingen ten grondslag (r.o. 5.4.1). Het beroep op de tegenbewijsregeling van art. 10a lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969 slaagde (r.o. 5.4.3). De rentelasten waren toch niet aftrekbaar, want de Hoge Raad ging mee met het oordeel van Hof Amsterdam dat sprake was van fraus legis. Volgens mij is dit geen opzienbarend eindresultaat. Er zijn onnodig rentelasten gecreëerd die men heeft laten neerslaan in Nederland. Deze rentelasten werden met behulp van het fiscale-eenheidsregime samengebracht met winsten van het overgenomen brillenconcern met als doorslaggevend doel een lagere vennootschapsbelastingdruk. Dat dan de noodrem van fraus legis wordt gehanteerd, kan ik goed volgen. Toch heb ik kritiek op dit arrest. Zoals ook in de aantekening in V-N 2025/39.5 is opgemerkt, rijst de vraag hoe deze brillenzaak zich verhoudt tot eerdere arresten van de Hoge Raad. Wat mij in het bijzonder intrigeert in deze brillenzaak, is enerzijds de slotsom dat sprake is van fraus legis, waarbij is gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet VPB 1969 als geheel (r.o. 5.6.1 en 5.6.2), en anderzijds de vaststelling dat de inspecteur niet heeft gesteld dat is gehandeld met het oogmerk de verbondenheid te verijdelen en daarmee in strijd met doel en strekking van art. 10a lid 1 Wet VPB 1969 (r.o. 5.4.3). Op dit punt had de Hoge Raad naar mijn mening moeten reflecteren op de vraag hoe dit zich laat rijmen met het ‘sidecararrest’, HR BNB 2024/52, V-N 2024/16.8. Meer specifiek, met het oordeel over de leningsdelen die in die zaak waren verstrekt door drie niet-verbonden geldverstrekkers. De Hoge Raad oordeelde dat die leningsdelen geen deel uitmaakten van een samenstel van rechtshandelingen dat tot stand was gebracht met het doorslaggevende oogmerk om de verbondenheid te omzeilen (r.o. 4.4.6). De renteaftrek kan in zo’n situatie volgens de Hoge Raad ook niet worden geweigerd wegens strijd met doel en strekking van de Wet VPB 1969 als geheel (r.o. 4.6.4). Het is mij een raadsel waarom de Hoge Raad dit punt in de brillenzaak niet adresseert en opheldert (vgl. ook Van Lindonk, NLF 2025/1878 en Kok, WFR 2025/244, par. 4.2). Mogelijk was de Hoge Raad in de brillenzaak impliciet van oordeel dat werd gehandeld met het doel de verbondenheid met de ‘bovenkant van de structuur’ te verijdelen (vgl. ook Bierman, NTFR 2025/1395). De verklaring zou ook meer in zijn algemeenheid kunnen liggen in de wel respectievelijk niet aanwezige gekunsteldheid (vgl. de brillenzaak, r.o. 5.5.1 en 5.6.1 versus het sidecararrest, r.o. 4.6.4). Dit giswerk illustreert dat de Hoge Raad duidelijker had moeten zijn. Kennelijk vindt de Hoge Raad dat zelf niet, want hij laat dit punt onaangeroerd in het recente arrest van 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1960, V-N 2025/57.6.
In 2025 oordeelde de Hoge Raad ook over twee bepalingen, art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969 en art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965, waarin de antimisbruikbepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn is geïmplementeerd. Ik focus op één element. In HR BNB 2025/95, V-N 2025/20.6, r.o. 4.5.2 oordeelde de Hoge Raad dat ‘in de regel’ moet worden aangenomen dat is voldaan aan het objectieve element van misbruik van Unierecht, als is voldaan aan het subjectieve element van dat misbruikconcept (vgl. ook HR BNB 2025/123, V-N 2025/34.7, r.o. 5.4.2). Het wekt verbazing dat de Hoge Raad niet vermeldt waarom dat volgens hem zo is. Dat voorkomt giswerk over wat de gedachte van de Hoge Raad zal zijn geweest (zie Van Horzen, WFR 2025/320). Ook kan dan beter worden beoordeeld of de Hoge Raad op dit punt daadwerkelijk ‘te kort door de bocht gaat’ (zie Van Hulten & Rijff, WFR 2025/295, par. 4.2.3).
Bron: Redactie Vakstudie Nieuws
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting