In het Oud- en Nieuwnummer van Vakstudie Nieuws, V-N 2026/1, geven de redactieleden van Vakstudie Nieuws in het ‘woord vooraf’ hun blik op de fiscaliteit, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise of achtergrond. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van Vakstudie Nieuws publiceert TaxLive de komende dagen dagelijks een bijdrage van een redactielid uit het Oud- en Nieuwnummer. Vandaag is dat de bijdrage van Thil van Kempen: ‘De vordering op de koper van een onderneming en box 3’
Inleiding
Als een IB-ondernemer zijn onderneming aan een derde verkoopt, dient hij uiterlijk bij overdracht van de onderneming af te rekenen over de stakingswinst. Dit geldt ook indien partijen overeenkomen dat de koopsom pas na de overdracht hoeft te worden voldaan. Met een eventuele omstandigheid dat aan de kredietwaardigheid van de koper kan worden getwijfeld, wordt bij de vaststelling van de stakingswinst rekening gehouden. Feiten die een verzwakte kredietwaardigheid van de koper tonen, worden daarbij alleen in aanmerking genomen voor zover zij zien op de toestand op de stakingsdatum en aan het licht komen voordat de aanslag over het stakingsjaar onherroepelijk vaststaat (HR 4 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9752, BNB 1981/336). De vordering op de koper van de onderneming behoort vervolgens in de regel tot het verplichte privévermogen en daarmee tot de rendementsgrondslag van box 3 (HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6956, BNB 2004/227).
Huidige box 3-gevolgen
Indien de koper van de onderneming door feiten en omstandigheden na stakingsdatum zijn schuld niet volledig kan voldoen, lijdt de verkoper feitelijk een verlies op zijn vordering. In het forfaitaire box 3-stelsel kan hij dit verlies niet in aanmerking nemen. Wel wordt in de tegenbewijsregeling bij het bepalen van het werkelijke rendement op het gehele vermogen rekening gehouden met dit verlies. Van een negatief box 3-inkomen vanwege genoemd verlies kan thans echter geen sprake zijn.
In een situatie waarin de vordering niet volledig wordt voldaan, wordt de verkopende ondernemer aldus belast voor stakingswinst die hij feitelijk niet heeft genoten. In de literatuur is veelvuldig gewezen op deze onevenwichtigheid. De vraag rijst of de Wet werkelijk rendement box 3 per 2028 een uitgebalanceerde oplossing biedt voor dit probleem.
Wet werkelijk rendement box 3
Voor vorderingen geldt in het nieuwe stelsel een vermogensaanwasbelasting. De belastingplichtige kan zijn vordering op de koper van zijn onderneming in box 3 afwaarderen voor zover zich in enig jaar een waardedaling voordoet. Uitgangspunt is bovendien dat de vordering op de koper van de onderneming in box 3 wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Bij binnenkomst van de vordering in box 3 sluit die waarde in de regel aan bij de waarde waarmee bij het vaststellen van de stakingswinst rekening is gehouden. Als de vordering niet wordt voldaan, zal daardoor tegenover de stakingswinst in box 1 een verlies in box 3 staan. Onevenwichtig is nog wel dat het box 3-verlies niet kan worden verrekend met de stakingswinst in box 1.
Voor geldleningen tussen natuurlijke personen geldt voor de eenvoud echter een afwijkende waarderingsregel op nominale waarde (art. 5.57 Wet IB 2001). Alleen ingeval een vordering is verkregen of vervreemd voor een tegenprestatie die afwijkt van de nominale waarde wordt teruggevallen op de eerdergenoemde hoofdregel. De wetgever zou het bereik van dit wetsartikel mijns inziens beter kunnen inperken tot leningen tussen particulieren. Vooralsnog geldt deze inperking op grond van de letterlijke tekst niet. Indien een IB-ondernemer zijn onderneming verkoopt aan een andere natuurlijke persoon en de vordering uiteindelijk onvolwaardig blijkt te zijn, zijn de gevolgen daarom mijns inziens als volgt.
In de situatie waarin de vordering ten tijde van staking volwaardig is, is de waarde in het economische verkeer van de vordering gelijk aan de nominale waarde. De vordering komt dan in box 3 binnen voor de waarde waarmee rekening is gehouden bij het vaststellen van de stakingswinst. Daalt de vordering vervolgens in waarde, dan kan in box 3 nog geen verlies in aanmerking worden genomen. Verliesneming is pas aan de orde bij ‘vervreemding’ van de vordering, waaronder ook dient te worden begrepen de kwijtschelding van de vordering. Verliesneming is dus weliswaar mogelijk, maar op een later moment dan ingeval de onderneming zou zijn verkocht aan een rechtspersoon. Dat is op zichzelf al onevenwichtig.
Als met de verminderde kredietwaardigheid van de koper al rekening kon worden gehouden bij het vaststellen van de stakingswinst, komt de vordering eveneens voor de nominale waarde in box 3 binnen. Die waarde is dan hoger dan waarmee rekening is gehouden bij het vaststellen van de stakingswinst. Gevolg is dat in de toekomst bij vervreemding of kwijtschelding van de vordering in zoverre een verlies in box 3 ontstaat dat feitelijk niet is geleden. Ook hier levert de Wet werkelijk rendement box 3 geen uitgebalanceerde uitkomst op.
Conclusie
De conclusie is dat de Wet werkelijk rendement box 3 geen uitgebalanceerde oplossing biedt voor het geschetste probleem. Een evenwichtig eindresultaat wordt bereikt als de vordering op de koper van de onderneming na staking tot het fiscale ondernemingsvermogen zou blijven behoren.
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting