Aan de hand van een casus komen de mogelijkheden en fiscale beperkingen aan de orde van de verdeling van lijfrentekapitaal na de scheiding van een echtpaar dat is gehuwd in gemeenschap van goederen.
De casus is als volgt.
Een man is gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. In het verleden heeft hij, in aanvulling op de AOW en het pensioen dat hij bij zijn werkgever opbouwt, een lijfrenteverzekering gesloten. Hij betaalt hier jaarlijks premie voor. Die premie trekt hij ook telkens af in zijn aangifte inkomstenbelasting. Zijn echtgenote en de man hebben besloten van echt te gaan scheiden. De huwelijksgoederengemeenschap zal verdeeld moeten worden. Wat zijn in dat kader de mogelijkheden voor de lijfrenteverzekering?
De uitwerking luidt als volgt. Volgens de hoofdregel van art. 3.133 Wet IB 2001 is (gedeeltelijke) overdracht van de lijfrenteaanspraak aan de partner niet toegestaan. Gebeurt dat toch, dan worden er negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in rekening gebracht, dat wil zeggen de overgedragen aanspraak wordt in box 1 belast. Bovendien wordt er 20 procent revisierente berekend (art. 30i AWR).
Maar bij echtscheiding geldt er een uitzondering. In het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap bij echtscheiding kan een lijfrenteverzekering geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan de ex-echtgeno(o)t(e) zonder dat de Belastingdienst negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in rekening brengt (art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001). Je kunt hierbij denken aan:
- overdracht van het verzekeringnemerschap;
- het splitsen van de lijfrenteverzekering;
- het (gedeeltelijk) overboeken van het lijfrentekapitaal naar een andere lijfrenteverzekering of lijfrenterekening; of
- het op de polis aanwijzen van de ex-echtgenote tot onherroepelijk begunstigde voor het lijfrentekapitaal.
Dat er géén negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen – en revisierente – in rekening worden gebracht, wil niet zeggen dat er helemaal geen fiscale gevolgen zijn. Stel dat de man verzekeringnemer blijft en dat de ex-echtgenote op andere wijze – in geld of goederen – gecompenseerd wordt. Vanwege de bestaande huwelijksgoederengemeenschap is de ex-echtgenote voor de helft gerechtigd tot de waarde van het lijfrentekapitaal. Daar ziet zij van af, in ruil voor geld of goederen. Wat zij verkrijgt wordt bij haar belast als periodieke uitkering (art. 3.102 lid 3 Wet IB 2001). En hetzelfde bedrag is bij de man fiscaal aftrekbaar als persoonsgebonden aftrekpost (art. 6.3 lid 1 onderdeel d Wet IB 2001).
Doet het echtpaar dit in het jaar van echtscheiding en kiezen zij in dat jaar nog voor ‘voljaarspartnerschap’ voor de verdeling van gemeenschappelijke inkomsten (art. 2.17 lid 7 Wet IB 2001), dan kan de persoonsgebonden aftrekpost worden toegerekend aan de ex-echtgenote. In dat geval heeft de ex-echtgenote zowel de belastingheffing als de persoonsgebonden aftrekpost. Maar ook dan hoeft er nog niet helemaal sprake te zijn van een fiscaal neutrale afwikkeling.
Belastingheffing over de periodieke uitkering vindt in box 1 namelijk plaats tegen maximaal 49,50 procent terwijl een persoonsgebonden aftrekpost tegen maximaal 37,56 procent in box 1 in aanmerking wordt genomen. Bovendien is de ex-echtgenote mogelijk 4,85 procent bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd over (een deel van) het bedrag dat als periodieke uitkering bij haar wordt belast.
Een fiscale neutrale verdeling valt eigenlijk maar op één manier te bereiken: de schaar erin! Ieder krijgt in dat geval een halve lijfrenteaanspraak. Als er nog een andere lijfrenteverzekering is met (ongeveer) dezelfde waarde zou het scheidende echtpaar er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om de ene lijfrente aan de één toe te bedelen en de andere lijfrente aan de ander.
Wat hiervoor is gezegd over een lijfrenteverzekering geldt ook voor de lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Aandachtspunt daarbij is dat een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht geen begunstiging kent.
Let op!
- Overdracht van lijfrentekapitaal kan in beginsel alleen plaatsvinden in het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Behoort de lijfrente niet tot de huwelijksgoederengemeenschap, of is er zelfs helemaal geen huwelijksgoederengemeenschap, dan valt er op dit punt ook niks over te dragen.
- Dat principe leidt uitzondering als er een gerechtelijk vonnis aan de beoogde verdeling ten grondslag ligt of wanneer de waarde van een lijfrente moet worden verrekend op grond van een contractueel verrekenbeding of een ander beding (zie onderdeel 11.1 Lijfrenteverzamelbesluit 2025).
- Ook voor samenwoners geldt nog een uitzondering. Deze is terug te vinden in onderdeel 12 Lijfrenteverzamelbesluit 2025.
- Meer informatie staat in het standpunt van de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst met nummer KG:070:2025:1.
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Pensioenen, Inkomstenbelasting