De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat de Belastingdienst het hogere belastingrentepercentage niet mag toepassen op de vennootschapsbelasting. Daarom zal voor de vennootschapsbelasting hetzelfde belastingrentepercentage gelden als voor de andere belastingen. De Belastingdienst beantwoordt vier vragen over dit onderwerp.

  1. Belastingrentepercentage-arrest geldt ook voor belastingrenteregels vanaf 2024
    Vraag: De procedure voor de Hoge Raad betrof een voorlopige aanslag over 2021. Aan belanghebbende is met dagtekening 15 juli 2023 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd voor het jaar 2021. De belastingrente is in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023. De vraag is voor welke jaren het arrest van de Hoge Raad geldt. Met ingang van 1 januari 2024 is de systematiek gewijzigd aan de hand waarvan de Belastingdienst het geldende belastingrentepercentage bepaalt. In het aanwijzingsbesluit massaal bezwaar belastingrente VPB is aangegeven dat deze wijziging van de systematiek aan de hand waarvan de Belastingdienst het geldende belastingrentepercentage bepaalt, geen reden is om deze aanwijzing niet van toepassing te laten zijn op de met ingang van 1 januari 2024 in rekening gebrachte belastingrente voor de Vpb, de bronbelasting, de solidariteitsbijdrage, de minimumbelasting en het winstaandeel. Wel kan deze wijziging van de systematiek een reden zijn om 1 of meer andere proefprocedures te selecteren. 

    Geldt het arrest van de Hoge Raad, gezien deze gewijzigde systematiek, ook voor de belastingrente die met ingang van 1 januari 2024 door de Belastingdienst in rekening is gebracht?

    Antwoord: Het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, nr. 24/0419, ECLI:NL:HR:2026:59 ziet ook op de tekst van het Besluit belasting- en invorderingsrente dat geldt voor de jaren 2024 tot en met 2026. De Hoge Raad overweegt namelijk:

    "4.8.2 Een lastenverzwaring die geheel of in overwegende mate op budgettaire motieven berust, komt onder meer in strijd met het evenredigheidsbeginsel indien de hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Als gevolg van het ongefundeerde selectieve karakter van de lastenverzwaring wordt die groep belastingplichtigen daardoor onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel."

    Van 2024 tot en met 2026 zijn bij 1 groep belastingplichtigen nog steeds hogere lasten gelegd, zonder dat hiervoor andere gronden zijn vermeld. Weliswaar blijkt dat het kabinet zich bewust is van de ongelijkheid, en deze enigszins verkleint, omdat het kabinet het wenselijk acht de verschillende percentages ‘meer naar elkaar toe te laten tenderen’ (Staatsblad 2023, 511, toelichting p. 39-42). Desondanks is het belastingrentepercentage voor de VPB en aanverwante belastingen in de jaren 2024 tot en met 2026 nog steeds circa 33 tot 50 procent hoger dan het belastingrentepercentage voor de overige belastingen.

  2. De Belastingdienst bekijkt of het arrest van 16 januari 2026 gevolgen heeft voor de belastingrente bij de inkomstenbelasting en dergelijke
    Vraag: De Belastingdienst heeft op zijn website aangegeven dat ze op dit moment bekijkt wat de gevolgen zijn van het arrest van 16 januari 2026 voor de andere belastingen die vallen onder het massaal bezwaar. Welke belastingen bedoelt de Belastingdienst hiermee?

    Antwoord: Het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 geldt voor de belastingen die zijn vermeld in artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente. Dit zijn de VPB, de bronbelasting, de solidariteitsbijdrage en het winstaandeel (vermeld in het aanwijzingsbesluit massaal bezwaar belastingrente VPB). Doordat de Hoge Raad voor die belastingen het belastingrentepercentage toepast dat geldt voor de andere belastingen die zijn vermeld in artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (waaronder de inkomstenbelasting), bekijkt de Belastingdienst wat de gevolgen van het arrest zijn voor de belastingen die zijn vermeld in het aanwijzingsbesluit massaal bezwaar belastingrente inkomstenbelasting.
     
  3. Het arrest geldt niet voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan op 16 januari 2026 
    Vraag: Na het arrest van de Hoge Raad inzake de hoogte van de belastingrente op voorlopige en definitieve aanslagen VPB, is de vraag of bij voorlopige en definitieve aanslagen die onherroepelijk vaststaan de mogelijkheid bestaat om binnen 5 jaar een verzoek om ambtshalve vermindering vanwege de belastingrente in te dienen.

    Antwoord: Het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 geldt niet voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan op 16 januari 2026 (Besluit fiscaal bestuursrecht § 23). Verzoeken om ambtshalve vermindering zullen dus worden afgewezen.

  4. De datum van de collectieve uitspraak op bezwaar is nog onbekend
    Vraag: De uitspraak op massaal bezwaar moet uiterlijk binnen 6 weken na het arrest worden gedaan. Is het de verwachting dat deze uitspraak op een eerdere datum zal worden gedaan?

    Antwoord: De Belastingdienst bereidt de collectieve uitspraak op bezwaar voor. Op dit moment is de verwachting dat uitspraak wordt gedaan op een datum die dicht bij de wettelijke einddatum ligt.

Bron: Belastingdienst

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

51

Gerelateerde artikelen