Rechtbank Noord-Holland concludeert dat de heffing in verband met de verplichte afrekening over een saldolijfrente per 2020, in verhouding tot het inkomen en de uitkeringen inbreuk maakt op het eigendomsrecht.

Eerder oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant eveneens dat het belasten van de saldolijfrente een individuele en buitensporige last opleverde. In de procedure voor Rechtbank Noord-Holland (4 september 2025,  ECLI:NL:RBNHO:2025:10755) wordt een vrouw in 2020 geconfronteerd met een aanzienlijke belastingaanslag van € 75.652 over haar saldolijfrenteverzekering met een waarde van € 158.528. De aanleiding was het aflopen van het overgangsrecht per 31 december 2020, waardoor per die datum fiscaal moest worden afgerekend over het rentebestanddeel in de aanwezige waarde. Zij stelt dat deze heffing onevenredig is en in strijd met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM (het eigendomsrecht), en beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke regeling op zichzelf niet in strijd is met het EVRM. Het overgangsrecht van twintig jaar en een tarief van maximaal 45% worden als redelijk beschouwd. In dit specifieke geval leidt de afrekenverplichting volgens de rechtbank echter tot een individuele en buitensporige last. De heffingsgrondslag is vijftien keer hoger dan de jaarlijkse uitkering en de vrouw beschikt niet over voldoende middelen om de aanslag te voldoen zonder een lening af te sluiten. Afkoop van de saldolijfrente is niet mogelijk en zij wordt pas in oktober 2020 geïnformeerd over de fiscale afrekening, wat haar mogelijkheden om te anticiperen verder heeft beperkt.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een schending van art. 1 EP EVRM. De rechtbank verlaagt het belastbaar inkomen uit werk en woning van de vrouw van € 188.754 naar € 109.490 en vermindert de belastingrente. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt: het overgangsrecht eindigt immers voor iedereen op 31 december 2020.

Belang voor de praktijk

Saldolijfrenten zijn vóór 14 september 1999 gesloten lijfrentecontracten waarvan de koopsom of premie niet kón worden afgetrokken. Uitkeringen werden belast volgens de saldomethode. Dit betekende dat er pas belasting over de uitkeringen hoefde te worden betaald als er meer werd uitbetaald dan er aan premie/koopsom was ingelegd. Het overgangsrecht voor saldolijfrenteverzekeringen is ten einde gekomen op 31 december 2020 (H 2 art. I onderdeel Q lid 2 Invoeringswet Wet IB 2001). Per die datum gold voor de saldolijfrente een afrekenverplichting. De afrekenverplichting hield in dat per 31 december 2020 fiscaal moest worden afgerekend over het eventuele rentebestanddeel in de op dat moment aanwezige waarde. De Belastingdienst heeft aan alle verzekeraars voorgeschreven hoe deze waarde moest worden vastgesteld. Daarbij moest onder meer rekening worden gehouden met het statistisch gemiddelde risico van overlijden van de verzekerde voordat de lijfrente volledig is uitgekeerd, de rekenrente en de hoogte van de uitkering die wordt ontvangen.

In eerdere procedures die werden aangespannen zoals Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7795  en Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:7327 kregen de verzekeringnemers het deksel op de neus. In beide gevallen was de van toepassing zijnde waarderingssystematiek in geschil. En kon de rechter niet anders oordelen dat de waarde op de juiste, door de Belastingdienst voorgeschreven wijze, was vastgesteld. In de tweede genoemde uitspraak oordeelt de rechtbank bovendien dat de heffing over de saldolijfrenteverzekering in box 1 bij de belastingplichtige niet leidt tot een individuele en buitensporige last.

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

11

Gerelateerde artikelen