In het Oud- en Nieuwnummer van Vakstudie Nieuws, V-N 2026/1, geven de redactieleden van Vakstudie Nieuws in het ‘woord vooraf’ hun blik op de fiscaliteit, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise of achtergrond. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van Vakstudie Nieuws publiceert TaxLive de komende dagen dagelijks een bijdrage van een redactielid uit het Oud- en Nieuwnummer. Vandaag is dat de bijdrage van Arjen Schep: ‘Het gemeentelijke belastinggebied bungelt tussen kloof en ravijn’.
Sinds in 2015 taken uit het sociale domein van rijk naar gemeenten werden gedecentraliseerd, staat de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten op scherp. Daar bovenop kwam de wijziging van de systematiek waarmee de gelden uit het gemeentefonds over gemeenten worden verdeeld. Het jaar 2026 werd door gemeenten in financiële zin daarom als ‘ravijnjaar’ omschreven. Ze dreigden er in dat jaar € 2,4 mrd. op achteruit te gaan, nog los van de tekorten in de jeugdzorg van € 824 mln. in 2025. De discussie tussen gemeenten en het rijk bereikte eind 2024 een dieptepunt toen de VNG met een rechtszaak tegen de staat dreigde als het kabinet geen ‘boter bij vis’ zou leveren om de financiële tekorten bij de jeugdzorg te dempen. De jeugdzorg is een van de vele taken die gemeenten namens het rijk – in medebewind – uitvoeren. In vergelijking met andere Europese landen hebben Nederlandse gemeenten relatief veel van die medebewindstaken. De bekostiging van die taken geschiedt uit het gemeentefonds. Daarbij is sprake van een zogenoemde belastingkloof. Die kloof is het verschil tussen de hoeveelheid geld die gemeenten uitgeven ten opzichte van wat zij via eigen inkomsten zoals via de OZB binnen kunnen krijgen.
In Europa is die kloof alleen in Estland, Litouwen en Slowakije groter, zo constateerde de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) in juli 2025 in haar advies ‘Meters maken met medebewind’. In 2023 ontvingen gemeenten bijna 70% van hun inkomsten van het rijk via algemene en specifieke uitkeringen uit het gemeentefonds. De opbrengst van de belangrijkste eigen belastingbron, de onroerendezaakbelastingen bedroeg in dat jaar slechts 7% van de gemeentelijke inkomsten. Er is niet alleen sprake van een disbalans tussen uitgaven en inkomsten, maar ook tussen taken en bevoegdheden. Kenmerkend voor de medebewindstaken is dat gemeenten doorgaans weinig tot geen beleidsvrijheid hebben bij de uitvoering ervan. In 2019 werd becijferd dat slechts 17% van de gemeentelijke lasten betrekking had op taakvelden met veel beleidsvrijheid, 63% op taakvelden met beperkte beleidsvrijheid en 19% op taakvelden zonder beleidsvrijheid (ROB (2019), ‘Beleidsvrijheid Geduid’). Wanneer de budgetten grotendeels door het rijk worden bepaald, en er tegelijkertijd nauwelijks sprake is van beleidsvrijheid, komen de financiële risico’s bij het niet behalen van doelstellingen voor gemeenten. Dat is aanvaardbaar als duidelijk is wat het rijksbeleid is per taak, er per gemeente duidelijk is hoeveel geld voor welke medebewindstaak beschikbaar is en welke risico’s voor rekening van gemeenten komen. Dat inzicht ontbreekt volledig, zo constateerde de ROB in het eerdergenoemde advies uit juli 2025. Ook weten we niet wat globaal de noodzakelijke kosten zijn van gemeenten om de medebewindstaken doelmatig uit te kunnen voeren. Zonder die feiten en dat inzicht kan geen gesprek op inhoud plaatsvinden. In maart 2025 constateerde de ROB dan ook dat de discussie over de toedeling van overheidstaken en hoe die vervolgens goed werkend te krijgen afgelopen decennia te weinig en te oppervlakkig heeft plaatsgevonden. Dat kan ook de hoogoplopende spanningen tussen VNG en rijk en dreiging met rechtszaken verklaren.
Uitkomst van de patstelling eind 2024 was dat gemeenten er structureel € 400 mln. bij krijgen. Ook voor de jeugdzorg krijgen gemeenten tot 2028 extra middelen. Vanaf 2028 staat echter voor jeugdzorg een bezuiniging ingeboekt van € 108 mln., waardoor een nieuw ravijnjaar dreigt. De ROB pleit er dan ook voor om de komende jaren te investeren in het vergroten van het inzicht over de medebewindstaken die door gemeenten worden uitgevoerd, welk budget daarbij hoort en voor wiens rekening welke risico’s komen. Dat inzicht is niet alleen goed voor de interbestuurlijke verhoudingen maar ook voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Dat inzicht is bovendien noodzakelijk om een zinvolle discussie te kunnen voeren over de genoemde belastingkloof en de daarmee samenhangende vraag naar de wenselijke grootte van het eigen belastinggebied van gemeenten. Pas als duidelijk is welke taken gemeenten namens het rijk uitvoeren en welk budget daaraan gekoppeld is, kan discussie worden gevoerd over de vraag hoe groot de financiële ruimte voor gemeenten zou moeten zijn om hun autonome taken te kunnen bekostigen. Totdat dat inzicht er is, blijft het gemeentelijke belastinggebied bungelen ergens tussen een kloof en een ravijn.
Bron: Redactie Vakstudie Nieuws
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Belastingrecht algemeen, Belastingen van lagere overheden