De Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst legt in een standpunt de inkortingsregeling van art. 10bis.11 lid 1 Wet IB 2001 uit.
De Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst heeft in een recent gepubliceerd standpunt (19 december 2025, KG:051:2025:9) uitgelegd hoe de inkortingsregeling van art. 10bis.11 lid 1 Wet IB 2001 werkt. Het gaat hierbij om de invloed van een (deels) vrijgestelde uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) of beleggingsrecht eigen woning (BEW) op de maximale bestaande eigenwoningschuld. De werking van de regeling wordt uitgelegd aan de hand van een driestappenplan en twee voorbeelden. Onderstaand is het eerste voorbeeld in gewijzigde vorm overgenomen.
Voorbeeld
- X heeft een eigen woning met een bestaande eigenwoningschuld van € 200.000.
- X gebruikt in 2025 de afkoopwaarde van zijn KEW van € 60.000 voor schuldaflossing.
- X verkoopt vervolgens zijn woning voor € 250.000.
- Eind 2025 koopt X een nieuwe eigen woning voor € 450.000. Hij leent hiervoor € 340.000.
Stap 1 – Wat is de maximale eigenwoningschuld?
- X’ eigenwoningreserve bedraagt € 250.000 -/- € 140.000 = € 110.000.
- X’ maximale eigenwoningschuld bedraagt daarmee € 450.000 -/- € 110.000 = € 340.000.
Stap 2 – Voor welk bedrag bestaat recht op overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden?
- X had bij verkoop van zijn oude woning een bestaande eigenwoningschuld van € 140.000.
- Op grond van art. 10bis.1 lid 3 Wet IB 2001 herleeft verder voor het bedrag van de aflossing uit de KEW van € 60.000 het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden.
- Het recht op overgangsrecht bedraagt daardoor in beginsel € 200.000.
Stap 3 – Leidt de inkortingsregeling tot een beperking van het recht op overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden?
- X heeft recht op het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden voor de verwervingskosten van de nieuwe woning minus het bedrag van de benutte
uitkeringsvrijstelling. - Dat is: € 450.000 -/- € 60.000 = € 390.000.
➢ Het bedrag van de bestaande eigenwoningschuld is het laagste van de drie vetgedrukte bedragen. Dat is in dit voorbeeld dus € 200.000.
De inkortingsregeling van art. 10bis.11 lid 1 Wet IB 2001 werkt in dit voorbeeld niet, omdat de belastingplichtige groter (= duurder) gaat wonen. Gaat de belastingplichtige kleiner (= goedkoper) wonen, dan heeft de inkortingsregeling wél gevolgen voor het bedrag van de maximale bestaande eigenwoningschuld.
Belangrijk: de inkortingsregeling tornt niet aan het maximum bedrag van de eigenwoningschuld, wel mogelijk aan het maximum bedrag van de bestaande eigenwoningschuld, dus het bedrag dat onder het overgangsrecht van art. 10bis.1 Wet IB 2001 valt.
Belang voor de praktijk
Toen in 2001 de regeling van de KEW werd geïntroduceerd, werd bepaald dat de benutte uitkeringsvrijstelling KEW in mindering komt op de maximale eigenwoningschuld. Dus wie na gebruikmaking van de uitkeringsvrijstelling KEW een nieuwe woning koopt, mag niet meer in box 1 lenen dan het bedrag van de verwervingskosten van de nieuwe woning minus het bedrag van de vrijgestelde kapitaalsuitkering.
Achtergrond: het was niet de bedoeling dat er na een belastingvrije uitkering uit een KEW een nieuwe woning weer maximaal gefinancierd kon worden in box 1. Houd hierbij in het achterhoofd dat de bijleenregeling indertijd nog niet bestond. Dus tot het bedrag waarvoor je een belastingvrije uitkering had genoten, werd je geacht dit geld – dat bij verkoop van de oude woning vrijkwam – weer te investeren in de nieuwe woning. Dat is helemaal geen vreemde gedachte.
In 2013 is deze imputatieregeling vervangen door een andere, en eerlijk gezegd nogal onbegrijpelijke, imputatieregeling. Dat wil zeggen, inhoudelijk is de regeling naar onze mening zo klaar als een klontje – zie het voorbeeld – maar wat de wetgever hier nu bij de introductie van deze gewijzigde imputatieregeling voor ogen heeft gestaan is veel minder duidelijk. Voor de advies- en uitvoeringspraktijk hoeven we daar het hoofd niet over te breken. Relevant is slechts de werking van de regeling, niet de innerlijke waarde of
billijkheid van de regeling. Zou hier ooit over geprocedeerd worden dan gaat een rechter daarover ook nooit een uitspraak doen (art. 11 Wet algemene bepalingen). Kortom, zo lang de wetgever de regeling niet aanpast hebben we het ermee te doen.
Maar dan toch de vraag: waarom bestaat de inkortingsregeling in deze vorm nu eigenlijk?
De oorspronkelijke regeling was duidelijk: voorkom dat mensen die een belastingvrije uitkering uit een KEW/SEW/BEW hebben genoten bij verhuizing naar een nieuwe woning weer maximaal gaan financieren. De introductie van de bijleenregeling in 2004 heeft echter de oude inkortingsregeling nagenoeg geheel overbodig gemaakt. Echter, de huidige inkortingsregeling beperkt het bedrag van de (maximale) eigenwoningschuld helemaal niet, maar alleen het bedrag waarvoor het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden kan gelden. In het streven naar vereenvoudiging van de eigenwoningregeling zou afschaffing van deze inkortingsregeling een klein stapje in die richting zijn. We kunnen ook prima zonder, want de bijleenregeling vangt dit prima op. Wij zien het er echter nog niet van komen, al is het maar omdat het lijkt dat een groot deel van de Tweede Kamer de complexiteit van de eigenwoningregeling niet ziet of niet wil zien. Zie voor een sprekend voorbeeld de volgende aangenomen motie (Kamerstukken II 2025/26, 36800, nr. 10). Als wetgeving toch eens net zo kort zou kunnen zijn…
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting