Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde onlangs dat een vrouw geen eigen woning onder de 
uitzendregeling in Nederland heeft omdat haar verblijf in Zweden niet tijdelijk is. Daarom valt de woning in box 3. Maar is de uitzendregeling alleen bedoeld voor uitzendsituaties?

In deze zaak (10 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8780) woont een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit van 12 november 2019 tot 30 juni 2022 in Nederland. Zij heeft vanaf 15 juni 2020 een eigen woning in Nederland. Twee jaar later, op 30 juni 2022, verhuist zij voor werk naar Zweden. Daar huurt zij een woning. Ze verhuurt de woning in Nederland in 2023 niet aan derden. Ook bezit de vrouw geen andere eigen woning.

Voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant is voor het belastingjaar 2023 in geschil of haar woning in Nederland kwalificeert als eigen woning onder de uitzendregeling (art. 3.111 lid 6 Wet IB 2001). Volgens de rechtbank vindt de uitzendregeling geen toepassing. Daarvoor is namelijk vereist dat de woning in Nederland haar tijdelijk niet als hoofdverblijf dient. Er is volgens de rechtbank echter sprake van een blijvend verblijf in het buitenland, omdat zij (1) een arbeidscontract voor onbepaalde tijd en (2) een langdurig huurcontract heeft gesloten. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar verblijf in Zweden tijdelijk is. De woning valt niet onder de uitzendregeling maar in box 3.

Belang voor de praktijk

Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een nogal onbegrijpelijke zinsnede uit art. 3.111 lid 6 Wet IB 2001, namelijk de passage dat de woning “tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat”. Wat heeft de wetgever hier nu eigenlijk mee willen zeggen?

Volgens de rechtbank heeft de wetgever hiermee beoogd de eigenwoningregeling van toepassing te laten zijn in situaties waarin een woning wordt aangehouden in verband met een tijdelijke uitzending naar het buitenland. Met het eerste woord ‘tijdelijk’ is beoogd de toepassing van de eigenwoningregeling op een in Nederland aangehouden woning uit te sluiten als het verblijf van de belastingplichtige in het buitenland een permanent karakter heeft (r.o. 5.1).

Wij zijn het met de rechtbank eens dat een permanent verblijf elders inderdaad in de weg staat aan de toepassing van de uitzendregeling. Maar toepassing van de uitzendregeling speelt niet uitsluitend in situaties waarbij de belastingplichtige tijdelijk in het buitenland verblijft. Ook bij een tijdelijk verblijf elders binnen de landsgrenzen kan de uitzendregeling toepassing vinden.

Ook koppelt de rechtbank de toepassing van de uitzendregeling aan een tijdelijke uitzending. Uitzending is echter helemaal geen eis voor toepassing van de uitzendregeling. Uitzending wordt zelfs niet eens genoemd in dit zesde lid, laat staan dat dit een aan de toepassing van deze regeling gestelde eis is. De naam ‘uitzendregeling’ is dan ook wat verwarrend, maar dat is de naam die wij hier zelf in de praktijk aan hebben gegeven, omdat tijdelijke uitzending doorgaans is waar we het in de praktijk over hebben. Maar in de wet is deze term niet terug te vinden. Ook bij een tijdelijke retraite (‘sabbatsverlof’), dus zonder uitzending, zou de regeling van art. 3.111 lid 6 Wet IB 2001 moeten kunnen worden toegepast.

Het voorgaande laat overigens onverlet dat wij ons kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank (maar wat minder in de motivering). Het is aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zij de woning tijdelijk niet als hoofdverblijf gebruikt. Daar is zij niet in geslaagd. Sterker nog, de gesloten huur- en arbeidsovereenkomst wijzen er veeleer op dat sprake is van een min of meer permanent verblijf in Zweden. Zie in dit kader ook het standpunt van de Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst van 11 juli 2023, KG:051:2023:7.

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

15

Gerelateerde artikelen