In het Oud- en Nieuwnummer van Vakstudie Nieuws, V-N 2026/1, geven de redactieleden van Vakstudie Nieuws in het ‘woord vooraf’ hun blik op de fiscaliteit, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise of achtergrond. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van Vakstudie Nieuws publiceert TaxLive de komende dagen dagelijks een bijdrage van een redactielid uit het Oud- en Nieuwnummer. Vandaag is dat de bijdrage van Hein Vermeulen: ‘Nordcurrent, de Belgische persoonlijke houdsterarresten en Neo Group avant la lettre’.
Het Nordcurrent-arrest (HvJ EU 3 april 2025, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239 (Nordcurrent), V-N 2025/18.11) is een van de opvallendste arresten van het afgelopen jaar. Daarin oordeelde het Hof van Justitie EU dat een lidstaat als (woon)staat van de moedervennootschap de deelnemingsvrijstelling met een beroep op de algemene antimisbruikregel kan weigeren indien sprake is van misbruik. Ook de vrijstelling van de door een dochtervennootschap in de bronstaat uitgekeerde winsten is een voordeel van de Moeder-dochterrichtlijn. In geval van misbruik moet een dergelijk voordeel worden geweigerd. Uit de Deense zaken (HvJ EU 26 februari 2019, C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (T&Y Danmark), V-N 2019/14.11) mag niet worden afgeleid dat slechts doorstroomvennootschappen misbruik vormen. Er zijn ook andere vormen van misbruik die moeten kunnen worden bestreden. Op zich klinkt dat niet bijzonder, maar wel opmerkelijk is dat de Europese Commissie in 2014 heeft verklaard dat de invoering van de algemene antimisbruikregel in de Moeder-dochterrichtlijn niet bedoeld is om nationale deelnemingsvrijstellingsregimes te raken:
“De Commissie verklaart dat de voorgestelde wijzigingen van artikel 1, lid 2, van de MDR niet bedoeld zijn om in te grijpen in nationale stelsels inzake deelnemingsvrijstelling in zoverre deze sporen met de Verdragsbepalingen.”
Dit citaat is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 (MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34306, nr. 3, p. 4, waar verwezen wordt naar 16435/14 FISC 221 ECOFIN 1157, bijlage III).
Het Nordcurrent-arrest leert ook dat voor de vaststelling of sprake is van misbruik, alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Er is een holistische blik vereist, die zich niet mag beperken tot het tijdstip van uitkering. Alle stappen van de constructie moeten worden beoordeeld, zodat een totaalbeeld kan worden gevormd. Vereist is immers dat een objectieve analyse wordt gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden. Minstens zo belangwekkend is de overweging dat een constructie na verloop van tijd van kleur kan verschieten. Een aanvankelijk om geldige zakelijke redenen opgezette dochtervennootschap kan die kwalificatie later verliezen.
Uit de Belgische persoonlijke houdster-arresten (HR 18 juli 2025, 22/02695, ECLI:NL:HR:2025:1163, V-N 2025/34.7 en HR 18 juli 2025, 22/02691, ECLI:NL:HR:2025:1162, V-N 2025/34.8) over de Nederlandse inhoudingsvrijstelling, een ander voordeel uit de Moeder-dochterrichtlijn, volgt dat het Nordcurrent-arrest niet aan dovemansoren is gericht. In elk geval zijn twee elementen uit het Nordcurrent-arrest duidelijk terug te vinden in deze belangwekkende arresten van de Hoge Raad van het afgelopen jaar. Zo oordeelde de Hoge Raad in de ene zaak dat de aanvankelijk geldige zakelijke constructie van kleur was verschoten (HR 18 juli 2025, 22/02691, ECLI:NL:HR:2025:1162, V-N 2025/34.8). Weliswaar hield de Belgische houdstervennootschap een actieve deelneming, maar die deelneming was (te) lang geleden (2011) verkocht. Daarom was de constructie ten tijde van de dividenduitkering in 2018 niet langer een geldige zakelijke constructie. In de andere zaak past de Hoge Raad de regel toe dat alle stappen van de constructie moeten worden beoordeeld, zodat een totaalbeeld kan worden gevormd. Stappen die kunstmatig zijn toegevoegd, moeten worden genegeerd (HR 18 juli 2025, 22/02695, ECLI:NL:HR:2025:1163, V-N 2025/34.7). Op deze wijze komt de Hoge Raad tot het oordeel dat sprake is van misbruik, hoewel de Belgische houdstervennootschap op zichzelf beschouwd wel een geldige zakelijke functie heeft, zelfs ten tijde van het ontvangen van het Nederlandse dividend. Die geldige zakelijke functie volgt uit het feit dat de Belgische houdstervennootschap actieve binnenlandse en buitenlandse deelnemingen houdt en ten aanzien van die deelnemingen een reële functie uitoefent. Dat kan volgens de Hoge Raad echter niet worden gezegd ten aanzien van het Nederlandse beleggingsbelang. Deze stap is kunstmatig aan de structuur toegevoegd. De inhoudingsvrijstelling is daarom niet van toepassing. Er is sprake van misbruik van de Moeder-dochterrichtlijn. Uit deze zaak volgt dat zelfs met een niet-kunstmatige houdstervennootschap misbruik kan worden gepleegd.
Precies dit aspect speelt een rol bij een zaak die thans bij het Hof van Justitie EU aanhangig is. Dit betreft de zaak-Neo Group (C-203/25). Deze zaak is net als Nordcurrent aangebracht door de Litouwse rechter. In de zaak stelt de Litouwse belastingdienst dat misbruik wordt gepleegd door c.q. met een Cypriotische houdstervennootschap en dat de Litouwse inhoudingsvrijstelling op een winstuitdeling van Litouwen aan deze Cypriotische houdstervennootschap moet worden geweigerd. Bijzonder is dat deze Cypriotische houdstervennootschap geen kunstmatige constructie is en ook als uiteindelijk gerechtigde tot de winstuitdeling (onder het belastingverdrag Litouwen-Cyprus) wordt gezien. Dit volgt uit de (eerste) prejudiciële vraag:
“Is het in omstandigheden als die van het hoofdgeding verenigbaar met de doelstellingen van de antimisbruikregel van richtlijn 2011/96/EU dat een nationale praktijk in de staat van de dividendbetaler de mogelijkheid van vrijstelling van bronbelasting op dividenden uitsluit, wanneer de dividenden worden uitgekeerd aan een daadwerkelijk in een andere lidstaat van de Unie actieve moedermaatschappij, die als zodanig geen kunstmatige entiteit is in zoverre zij zakelijke activiteiten uitoefent, en de dividenden aan haar worden uitgekeerd als uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, maar die moedermaatschappij door de belastingautoriteiten wordt aangeduid als deelnemer in een keten van kunstmatige transacties wegens de uitkering/overdracht van de dividenden via haar aan de uiteindelijk gerechtigde van de gehele groep van ondernemingen?”
Daarom is er een gelijkenis met de Belgische persoonlijke houdster-arresten. De tijd zal leren of deze arresten kunnen worden beschouwd als Neo Group avant la lettre.
Bron: Redactie Vakstudie Nieuws
Informatiesoort: Nieuws