Het verschil tussen de voorlopige aanslagen voor de inkomstenbelasting en de definitieve aanslagen zijn vrij groot. Zo betaalden burgers in 2022 €3,9 miljard teveel aan belastingen maar ontvingen zij ook € 2,4 miljard terug. Dat schrijft het Financieele Dagblad naar aanleiding van een rapport van de Auditdienst Rijk.
In het rapport van de interne toezichthouder op de rijksoverheid is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van handmatig vastgestelde voorlopige aanslagen. Het onderzoek maakt duidelijk dat grote verschillen ontstaan doordat de voorlopige en definitieve aanslagen inkomstenbelasting bij de Belastingdienst gescheiden trajecten zijn.
Zo is de afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH) verantwoordelijk voor de voorlopige aanslagen, terwijl de directies Particulieren en Midden- en Kleinbedrijf over de definitieve aanslagen gaat. Het gevolg is dat beide organisaties niet volledig op de hoogte zijn van elkaars gegevens. Zo weten beide afdelingen niet of de door hen gekozen manieren van controle op risico’s ook daadwerkelijk bijdragen aan kleinere verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslagen.
De Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH) laat in een reactie op het onderzoeksrapport weten dat het minimaliseren van de verschillen tussen beide aanslagen voor haar management geen doelstelling is binnen de afdeling. Het management van de CAP IH erkent overigens wel dat er te weinig oog is geweest voor de doeltreffendheid van controles. In het rapport staat dan ook vermeld dat maar de helft van vermoedelijk fout-ingevulde aanslagen handmatig is gecontroleerd. Volgens het CAP IH komt dit onder meer door een gebrek aan personeel.
Een ander probleem wat door de Auditdienst werd geconstateerd, zo schrijft de krant, is dat de CAP IH te weinig vaktechnische slagkracht heeft voor het aantal aanslagen.
Bron: FD
Informatiesoort: Nieuws