Wetteksten schrijven is een vak apart. Een wetsvoorstel dat in korte tijd opgesteld moet worden, kan dan ook omissies en/of onduidelijkheden bevatten. Naar mijn mening bevat het recent door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onduidelijkheid. Omdat dit voorstel nu toch ‘terug naar de tekentafel’ is gestuurd, is dat een goed moment om deze onduidelijkheid de wereld uit te helpen. Wat is er aan de hand?
In het nieuwe box 3-systeem worden zowel de jaarlijkse inkomsten (de reguliere voordelen) alsook de vermogensmutaties belast. Kosten zijn in principe aftrekbaar. Voor de zogenoemde illiquide beleggingen worden de vermogensmutaties belast bij realisatie (ergo: de vermogenswinstbelasting-methode).
Onroerende zaken in box 3 zijn dergelijke illiquide beleggingen. Als een onroerende zaak in box 3 niet of nauwelijks inkomsten genereert, is in plaats van de reguliere voordelen de zogenoemde vastgoedbijtelling van toepassing. De vastgoedbijtelling wordt gesteld op 3,35 procent van de waarde van de onroerende zaak in kwestie. Dit is dus een forfaitair bepaald ‘alsof’-inkomen. Het is door de wetgever uitdrukkelijk bedoeld als een bruto-forfait.
Het wetsartikel over aftrekbare kosten (artikel 5.38) lijkt echter kostenaftrek alleen toe te staan als er sprake is van ‘reguliere voordelen’ en dus niet als de vastgoedbijtelling van toepassing is. De wettekst zegt immers (artikel 5.38, lid 1):
“Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen komen slechts kosten in aftrek die uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de reguliere voordelen, bedoeld in de artikelen 5.6, 5.15 en 5.16.”
Deze wettekst koppelt de kostenaftrek dus nadrukkelijk aan het van toepassing zijn van (de) reguliere voordelen. Bij onroerende zaken kan het echter zo zijn dat in plaats van de reguliere voordelen – het hogere bedrag van – de zogenoemde vastgoedbijtelling toegepast moet worden, zie artikel 5.15, lid 1 van het wetsvoorstel. Dat zou betekenen dat in situaties waarin de vastgoedbijtelling geldt, bij letterlijke lezing van deze wettekst van het voorgestelde artikel 5.38, er geen kostenaftrek is?
Bijgevolg zou de vastgoedbijtelling dan een ‘bruto’-regeling impliceren. Dat kan echter niet zo bedoeld zijn, tenzij deze wettekst zo gelezen moet worden dat ook als de vastgoedbijtelling geldt, de kostenaftrek wèl c.q. ook van toepassing is, edoch uitsluitend die kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de reguliere voordelen. Laatstgenoemde uitleg lijkt mij echter nogal gezocht. Hoe de bepaling gelezen moet worden, is in ieder geval onduidelijk.
Uit de Memorie van Toelichting komt evenwel duidelijk het beeld naar voren dat de regeling inzake aftrekbare kosten ook geldt als de vastgoedbijtelling van toepassing is. Zie bijvoorbeeld Kamerstuk 36 748, nr. 3, p. 22 (de infographic op die pagina) alsook p. 67 waar staat:
“Voor alle onroerende zaken zijn de kosten aftrekbaar, ook als de vastgoedbijtelling van toepassing is”.
De wetgever dient de onduidelijkheid op te lossen, bijvoorbeeld door uitdrukkelijk te bevestigen dat in de situatie dat de vastgoedbijtelling van toepassing is, ook de kostenaftrek van artikel 5.38 van toepassing is.
Het zou goed zijn als de wetgever de wettekst op dit punt verduidelijkt. Daartoe zou de tekst van artikel 5.38, lid 1 gewijzigd kunnen worden als volgt:
“Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen komen slechts kosten in aftrek die uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van de reguliere voordelen, bedoeld in de artikelen 5.6, 5.15 en 5.16. Deze aftrek van kosten geldt op gelijke wijze indien het bedrag van de vastgoedbijtelling (artikel 5.19) hoger is dan de reguliere voordelen.”
Omdat wetteksten schrijven een vak apart is, is bovenstaande suggestie niet meer dan een aanzet om te komen tot de gewenste verduidelijking. Ik hoop dat tussen alle hectiek die sinds 12 februari jl. is ontstaan, er ook ruimte is om aandacht te besteden aan dit soort zaken.