Onder druk van buitenaf kan 2026 een bijzonder jaar worden voor de Hoge Raad. Ik doel daarbij op twee ontwikkelingen in Europees verband (Unierecht en EVRM).

In de eerste plaats doel ik op de kwestie over het verkort motiveren (toepassing art. 80a of art. 81 lid 1 Wet RO) in combinatie met het afzien van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU – dat wil zeggen het Hof van Justitie en het Gerecht tezamen – door de Hoge Raad na een daartoe gedaan verzoek. In dit blad is al meerdere malen aandacht besteed aan deze kwestie. Zie recentelijk EHRM 16 december 2025, 34701/21 (Gondert tegen Duitsland), V-N 2026/7.12. Het Hof van Justitie zal zich hier op 24 maart 2026 over uitlaten in de zaak-Remling (waarschijnlijk één dag voor het verschijnen van deze column). A-G HvJ Ćapeta had in de zomer van 2025 al conclusie genomen (zie V-N 2025/36.11), dus het Hof van Justitie heeft lang over de zaak gedaan. Uit eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie en ook van het EHRM weten we al dat er een verplichting bestaat om te motiveren bij een afwijzing van een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU (zie V-N 2026/7.12). De Hoge Raad lijkt daar al een voorschot op te nemen. Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:401, V-N 2026/14.4. In de zaak-Remling is de vraag vooral hoever de motiveringsplicht strekt. Moet de Hoge Raad straks niet alleen aangeven welke grond zich voordoet om niet te verwijzen (niet relevant, acte clair of acte éclairé), maar ook waarom dat zo is? Zo ja, moet ook op – oneerbiedig gezegd – kulverzoeken (uitgebreid) gerespondeerd worden (vgl. P.J. Wattel in BNB 2025/21)? Als beide vragen bevestigend beantwoord moeten worden, dan lijkt mij dat de tijdswinst die tot dusver is behaald met verkort motiveren, deels weer tenietgedaan zal worden.

De tweede ontwikkeling is de reservistenkwestie die aanhangig is bij het EHRM (zie NJB 2020/1440). Reservisten zijn raadsheren die niet beslissen in een zaak maar wel ‘op de tweede rij’ mee mogen doen aan de beraadslaging in die zaak, in het belang van de rechtseenheid. Op 21 januari 2026 heeft de Grote Kamer van het EHRM in de zaak-Kuijt tegen Nederland (19365/19) een hoorzitting gehouden. De Nederlandse regering (bijgestaan door de president en een raadsheer van de Hoge Raad) werd daarin bevraagd over de reservistenpraktijk bij de Hoge Raad. De mogelijke uitkomst in deze zaak kan nog grotere gevolgen hebben voor de Hoge Raad dan de kwestie over het verkort motiveren en het afzien van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU. Als het EHRM oordeelt dat de reservistenpraktijk niet door de beugel kan, dan komt de interne rechtseenheid van de Hoge Raad in het geding. Dat kan de arresten van de Hoge Raad mijns inziens onvoorspelbaarder maken. En dat leidt weer tot rechtsonzekerheid.

Onder druk wordt alles vloeibaar, zo luidt een bekend gezegde. Ik ben benieuwd hoe genoemde ontwikkelingen hun weerslag krijgen in de rechtspraak en de werkwijze van de Hoge Raad.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht

38

Gerelateerde artikelen