Als voormalig Minister voor Klimaat en Energie heeft Jetten al diepe sporen in de milieubelastingen achtergelaten. Nu de tijd dringt om de klimaatdoelstellingen – waaronder de CO2-reductiedoelen voor 2030 en 2050 – te realiseren, rijst de vraag of Jetten in zijn rol als minister-president opnieuw gebruik zal maken van de milieubelastingen uit zijn ‘toolbox’.

De politicus, die door de een als ‘klimaatdrammer’ wordt bestempeld en door de ander juist als ‘klimaatdoener’, legde tijdens zijn ministerschap toch relatief sterk de nadruk op bestraffend beleid (‘de stok’) binnen de energiehoek. Zo had Jetten in 2022 onder meer beprijzingswensen voor een hogere CO2-heffing industrie en verhoging van de vliegbelasting. Ook was Jetten in 2022 de voortrekker van de Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking. Kort daarna werd Europa, mede door de Russische inval in Oekraïne, geconfronteerd met een energiecrisis, die leidde tot uitzonderlijk hoge energieprijzen. In reactie daarop werd – mede door hem – de inframarginale elektriciteitsheffing ingevoerd. Zal kabinet-Jetten een andere beleidsstrategie hanteren, waarbij meer nadruk komt te liggen op stimulerende maatregelen (‘de wortel’) én de klimaathoek? De eerste dagen van het kabinet worden, gezien de wereldwijde geopolitieke spanningen en conflicten, gekenmerkt door een luide schreeuw om energie-onafhankelijkheid en meer stabiliteit in energie- en brandstofprijzen. In het Coalitieakkoord wordt hierop ingespeeld door onder meer de CO2-heffing af te schaffen. Zo wordt aan bedrijven meer financiële ruimte geboden om te investeren in verduurzaming. Naast de acute energie-uitdagingen speelt ook een sluimerende crisis in de klimaathoek: de kwaliteit én beschikbaarheid van drinkwater. De Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt dat alle lidstaten uiterlijk in 2027 moeten voldoen aan de doelstellingen voor een goede kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater. Nederland presteert op dit punt al jarenlang ondermaats.

Wellicht grijpt kabinet-Jetten het fiscale vergroeningsmomentum aan om deze KRW-doelstellingen te halen, onder meer via fiscale stimulansen voor waterbesparing, waterhergebruik en innovatieve zuiveringstechnieken. In dit verband dan ook de oproep aan de Coalitie of zij – met haar beoogde samenvoeging van de EIA, MIA en VAMIL – nadrukkelijk rekening wil houden met watergerelateerde investeringen. Daarnaast de oproep om de wisselwerking tussen belastingen en de prijs van water in het oog te houden. Water is relatief goedkoop (zeg gerust spotgoedkoop), dus wellicht dat kabinet-Jetten de tariefstructuur van de Belasting op leidingwater (BOL) opnieuw tegen het licht zal houden. Na jarenlang gesteggel is de BOL-wetgeving onlangs veranderd. Tot 2025 werd de BOL geheven over de levering van maximaal 300 m3 leidingwater per twaalf maanden via een aansluiting aan een verbruiker. Vanaf 2026 is dit heffingsplafond verhoogd naar 50.000 m3 en vanaf 2027 zal het plafond geheel verdwijnen, waardoor elke geleverde kubieke meter wordt belast. Tegelijkertijd vindt dan een grondslagversmalling plaats, waarbij de BOL uitsluitend van toepassing wordt op water van drinkwaterkwaliteit. Deze doorbraak in de BOL-wetgeving is wellicht de opening voor verdere fiscale vergroening.

Er ligt voor het kabinet-Jetten in ieder geval een duidelijke opgave om het bestaande momentum van naderende deadlines, recente hervormingen en tal van klimaat- en energiecrises te benutten om zo de rol van milieubelastingen aan te scherpen en te versterken.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Milieuheffingen

25

Gerelateerde artikelen