Het mooie van laveren tussen wetenschap en praktijk is dat het perspectief veelal verschillend is. De daardoor verkregen inzichten schuren soms, maar kunnen ook glans geven.
Het meest recente voorbeeld vind ik de pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s: een ‘strafheffing’ voor werkgevers van 12% over de cataloguswaarde van ter beschikking gestelde fossiele personenauto’s. De definitie en afbakening zijn zodanig, dat slechts op twee onderdelen overeenkomsten bestaan met de al lang bestaande regels voor ter beschikking gestelde auto’s in de loon- en inkomstenbelasting. Op maar liefst zeven onderdelen wijkt de nieuwe pseudo-eindheffing af. Regeldruk ten top dus.
De regeling moet leiden tot een snellere elektrificatie van het personenautowagenpark vanaf 2027, maar bereikt slechts iets meer dan 6% van het fossiele personenautowagenpark. Ongeveer 8% van dat fossiele personenautowagenpark wordt niet ‘geraakt’, omdat daar sprake is van uitsluitend zakelijk gebruik (waarvoor de heffing niet geldt). De overige 86% van de fossiele personenauto’s wordt niet door werkgevers ter beschikking gesteld en wordt dus ook niet geraakt. Is het dan schieten met een kanon op een mug? Nou ja, het is maar vanuit welk perspectief je redeneert.
Toen ik deze regeling tijdens een cursus uitlegde, verzuchtte één van de cursisten dat deze regeling echt niets ging opbrengen. Een terechte opmerking, omdat werkgevers waarschijnlijk de bakens zullen gaan verzetten: de werknemer kan óf een elektrische auto ter beschikking gesteld krijgen, óf een vervoersbudget voor zijn privéauto ontvangen. Maar dan voorzie ik dat over enkele jaren ook de privé-automobilist aan de beurt is. Voorlopig resultaat: politieke missie geslaagd, een verhoogde administratieve lastendruk, hogere uitvoeringslasten en – voor de liefhebbers van systematische wetgeving – een gedrocht erbij.
Ik wil een vergelijking maken met de invoering en effecten van de pseudo-eindheffing bij regelingen voor vervroegde uittreding. Ook een politieke wens, waarvoor de loonbelasting vanaf 2005 met een nieuwe werkgeversheffing werd uitgebreid, boven op de heffing over de VUT-uitkering aan de werknemer. De regeldruk nam toe omdat duidelijk moest worden wanneer al dan niet sprake was van zo’n regeling voor vervroegde uittreding. Bij ontslag of reorganisatie dreigde fiscaal gevaar. De vakliteratuur stond vol met forse kritiek: ‘het systeem was geweld aangedaan’1 en ‘de RVU-heffing moest worden afgeschaft’.2 Na vele jaren van vooroverleg, beleidsbesluiten en jurisprudentie is het wel duidelijk waar de grens ligt. Belangrijker is het effect van de regeling. Die heeft er tussen 2005 en 2024 mede voor gezorgd dat de feitelijke pensioenleeftijd is opgeschoven van 61 naar 66 jaar3 en dat is precies wat de politieke bedoeling was. Daarbij moet ik wel de kanttekening maken dat vanaf 2013 de AOW-leeftijd is verhoogd en dat ook dat heeft bijgedragen aan een oplopende feitelijke pensioenleeftijd.
Kortom, politieke wensen zijn soms ook te behalen met a-systematische wetgeving. Dat leidt vaak wel tot oplopende regeldruk. Laat de politiek daar ook helder over zijn.
---------------
1 Th.J.M. van Schendel, ‘De Wet LB is domweg de oude niet meer.’ ‘Zijn systeem is geweld aangedaan.’, WFR 2015/1098.
2 J.C.A. van Ruiten, ‘De RVU-heffing moet worden afgeschaft!’, V-N 2015/12.0.
3 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/16/gemiddelde-pensioenleeftijd-voor-het-eerst-boven-de-66-jaar.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Loonbelasting, Inkomstenbelasting