Het is inmiddels ruim twintig jaar geleden dat de vermogensgrens voor toepassing van het structuurregime is vastgesteld. Deze grens ligt sinds 2004 op € 16 mln. Het is de hoogste tijd voor een verhoging.
Een structuurvennootschap moet verplicht toezicht inrichten in de vorm van een Raad van Commissarissen of bestuur met niet-uitvoerende bestuurders. Deze invoering van verplicht toezicht kan zeer ingrijpend zijn, naar mijn mening vooral bij familiebedrijven. Daar is namelijk vaak een duidelijke visie op het beleid en de koers van het bedrijf, waarbij toezicht op het bestuur en de onderneming vanuit de familie geschiedt. Verplicht toezicht kan deze dynamiek verstoren.
Toegegeven, het structuurregime is alleen bedoeld voor grote vennootschappen. Naarmate een vennootschap groeit, wordt de maatschappelijke betekenis van de vennootschap vaak groter, en dat is voor familiebedrijven niet anders. De maatschappelijke betekenis was voor de wetgever in 1971 een belangrijke reden om het structuurregime in te voeren. Bij de laatste omvangrijke aanpassing van de regeling in 2004 was het een reden om het structuurregime te handhaven.
De vraag is dan wel wanneer sprake zou moeten zijn van een grote vennootschap. Wettelijk is een vennootschap op dit moment groot voor het structuurregime, als aan drie cumulatieve vereisten is voldaan. Zo moet er volgens wettelijke verplichting een Ondernemingsraad zijn ingesteld en zijn er in de regel ten minste honderd werknemers in Nederland werkzaam. Ten slotte bedraagt het geplaatste kapitaal plus reserves ten minste € 16 mln.
Zeker bij dit laatste vereiste is de vraag gerechtvaardigd of hiermee anno 2026 nog sprake zou moeten zijn van een grote vennootschap. De vaststelling van deze vermogensgrens dateert alweer uit 2004. Hoewel de wetgever hiertoe bij koninklijk besluit de mogelijkheid heeft, is de vermogensgrens nadien niet meer gewijzigd. Rekening houdend met inflatie, zeker ook in de laatste jaren, mag duidelijk zijn dat de waarde van € 16 mln. in 2026 niet meer overeenkomt met die in 2004.
Dat de wetgever over dit laatste hetzelfde denkt, is op te maken uit de groottecriteria voor de jaarrekeningregimes. Deze bestaan ook vanuit een idee van maatschappelijke betekenis. Grotere vennootschappen worden geacht meer stakeholders en dus meer maatschappelijke betekenis te hebben. Dat rechtvaardigt bijvoorbeeld de plicht om meer informatie openbaar te maken en de verplichte accountantscontrole.
Ook bij de groottecriteria voor jaarrekeningregimes heeft de wetgever de mogelijkheid om de grensbedragen aan te passen. Daarvan is sinds 2004 meerdere keren gebruikgemaakt. Zo was het criterium ‘waarde van de activa’ voor een middelgrote vennootschap in 2004 nog € 14,6 mln. Inmiddels is dit bedrag in enkele stappen verhoogd tot € 25 mln. De laatste wijziging (2024) betekende zelfs een verhoging met 25%.
Waarom de wetgever dan niet de vermogensgrens voor toepassing van het structuurregime bij grote vennootschappen verhoogt is mij onduidelijk. Dat het tijd is voor een verhoging staat naar mijn mening buiten kijf.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Vennootschapsbelasting