Twee echtgenoten vormen samen de maatschap X. X verhuurt het dak van de echtelijke woning aan de echtgenote voor de exploitatie van de door haar geplaatste – niet-geïntegreerde – zonnepanelen. Hierbij is geopteerd voor BTW-belaste verhuur. X trekt daarom in 2019 en 2020 voorbelasting af met betrekking tot de bouw van het dak. Volgens Hof Amsterdam is weliswaar sprake van een economische activiteit, maar ontbreekt een rechtstreeks verband tussen de bouw van het dak en de exploitatie ervan. X gaat in cassatie.
Advocaat-Generaal Ettema is van mening dat er wel een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning en de belastbare handelingen. Het is namelijk niet in geschil dat bij de aankoop, de (op)levering en de ingebruikneming al vaststond dat deze deels met BTW zou worden verhuurd. De onderhavige nieuwbouwwoning is een investeringsgoed, zodat voor de aftrek van voorbelasting geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de aanschaf van de woning en het dak. X heeft dus recht op aftrek naar het werkelijke gebruik. Of de echtgenote het dak feitelijk als woonruimte gebruikt en voor 90% of meer voor aftrekgerechtigde doeleinden moet worden onderzocht. De conclusie strekt ook tot gegrondverklaring van het incidentele beroep van de Staatssecretaris. Na verwijzing moet alsnog worden onderzocht of er gezien de lage opbrengsten in verhouding tot de gemaakte kosten wel een duurzaam opbrengst wordt verkregen.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 3 februari
Informatiesoort: VN Vandaag