X en zijn broer (zie 25/01557) zijn bestuurders van A BV, die een uitzendbureau exploiteert. De BV beëindigt haar activiteiten, draagt haar activiteiten over aan twee ander BV's zonder goodwill te bedingen en gaat daarna failliet. In geschil is of X terecht aansprakelijk is gesteld voor LB-naheffingsaanslagen en de vergrijpboete van A BV. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch was sprake van onbehoorlijk bestuur en is X dus terecht aansprakelijk gesteld. De Hoge Raad (10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:182, V-N 2023/9.22) oordeelt dat dit onvoldoende is gemotiveerd. De zaak wordt verwezen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt vervolgens dat X terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld. Op grond van een strafvonnis staat namelijk onherroepelijk vast dat het niet betalen van de schuld het gevolg is van aan X te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voor de boeten is X ten onrechte aansprakelijk gesteld. De ontvanger toont namelijk niet overtuigend aan dat het aan X te wijten is dat de boeten zijn opgelegd. X stelt in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de aansprakelijkstelling in strijd is met het EU-evenredigheidsbeginsel.
A-G Koopman is van mening dat het middel op zich terecht wordt voorgesteld, maar dat het HvJ EU (14 november 2024, ECLI:EU:C:2024:961, V-N 2024/51.19) de stelling van X ruim voor de zitting van het verwijzingshof al in negatieve zin had beantwoord. X hoeft daarom geen vergoeding van griffierecht en proceskosten te krijgen. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van X en het incidentele beroep van de Staatssecretaris. Voor dit laatste is redengevend dat niet overtuigend is aangetoond waarom X ten minste grove schuld zou kunnen worden verweten.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67F
Invorderingswet 1990 artikel 36
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 januari
Informatiesoort: VN Vandaag