A-G Koopman is ambtshalve van mening dat de tijdvakkenkwestie ook de begrijpelijkheid raakt van de motivering die het hof heeft gegeven voor zijn oordeel dat bewezen is dat X het beboete vergrijp heeft gepleegd.

X en zijn broer (zie 25/01559) zijn bestuurders van A BV, die een uitzendbureau exploiteert. De BV beëindigt haar activiteiten, draagt haar activiteiten over aan twee ander BV's zonder goodwill te bedingen en gaat daarna failliet. In geschil is of X terecht aansprakelijk is gesteld voor de LB-naheffingsaanslagen en de vergrijpboete van A BV. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch was sprake van onbehoorlijk bestuur en is X dus terecht aansprakelijk gesteld. De Hoge Raad (10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:185) oordeelt dat dit onvoldoende is gemotiveerd. Zo is niet onderzocht of de (rechts)personen aan wie A BV betalingen heeft verricht, wel of niet zijn aan te merken als aan de BV gelieerde schuldeisers en, als dat niet het geval is, of X daarbij een persoonlijk belang heeft. De zaak wordt verwezen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt vervolgens dat X terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld. Op grond van een strafvonnis staat namelijk onherroepelijk vast dat het niet betalen van de schuld het gevolg is van aan X te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ambtshalve wordt geoordeeld dat de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete moet worden vernietigd wegens schending van het una via-beginsel (verbod dubbele vervolging). X stelt in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de aansprakelijkstelling in strijd is met het EU-evenredigheidsbeginsel. De Staatssecretaris stelt in zijn incidentele cassateberoep dat het una via-beginsel niet is geschonden, omdat X in de strafzaak is veroordeeld voor het doen van onjuiste LB-aangiften over 2011 en 2012, terwijl de boete op 2013 ziet.

A-G Koopman is ambtshalve van mening dat de tijdvakkenkwestie ook de begrijpelijkheid raakt van de motivering die het hof heeft gegeven voor zijn oordeel dat bewezen is dat X het beboete vergrijp heeft gepleegd. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het principale beroep (zie 25/01559), gegrondverklaring van het incidentele beroep en verwijzing van de zaak naar een ander hof voor een nieuwe beoordeling van de vraag of het aan opzet van X is te wijten dat de BV te weinig belasting heeft betaald over 2013.  

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Invorderingswet 1990 artikel 32

Invorderingswet 1990 artikel 36

Algemene wet bestuursrecht artikel 5.44

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Strafrecht

Editie: 20 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen