Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat de beperkte beoordelingsbevoegdheid niet kan worden ‘doorbroken’. Dat de raadsman van X niet in kennis is gesteld van het hoger beroep, valt buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om uitspraken van de CRvB te beoordelen.

X werkt als Rijnvarende van augustus 2015 tot juni 2016 voor een Liechtensteinse werkgever. Na een korte onderbreking werkt X ook vanaf 1 oktober 2016 voor deze werkgever. De Svb is van mening dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op X. Hierover wordt met betrekking tot de eerste periode geprocedeerd tot aan de Hoge Raad (22 april 2022, 20/04016, V-N 2022/21.30.7), waarin de Svb in het gelijk wordt gesteld. Met betrekking tot de tweede periode stelt Rechtbank Noord-Nederland vast dat de Svb de op X toepasselijke wetgeving ten onrechte niet ‘onverwijld’ voorlopig heeft vastgesteld en dat de Svb dan ook niet van het beredeneerde vermoeden mocht uitgaan dat X in die periode een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Op X rust een lichtere bewijslast. De Svb gaat in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep stuurt de kennisgeving van het hoger beroep alleen naar X en niet naar de gemachtigde van X. De CRvB oordeelt dat X en zijn werkgever niet genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt in welke verhouding de werkzaamheden van X in de tweede periode waren verdeeld tussen Nederland en de andere lidstaten. De Svb mag ook in deze tweede procedure uitgaan van het beredeneerde vermoeden. X gaat in cassatie en stelt onder andere dat zijn raadsman in kennis had moeten worden gesteld van het hoger beroep. Advocaat-generaal Pauwels neemt conclusie in deze zaak en legt daarbij de focus op het procesverloop.

Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat de beperkte beoordelingsbevoegdheid, met betrekking tot de beperkte bevoegdheid voor het beoordelen door de Hoge Raad van uitspraken van de CRvB, niet kan worden ‘doorbroken’. Dat de raadsman van X niet in kennis is gesteld van het hoger beroep (en evenmin van de uitspraak), valt buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om uitspraken van de CRvB te beoordelen. De A-G verwijst daarbij naar de relevante cassatiebepaling (art. 53 lid 1 AOW). Met betrekking tot het materiële punt overweegt de A-G, onder verwijzing naar het Hakamp-arrest van het Hof van Justitie EU (4 september 2025, C-203/24, V-N 2025/40.9), dat bij de toepassing van art. 14 lid 8 EG-Verordening 987/2009 geen rekening mag worden gehouden met het feit dat X in Nederland woont en dat hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant (zie voor het eindoordeel van de Hoge Raad het arrest van 21 november 2025, 22/02795 bis, ECLI:NL:HR:2025:1726, V-N 2025/52.5, -red.). Na ampele overwegingen adviseert de A-G de Hoge Raad uiteindelijk om het beroep in cassatie van X op dit punt gegrond te verklaren en de zaak terug te wijzen naar de CRvB.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels artikel 13

Algemene Ouderdomswet artikel 53

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Internationale sociale zekerheid, Premieheffing, Sociale zekerheid werkloosheid

Editie: 6 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen