X ontvangt in het kader van het programma Nieuwe Natuur (pNN) vergoedingen van de provincie Flevoland. In geschil is of de pNN-vergoeding, net als subsidies op grond van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL), moet zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting. De SKNL is expliciet vrijgesteld via art. 6 UR IB 2001, na goedkeuring door de Europese Commissie. Volgens X zijn pNN en SKNL materieel gelijk en ontbreekt een rechtvaardiging voor het fiscale onderscheid. Hij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, art. 14 EVRM en het Unierecht. Rechtbank Noord-Nederland en Hof Arnhem-Leeuwarden erkennen de materiële gelijkheid van beide regelingen, maar achten het onderscheid gerechtvaardigd omdat alleen de SKNL-vrijstelling door de Commissie is goedgekeurd. De wetgever zou mogen beperken tot goedgekeurde regelingen om staatssteunrisico’s te vermijden.
Advocaat-generaal Wattel meent dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de zogeheten pNN-vergoedingen evenals SKNL-subsidies vrijgesteld moeten worden van IB/PVV. De A-G overweegt dat rechtbank en hof bij hun oordelen ten onrechte de maatstaf voor toetsing van formele wetgeving hebben gebruikt, terwijl het hier gaat om een ministeriële regeling. Het is de minister die ervoor heeft gekozen de SKNL-vrijstelling wel en de pNN-vrijstelling niet aan te melden. Dat handelen of nalaten had moeten worden getoetst aan art. 1 Grondwet, het EU-Handvest en het algemene gelijkheidsbeginsel. Vaststaat dat (i) pNN en SKNL materieel gelijk zijn, (ii) pNN-vergoedingen DAEB-compensatie vormen en (iii) de SKNL-vrijstelling is goedgekeurd door de Europese Commissie. De kernvraag is dan of het EU-(staatssteun)recht zich verzet tegen toepassing van het gelijkheidsbeginsel om de fiscale discriminatie op te heffen die is ontstaan doordat de minister de belastingvrijstelling voor pNN-vergoedingen niet, maar die voor de materieel gelijke SKNL-subsidies wel aan de Commissie heeft voorgelegd. Beslissend voor de beantwoording van die vraag is of een uitbreiding van de vrijstelling tot pNN-vergoeding moet worden gezien als bestaande staatssteun of als nieuwe steun die gemeld moet worden. Volgens de A-G is hier sprake van bestaande staatssteun en daarmee vervalt het staatssteunargument en ontbreekt een objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke fiscale behandeling. De discriminatie is het gevolg van meldingsdiscriminatie door de minister en kan daarmee niet worden gerechtvaardigd. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van X gegrond te verklaren. Mocht de Hoge Raad toch een reëel staatssteunrisico zien, dan worden prejudiciële vragen aan het HvJ EU voorgesteld.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.13
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 6
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 26
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 21 januari
Informatiesoort: VN Vandaag