X ontvangt in 2019 een Wajonguitkering van het UWV en dient meerdere aangiftes IB/PVV in voor dat jaar. De inspecteur legt uiteindelijk een definitieve aanslag op naar een verzamelinkomen van € 14.184, wat leidt tot een terug te betalen bedrag van € 2043. X maakt bezwaar tegen deze aanslag en stelt dat de rechtbank ten onrechte geen uitstel heeft verleend voor de mondelinge behandeling om medische redenen. Daarnaast betwist X het openstaande bedrag van € 2562. De inspecteur handhaaft de aanslag en stelt dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, gebaseerd op een renseignement van het UWV.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2025/24.1.1)oordeelt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om uitstel van de mondelinge behandeling heeft verzocht. Het hof acht het niet aannemelijk dat X het door hem gedane verzoek om uitstel heeft gedaan, aangezien er geen schriftelijke stukken of nadere informatie zijn overgelegd. Daarnaast oordeelt het hof dat de inspecteur met het overgelegde renseignement van het UWV zowel de omvang van de door X genoten inkomsten als de omvang van de op deze inkomsten ingehouden loonheffing aannemelijk heeft gemaakt. X heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat het bedrag van de loonheffing € 1080 moet zijn. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.56
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.80
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 1 april
Informatiesoort: VN Vandaag