X is enig aandeelhouder en bestuurder van Holding BV en Pensioen BV, waarin hij in 1997 een stamrecht onderbrengt. Hij verricht in 2018 en 2019 werkzaamheden voor Holding BV en ontvangt daarvoor managementvergoedingen die hij als loon in zijn aangiften IB/PVV opneemt. Hij geeft geen stamrechtuitkeringen vanuit Pensioen BV aan omdat hij deze later wilde laten ingaan dan bij het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd in 2017. Na overleg met de inspecteur vennootschapsbelasting stemt X in met herstel door jaarlijkse stamrechtuitkeringen van € 22.894. De inspecteur inkomstenbelasting legt vervolgens navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 met deze uitkeringen op. In geschil is of de managementvergoedingen achteraf te verminderen zijn met de hoogte van de stamrechtuitkeringen.
Hof Den Haag oordeelt dat X de managementvergoedingen van Holding BV in 2018 en 2019 als loon geniet. Holding BV houdt loonheffingen in en X ontvangt of verrekent dit loon, zodat geen fout in zijn aangiften ontstaat. Een later overeengekomen verlaging leidt alleen in het jaar van terugbetaling tot negatief loon en verandert het genietingsmoment in 2018 en 2019 niet. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.146
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13A
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting
Editie: 26 februari
Informatiesoort: VN Vandaag