X ontvangt voor 2018 en 2019 aanslagen IB/PVV naar belastbare inkomens van respectievelijk € 45.497 en € 44.700, inclusief belastingrente en een verzuimboete. De inspecteur corrigeert negatieve resultaten uit ondernemingsactiviteiten, omdat geen sprake is van een bron van inkomen. In hoger beroep overlegt X een afschrift van een in 2001 met de inspecteur gesloten VSO, die betrekking heeft op de jaren 1995–2001 en bepaalde bedragen regelt voor de aangifte 2000. X stelt mondelinge afspraken te hebben gemaakt waardoor hij verliezen uit die periode naar eigen inzicht in latere jaren mag verrekenen. De inspecteur betwist dat dergelijke aanvullende afspraken bestaan. In geschil is of de vaststellingsovereenkomst uit 2001 X het recht geeft om verliezen uit 1995–2001 naar eigen inzicht te verrekenen met inkomsten in 2018 en 2019.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N Vandaag 2025/2356) oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst uitsluitend afspraken bevat over inkomensbestanddelen in de belastingaangifte voor 2000 en geen regeling voor vrije verliesverrekening in latere jaren. X bewijst niet dat mondelinge of andere aanvullende afspraken zijn gemaakt. Zelfs indien zulke afspraken zouden zijn gemaakt, zijn zij contra legem en kan X daarop redelijkerwijs geen beroep doen. Art. 51 Wet IB 1964 bepaalt immers de wettelijke systematiek voor verliesverrekening. Er zijn geen andere gronden voor verliesverrekening in 2018 en 2019. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.150
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 31 maart
Informatiesoort: VN Vandaag