Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de aftrek van de periodieke gift in natura terecht niet toestaat. De converteerbare obligatie heeft namelijk geen waarde. Het door X ingebrachte rapport onderbouwd de door haar bepleite waarde van de converteerbare obligatie niet.

X brengt in haar IB-aangiften 2019 - 2021 een bedrag in aftrek in verband met een periodieke gift in natura. De gift bestaat uit een vaste en periodieke verstrekking van X en haar partner in waardepapieren van € 200.000 per jaar gedurende vijf jaar. Dit betreft een converteerbare obligatie. De inspecteur staat aftrek niet toe omdat hem tijdens de beoordeling van de bezwaarschriften tegen de IB-aanslag 2020 is gebleken dat de periodieke gift geen waarde heeft. X gaat in beroep.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur aftrek van de periodieke gift in natura terecht niet toestaat. De converteerbare obligatie heeft namelijk geen waarde. Het door X ingebrachte rapport onderbouwd de door haar bepleite waarde van de converteerbare obligatie niet. Het rapport heeft namelijk betrekking op de waardering van de aandelen in B BV, terwijl de waarde van de converteerbare obligatie berust op de waarde van de aandelen in A BV. Volgens de rechtbank blijkt uit de stukken eerder dat de aandelen in A BV geen waarde hebben. Uit de VPB-aangifte 2020 blijkt dat A BV eind 2020 een negatief eigen vermogen heeft. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat de overeenkomsten die in verband met de converteerbare obligatie zijn gesloten uiterst vaag zijn.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.32

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.34

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 1 april

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen