X heeft de Indiase nationaliteit. De IND kent X een verblijfsvergunning toe voor een studie aan de Universiteit Delft. Voor de aanvraag van de vergunning maakt X op 25 juni 2015 € 23.760 naar de universiteit over, bestaande uit € 13.560 collegegeld en € 10.200 “living allowance”. De universiteit stort later in 2015 de “living allowance”, na aftrek van visumkosten, op de bankrekening van X. De inspecteur merkt X in 2015 aan als binnenlands belastingplichtige. In de aangifte IB/PVV 2015 claimt X € 13.310 aan scholingsuitgaven. In geschil is of de overboeking van het collegegeld vóór immigratie een betaling vormt in de zin van art. 6.40 lid 1 letter a Wet IB 2001. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de betaling in juni 2015 slechts een depotstorting was. De voldoening van het collegegeld heeft plaatsgevonden door verrekening in september 2015 toen X een binnenlandse belastingplichtige was. De staatssecretaris gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat voor een betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting is vereist dat op het moment dat het collegegeld wordt overgemaakt een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit, en de overmaking naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen (HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, V-N 2024/33.18, r.o. 4.2.1 en 4.2.2). Volgt verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of de overmaking van het collegegeld door X is aan te merken als een betaling in de zin van genoemd artikel. Als het verwijzingshof daarnaast tot het oordeel komt dat X recht heeft op een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep, dan moet dit hof opnieuw, met inachtneming van HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7294, V-N 2008/62.6, r.o. 5.8.1 en 5.8.2, beoordelen of deze zaak met een of meer andere zaken samenhangt, en zo ja met welke andere zaak of zaken. Zowel het principale beroep in cassatie als het incidentele beroep in cassatie is gegrond.
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 9 februari
Informatiesoort: VN Vandaag