X is via een stichting enig aandeelhouder van X1 BV, die op haar beurt 100% aandelen bezit in X2 BV en X3 BV en 95% in X4 BV. De BV’s produceren en verkopen sieraden. In augustus 2018 maakt X in totaal € 265.000 over aan X1 BV zonder zekerheid te bedingen. Het saldo van de rekening-courantvordering is eind 2018 € 271.135. In geschil is of X de vordering kan afwaarderen tot nihil. In 2019 en 2020 gaan de BV’s failliet. Volgens Rechtbank Den Haag maakt de inspecteur aannemelijk dat het een onzakelijke lening is, die X in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder heeft verstrekt. X gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat X1 BV op het moment van de geldverstrekking in een structurele verliessituatie verkeerde en dat een willekeurige derde niet bereid zou zijn geweest dezelfde lening te verstrekken. De geldverstrekking is weliswaar geen schijnlening of een bodemlozeputlening, maar de afwaardering van de rekening-courantvordering is niet aftrekbaar. Het beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.94
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting
Editie: 10 april
Informatiesoort: VN Vandaag