De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het alcoholhoudend pauzedrankje geen bijkomende prestatie is die deelt in het verlaagde BTW-tarief voor de theatervoorstelling.

Stichting X verleent tegen betaling van een vergoeding toegang tot theatervoorstellingen. In de toegangsprijs is de verstrekking van één drankje tijdens de pauze begrepen (het pauzedrankje). In de pauze staan drankjes klaar waaruit elke bezoeker één drankje mag kiezen om tijdens de pauze te nuttigen. Er is keuze uit alcoholvrije en alcoholhoudende dranken. X voldoet over ontvangen vergoedingen slechts omzetbelasting naar het verlaagde tarief. Alcoholhoudende dranken zijn uitgezonderd van het verlaagde BTW-tarief voor voedingsmiddelen, zodat het verstrekken van deze pauzedrankjes volgens de inspecteur is onderworpen aan het algemene BTW-tarief. In geschil is de naheffingsaanslag. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof 's-Hertogenbosch is het verstrekken van het pauzedrankje een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie deelt. De Staatssecretaris gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het pauzedrankje geen bijkomende prestatie is die deelt in het verlaagde tarief voor de hoofdprestatie. Het nuttigen van het pauzedrankje is niet van belang voor het bijwonen van de theatervoorstelling. Het wordt namelijk alleen tijdens de pauze verstrekt en niet tijdens de voorstelling. X beroept zich vergeefs op het gelijkheidsbeginsel. X verwijst naar Besluit 22 december 2017, nr. 2017-16288, V-N 2018/3.22 waarin is geregeld dat het gebruik van de garderobe en reserveringskosten kunnen delen in het verlaagde tarief. Deze handelingen vervullen echter een wezenlijk andere functie dan het aanbieden van een pauzedrankje. Garderobefaciliteiten ontlasten de bezoeker van het tijdens de voorstelling bij zich moeten houden van kledingstukken en bagage. De reserveringskosten die de zaalhouder berekent bij de voorverkoop van toegangsbewijzen bewerkstelligen dat de bezoeker juist toegang heeft tot de voorstelling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 9

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 4

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 16 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

155

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen