De Hoge Raad oordeelt dat het door het hof in het dictum vermelde griffierecht van “€ 27.23” onjuist is. Volgens art. 8:41 Awb (tekst 2021) zou van X € 181 aan griffierecht moeten zijn geheven, hetgeen ook door de griffier van de rechtbank is bevestigd.

X dient in 2021 een BTW-suppletieaangifte in. Hierin is verzocht om een teruggaaf over 2011 van € 7686. In geschil is of het verzoek tijdig is ingediend, hetgeen de inspecteur betwist. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. Hof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank. In hetgeen X tijdens het onderzoek ter zitting van het hof heeft verklaard over het niet kunnen deelnemen aan het digitale onderzoek ter zitting van de rechtbank, is echter aanleiding gezien om de griffier van de rechtbank te gelasten het in eerste aanleg betaalde griffierecht van “€ 27.23” terug te storten, waarmee is bedoeld dat de griffier dit moet vergoeden. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het door het hof vermelde griffierecht van “€ 27.23” onjuist is. Volgens art. 8:41 Awb (tekst 2021) zou van X € 181 aan griffierecht moeten zijn geheven, hetgeen ook door de griffier van de rechtbank is bevestigd. De onjuistheid in het dictum van de uitspraak van het hof wordt daarom verbeterd tot € 181. Het beroep van X is gegrond. X krijgt ook griffierechtvergoedingen voor het hoger beroep en het beroep in cassatie (tweemaal € 274).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.41

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 22J

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 29

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 2 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

19

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen