X koopt een appartementsrecht dat het uitsluitend gebruik geeft van de bedrijfsruimte op de begane grond met tuin in een groot wooncomplex. De splitsingsakte en koopovereenkomst omschrijven het object als bedrijfsruimte. Het pand had in 1921 de functie van winkel met achtergelegen woonruimte en tuin en veranderde daarna in vergaderlokaal, kapsalon en kantoor. De ruimte staat te koop als bedrijfs-/kantoorruimte. Na levering laat X de binnenzijde strippen en verbouwen en gaat zij daar wonen. De notaris voldoet overdrachtsbelasting naar het algemene tarief waarna X bezwaar maakt.
In geschil is of X bij verkrijging van het appartementsrecht het 2%-tarief overdrachtsbelasting mag toepassen omdat dit (gedeeltelijk) als woning kwalificeert.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de onroerende zaak bij de bouw in 1921 grotendeels een woonfunctie had. Verbouwingen in 1938, 1955 en 1990 tastten dit woonkarakter niet aan, omdat partijen alleen niet-dragende binnenwanden hebben verplaatst en de indeling bewoning toeliet. De rechtbank kwalificeert daarom 70% van het appartementsrecht als woning en 30% als niet-woning, zodat X slechts voor het woondeel recht heeft op het 2%-tarief overdrachtsbelasting.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15A
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 24 februari
Informatiesoort: VN Vandaag