Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de verliesbeschikking niet te laag heeft vastgesteld. Volgens de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een verbreking van een f.e. met terugwerkende kracht toe te staan.

Vanaf 1 oktober 2020 bestaat een VPB-f.e. tussen X BV en haar moeder. Op 17 augustus 2021 verzoekt X BV om de f.e. met ingang van 1 oktober 2020 ongedaan te maken. Vervolgens dient X BV in 2022 een VPB-aangifte 2020 in met een verlies van € 256.461. De inspecteur constateert dat X BV in haar aangifte, ten onrechte, geen rekening heeft gehouden met het bestaan van de f.e. De inspecteur stelt het verlies vervolgens vast op € 174.530.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de verliesbeschikking niet te laag heeft vastgesteld. Volgens de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een verbreking van een f.e. met terugwerkende kracht toe te staan. Verbreking van de f.e. tussen X BV en haar moeder per 1 oktober 2020 is dus niet mogelijk. Het beëindigingstijdstip kan niet eerder liggen dan het tijdstip waarop het verzoek om beëindiging van de f.e. wordt gedaan. Nu pas op 17 augustus 2021 voor het eerst is verzocht om beëindiging van de f.e. per 1 oktober 2020, is verbreking pas vanaf die datum mogelijk. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 5 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen