Op 4 augustus 2022 constateert een parkeercontroleur dat X zijn auto zonder betaling parkeert op een door de gemeente Rotterdam aangewezen locatie. De heffingsambtenaar legt op 17 augustus 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. X maakt op 6 september 2022 bezwaar. Op 25 januari 2023 verklaart de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond en vernietigt de aanslag bij uitspraak op bezwaar. De beslissing op bezwaar wordt daarbij verzonden naar het privéadres van de gemachtigde. Op 3 mei 2023 stelt X beroep niet-tijdig beslissen in. Rechtbank Rotterdam verklaart X' beroep ongegrond. In hoger beroep stelt X dat hij de uitspraak niet heeft ontvangen en dat de beslissing op bezwaar niet op de juiste wijze bekend is gemaakt door verzending naar het privéadres van de gemachtigde. De heffingsambtenaar verwijst naar de verzendadministratie en de bezorging op het vermelde adres. In geschil is onder andere of verzending van de uitspraak op bezwaar naar het privéadres van de gemachtigde geldt als een juiste bekendmaking.
Hof Den Haag acht aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar op 11 januari 2023 is verzonden naar het privéadres van de gemachtigde, wat het vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. Hoewel de beslissing op bezwaar niet naar het formele kantooradres is verzonden, voldoet de bekendmaking aan haar strekking omdat de gemachtigde op zijn privéadres kennis kan nemen van de inhoud.De beslissing op bezwaar is tijdig gedaan en op de juiste wijze bekendgemaakt. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 69
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.40
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingen van lagere overheden
Editie: 8 januari
Informatiesoort: VN Vandaag