X en Y zijn gezamenlijk eigenaar van een natuurterrein en twee woningen die samen een landgoed vormen onder de Natuurschoonwet 1928. Op grond van de NSW-beschikking voldoet het landgoed niet aan de oppervlakte-eisen voor gemeentelijke vrijstelling. De heffingsambtenaar stelt voor 2023 de WOZ-waarde van het natuurterrein vast op € 132.000 en de WOZ-waarde van de woningen op € 503.000 en € 526.000. Ook legt hij overeenkomstige OZB-aanslagen op. X en Y maken bezwaar en gaan in beroep. In geschil is of de NSW-uitzondering en bestemmingswaarde gelden en of de rechter daarbij gebonden is aan de NSW-beschikking.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de NSW-uitzondering twee cumulatieve voorwaarden kent: aanwijzing als landgoed op grond van de NSW en voldoen aan de voorwaarden van art. 8 van het Rangschikkingsbesluit. De ministeriële NSW-beschikking ziet uitsluitend op de rangschikking en bindt de belastingrechter niet bij de beoordeling van die feitelijke voorwaarden. Omdat partijen erkennen dat het landgoed aan de oppervlakte-eisen voldoet, concludeert de rechtbank dat het ongebouwde deel van de onroerende zaken buiten de WOZ- en OZB-grondslag blijft en dat de waardering van de woningen uitgaat van de bestemmingswaarde, wat leidt tot substantiële verlaging van de vastgestelde WOZ-waardes.
Wetingang:
Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken artikel 2
Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 artikel 8
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Wet waardering onroerende zaken artikel 18
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Waardering onroerende zaken, Schenk- en erfbelasting
Editie: 12 februari
Informatiesoort: VN Vandaag