Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat beroepen wegens niet tijdig beslissen over ambtshalve vermindering IB/PVV 2019, 2020 en de voorlopige aanslag 2022 niet-ontvankelijk zijn, terwijl het beroep over de aanslag 2021 slaagt.

X ontvangt aanslagen IB/PVV 2019 t/m 2021 en een voorlopige aanslag IB/PVV 2022. X dient verzoeken om ambtshalve vermindering in, mede wegens box 3-rechtsherstel. Over de aanslag 2021 loopt al hoger beroep bij Hof 's-Hertogenbosch. In geschil zijn de beroepen wegens niet tijdig beslissen tegen het uitblijven van besluiten op de verzoeken om ambtshalve vermindering IB/PVV 2019 tot en met 2022.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de beroepen wegens het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 niet-ontvankelijk zijn, omdat de verzoeken vallen onder de ‘massaal bezwaar plus’-procedure. De termijn om te beslissen op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, wordt opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak wordt gedaan. Er is nog geen collectieve uitspraak gedaan. De rechtbank verklaart het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk, omdat inmiddels op het verzoek is beslist en de definitieve aanslag onherroepelijk vaststaat. Voor 2021 bepaalt de rechtbank dat art. 9.6 Wet IB 2001 geen beperking bij lopend hoger beroep kent, de beslistermijn is verstreken en het beroep slaagt.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25C

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 3 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

22

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen