Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het beroep van X tegen de WOZ-beschikking ontvankelijk is, ondanks een machtiging die ouder is dan zes maanden. De rechtbank ziet geen gerede reden om aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde te twijfelen.

De heffingsambtenaar stelt op grond van de Wet WOZ de waarde van de woning van X vast op € 427.000. X maakt bezwaar tegen de beschikking, waarna de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaart. X stelt vervolgens beroep in. De heffingsambtenaar stelt op de zitting dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de door de gemachtigde overgelegde machtiging ouder is dan zes maanden, wat in strijd is met de richtlijn van de hoven en een uitspraak van Hof Den Haag. In beroep is onder andere in geschil de ontvankelijkheid van het beroep van X.

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het beroep van X ontvankelijk is. Er is geen gerede reden om aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde te twijfelen. De heffingsambtenaar voert pas ter zitting aan dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege een oude machtiging. X heeft hierdoor niet voor de zitting kunnen onderbouwen dat hij nog achter de machtiging staat. De heffingsambtenaar motiveert bovendien niet waarom hij aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde twijfelt, maar wijst enkel op het tijdsverloop. De machtiging van is kort na de dagtekening van de beschikking verleend en vermeldt expliciet dat zij ook voor de beroepsprocedure geldt. De rechtbank ziet voldoende causaal verband tussen de beschikking en de machtiging. X' beroep is ontvankelijk.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.24

Instantie: Rechtbank Midden-Nederland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 17 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

16

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen