In een echtscheidingsprocedure verstuurt de man op 13 juni 2024, één dag vóór het einde van de termijn, zijn beroepschrift per gewone e-mail aan Hof Amsterdam. De papieren versie wordt pas ontvangen op 17 juni 2024, dat is na afloop van de termijn. Volgens het toepasselijke procesreglement is indiening per gewone e-mail niet toegestaan. Het hof verklaart het hoger beroep desondanks ontvankelijk, mede omdat vóór 1 juli 2024 geen consistente praktijk bestond: dergelijke stukken werden soms wel geaccepteerd. In cassatie klaagt de vrouw dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden toegepast, zodat het hof geen ruimte had om de man toch ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad oordeelt dat een beroepschrift dat in strijd met het procesreglement per gewone e-mail in plaats van via Veilig Mailen is ingediend toch ontvankelijk is. Het beroep is op gebrekkige wijze ingediend, omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend in plaats van per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals het procesreglement voorschrijft. In zo’n geval geldt als uitgangspunt dat de rechter de indiener gelegenheid moet bieden het gebrek te herstellen, bijvoorbeeld door het stuk alsnog correct via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij daar geen gebruik van dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in een geval als dit in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerder onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.5
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 1 april
Informatiesoort: VN Vandaag