De FIOD treedt in 2018 een loods binnen en treft een grote partij onveraccijnsde sigaretten aan. X is op dat moment samen met een derde in de loods aanwezig. Aan X is een naheffingsaanslag accijns opgelegd van € 2,9 mln. X verklaart dat hij alleen in de loods was om dozen op pallets te stapelen en geen weet had van de onveraccijnsde sigaretten. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch is X door aanwezig te zijn in de loods betrokken geweest bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting van het hof dat X vanwege zijn aanwezigheid in de loods een risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns draagt geen steun in het EU-recht vindt. Dit kan echter niet tot cassatie leiden. Uit de stukken van het geding blijkt namelijk dat X de opdracht had aangenomen van de persoon die op de bewuste dag ter plaatse de fysieke beschikkingsmacht over de sigaretten had, om die dag in de loods tegen vergoeding dozen te sjouwen en op pallets te stapelen. In die zin was X betrokken bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen, ook al was hij nog niet aan de handelingen begonnen. Doorslaggevend is dat hij die dag met dat doel de loods is binnengegaan en het buiten zijn wil niet tot het uitvoeren van die handelingen is gekomen. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond (zie art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Accijns en verbruiksbelastingen
Editie: 23 februari
Informatiesoort: VN Vandaag