De heffingsambtenaar legt aan X een aanslag waterschapsbelasting 2023 op van in totaal € 294,83 voor een woning. De watersysteemheffing gebouwd daarin baseert hij op een WOZ-waarde van € 918.000. X maakt bezwaar tegen de aanslag en wijst op de lopende beroepsprocedure tegen de WOZ-beschikking. X verzoekt de aanslag op te schorten, omdat de WOZ-waarde nog niet onherroepelijk is. Inmiddels is de de WOZ-waarde verlaagd naar € 835.000. De heffingsambtenaar vermindert daarna de aanslag met € 10,40. In geschil is of de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar mag doen voordat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat.
Rechtbank Amsterdam oordeelt dat art. 131 Waterschapswet zo moet worden uitgelegd dat de heffingsambtenaar eerst uitspraak op bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting kan doen nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat. Hierbij verwijst de rechtbank naar arresten van de Hoge Raad uit 2002 (BNB 2002/305) en 2010 (V-N 2010/54.8). Onbekendheid met het hoger beroep en de werking van art. 18a AWR veranderen dit niet. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op opnieuw te beslissen zodra de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Amsterdam
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 maart
Informatiesoort: VN Vandaag